H. Amor van Munsterbilzen, Kluizenaar
Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.
Rechtstreeks vertaald uit het oudste handschrift (11e eeuw) — Vita Amoris, geschreven door Hegebertus (Egebertus), diaken, vermoedelijk ca. 1060, en opgedragen aan een zekere Robert. Deze vertaling volgt het oudst bewaarde handschrift: Brussel, KBR, MS II 1050, fol. 75v-81v (11e eeuw). Het beeld boven deze Vita komt uit een jonger handschrift te Kraków, Biblioteka Jagiellońska, Berol. Ms. theol. lat. qu. 188 (12e eeuw).
Het leven van de heilige Amor wordt hier gegeven zoals het staat in het oudste bewaarde handschrift, rechtstreeks vanuit het perkament vertaald: Brussel, Koninklijke Bibliotheek (KBR), MS II 1050, fol. 75v–81v (11e eeuw). In de opdracht noemt de auteur zichzelf: Hegebertus, diaken. Hij schreef het leven van Amor opnieuw op vraag van een edelman, Robert, omdat het oudere boekje "vol Griekse woorden" de lezers weinig zei.
Amor kwam uit Aquitanië. Hij trok naar Rome, waar de apostel Petrus hem in een droom naar Maastricht stuurde. Daar leefde hij in gebed bij de kerk van de heilige Servatius, tot hij op 8 oktober stierf. Later liet een edelvrouw, door een visioen aangespoord, zijn lichaam verheffen en overbrengen; volgens de traditie naar Munsterbilzen, waar zijn relieken nog bewaard worden.
Jongere afschriften, en daarmee de Acta Sanctorum (1780), noemen die vrouw Hulda en de plaats van zijn graf Bilzen (Belisia). In dit oudste handschrift staan die namen niet. Ook schonk de vrouw zich volgens het handschrift "met haar sieraden" (cum monilibus) aan de heilige, en niet "met de nonnen" (cum monialibus), zoals de latere tekst leest.
HET LEVEN VAN DE HEILIGE AMOR — naar het handschrift Brussel, KBR, MS II 1050, fol. 75v–81v (11e eeuw)
Aan Robert, telg van een edel geslacht: Hegebertus, de geringste onder de diakens, wenst dat u met des te meer ijver naar het heil streeft.
Proloog
Enige tijd geleden gingen wij naar de plaats van de heilige Amor om er zijn feest mee te vieren. We wilden ook lezen hoe zijn leven verlopen was. Maar toen we het hele boekje hadden doorgenomen, vonden we niets over de levenswijze of de regel waaraan hij zich had gewijd, en ook niets anders dat voor de aandachtige lezer de moeite waard is om te onthouden.
U wendde zich daar meteen tot mij. Eerst dacht ik nog dat u grapte, maar weldra drong u er met klem op aan dat ik het leven van deze heilige opnieuw zou beschrijven, in een vorm die vertrouwder klinkt. Die oude levensbeschrijving, vol Griekse woorden, leek de lezers immers weinig te zeggen; in de onze zou het inzicht rijker kunnen opbloeien.
Wie de daden van de heiligen wil vertellen, mag de lezers de weg niet versperren. Hij moet hun juist het licht van de waarheid laten zien.
Vroeger, zo zegt men, gebood een oude koninklijke wet te zwijgen, op straffe van de dood. Maar wie de werken van God aan anderen bekendmaakten – en ik geloof dat dat nut heeft – hebben de gave van de hemelse genade nooit hoeven missen. [Vgl. Tobit 12,7: "Het geheim van een koning moet men verbergen, maar de werken van God bekendmaken is eervol."]
In die hoop ben ik begonnen de verdiensten van deze heilige zo goed mogelijk te beschrijven. Niet omdat ik op mijn eigen talent vertrouw, maar voor u, edelste heer. Dit kleine werk vertrouw ik toe aan uw trouw.
Daarom vraag ik u: als ik hier en daar tekortschiet en een fout maak, verdedig mij dan met uw veel grotere gezag tegen wie mij slecht gezind zijn. Zo hoeft dit boekje niet weerloos te wijken voor kwaadwilligen.
HIER EINDIGT DE PROLOOG. HIER BEGINT HET LEVEN.
Hoofdstuk I
De zalige Amor kwam uit Aquitanië en stamde uit een goede familie. Zodra hij kon spreken en de naam van God hoorde die de christenen kennen, gaf hij zich vol overgave aan die God, voor zover een klein kind dat kan.
In zijn edele geest nam hij zich vast voor: als God hem liet opgroeien tot een volwassen man, zou hij op rijpere leeftijd, die beter tegen tegenslag bestand is, ten volle waarmaken wat hij als kind nog maar half had kunnen doen.
Hoofdstuk II
Zo groeide de heilige jongen op, niet zozeer in lichaam als in heiligheid. Hij wilde alleen bij God bekend zijn en voor slechte mensen altijd verborgen blijven. Hij zag immers, zoals de apostel zegt, hoe bij veel mensen het vlees zich verzet tegen de geest. Hij wilde zijn vlees aan zijn Schepper onderwerpen en trok zich daarom ongemerkt terug uit de wereld, om alleen voor Christus te leven.
Hij zorgde er namelijk voor dat niemand zijn goede daden zag en er jaloers op werd, en dat niets van wat hij uit alle macht wilde vermijden, het volk ter ore kwam. Hij wist immers wat iedereen weet: slechte mensen raken des te meer van streek wanneer ze bij iemand anders echte deugd zien opbloeien.
Hoofdstuk III
Uiterlijk tuchtigde hij zijn lichaam met een boetekleed, innerlijk met vasten. Hij waakte en bad zonder ophouden. Om zelfs in kleine dingen niet te zondigen – en dat gaat de gewone menselijke kracht te boven – onthield hij zich op bewonderenswaardige wijze van ijdel gepraat en van lachen.
Maar een stad op een berg kan niet verborgen blijven. Hoe hoger ze haar top boven de wijde dalen verheft, hoe duidelijker iedereen haar ziet.
Uit eigen beweging legde hij zich ook toe op de studie, niet om onder de strenge hand van de schoolmeesters te staan, maar alleen om in de heilige lezingen het enige te leren kennen dat werkelijk nodig is: de Heer.
Hij deed zoals hij over de zalige Maria had horen vertellen. Zij koos het beste deel, boven haar zuster, en verdiende het eeuwige leven door de voeten van haar Schepper te kussen en af te drogen.
Zonder dat hij er iets voor deed, raakte zijn naam bekend in de hele streek, hoe groot die ook was. Uit angst voor het gepraat van de mensen durfde hij zich nergens meer openlijk te vertonen. Hij stond voor een moeilijke keuze: hoe kon het goede werk dat hij begonnen was voor de mensen verborgen blijven, en waar zou hij een plek vinden die er beter geschikt voor was?
Toen legde de man Gods een gelofte af. In de nacht kreeg hij een aanwijzing: hij moest het land van zijn familie verlaten en naar het graf van de heilige Petrus gaan, de eerste van de apostelen, en daar in gebed vernemen waar hij daarna heen moest. Hij werd wakker, blij met de boodschap van de engel, en zodra er een goede gelegenheid kwam, ging hij op weg naar de plaats die hem gewezen was.
Gods genade ging voor hem uit, en hij nam zich voor die altijd en in alles te volgen. Zo trok hij over de ruwe wegen van allerlei streken, tot hij ten slotte Rome bereikte.
Daar bleef hij enkele dagen en week hij niet van het graf van de heilige Petrus. Hij vroeg de beschermheer van die plaats om bijstand en bad met aandrang, om door zijn voorspraak bij de Heer, de bron van alle goedheid, te verkrijgen wat hij op eigen verdienste nooit zou durven vragen. Vooral wilde hij te weten komen wat God met hem voorhad en waar hij heen moest gaan.
Op een nacht lag de man Gods biddend neergeknield voor de gesloten deuren van de kerk, en de slaap overmande hem. En zie: de hemelse poortwachter – voor wie de Heer eens de gesloten deuren van de gevangenis had geopend – stond, zo leek het hem, in de deuropening, en sprak hem vriendelijk toe:
„Man Gods, je doet er goed aan om in je gebed aan God te vragen wat je zelf niet kunt weten. En opdat je niet denkt dat dit een droom zonder betekenis is: ik ben je betrouwbare boodschapper. Luister. Als je de Alpen bent overgestoken, zul je ongedeerd aankomen in de plaats die Maastricht (Traiectum) heet. Daar zul je, geholpen door de verdiensten van de heilige Servatius, je leven in vrede doorbrengen. En niet ver van die plaats zul ook jij, op Gods bevel, je eigen graf krijgen, zoals je verdiensten waard zijn. Dit is alles wat ik je te zeggen heb: wijk niet af van deze opdracht. Als je zo vertrekt, zal ik je overal bijstaan, na God.”
Na deze woorden verdween de heilige apostel plotseling, en Amor ontwaakte. Eerst dankte hij God. Daarna kreeg hij van de beschermheer van die plaats toestemming voor een goede reis, en trok hij naar streken die hij niet kende en die hem vreemd waren.
Hoofdstuk IV
Sommigen werpen over hem vragen op die wij zinloos vinden. Waarom, vragen zij, wordt deze dienaar van God als priester vereerd, terwijl het oude boekje daar niets over zegt? Maar ik vraag: hoelang willen die dwazen hem nog uit de rij van de geestelijken weren, terwijl hij in de hemel deelt in de gemeenschap van alle heiligen?
De Heer zegt immers in het evangelie: ‘Wie een profeet ontvangt omdat hij een profeet is, zal het loon van een profeet ontvangen.’ Hoe meer iemand hem hier om zijn verdiensten eert, hoe ruimer hij, zo geloven wij, voor die persoon bij God barmhartigheid zal verkrijgen voor alles waarvoor die hem aanroept.
Het is nu eenmaal menselijk – ik zeg het zoals het is – dat velen anderen in rang voorgaan, terwijl ze in verdienste de laatsten zijn. Dat lijkt de Heer te hebben willen tonen toen Hij vertelde over de man die onder de rovers viel en halfdood werd achtergelaten. Een priester en een leviet liepen hem voorbij, en geen van beiden had medelijden met hem. Maar voor hem was de Samaritaan weggelegd: lager in rang, maar groter in goedheid.
Wie die vraagstellers ook zijn, wij vragen hun met aandrang daarmee op te houden. Laat het hun genoeg zijn dat hij veel vermag bij God; elke dag zien zij immers zijn wonderen.
Wie zegt dat hij tijdens zijn leven het priesterambt uitoefende, vergist zich hooguit een klein beetje. Want al was hij geen priester in rang – en alleen daarin vergissen wij ons – in verdienste was hij het wel.
Laten we dit aan God overlaten en terugkeren naar ons verhaal.
Nadat de man van zalige nagedachtenis de raad van de hemelse poortwachter had gekregen, kwam hij op zijn reis hierheen door het gebied van Milaan. Daar hoorde hij van een zekere graaf Hucbold, een man met een mooie toekomst voor zich, die toch door koorts was getroffen. Geen geneesheer kon hem met enig middel genezen.
Het is gemakkelijk te geloven dat die geneesheren niet zo'n grote verdienste hadden als Amor. Zoals de Heer zelf eens een duivel uit een bezeten man verdreef toen zijn leerlingen dat niet konden, zo liet Hij ook deze graaf over aan iemand die sterker was, om hem te genezen.
Toen de graaf aan den lijve de kracht van de man Gods had ervaren, wilde hij hem rijkelijk belonen. „Wat je ook van mijn bezit wilt,” zei hij, „je krijgt het meteen. En ik vraag je vriendelijk: wijs onze gaven niet af.”
Maar Amor antwoordde: „Laat wat je mij belooft liever de armen ten goede komen. En dank God, niet een mens. Het past mij niet dat je mij hiervoor beloont met een deel van je bezit.”
De graaf rekende er bovendien op dat hij hem bij zich kon houden, want hij had niet goed begrepen waarheen Amor op weg was: God had bepaald dat hij geen andere verblijfplaats mocht zoeken dan Maastricht (Traiectum). En omdat hij zich niet tegen God kon verzetten, nam hij onder veel zuchten afscheid van de man Gods, die hierheen wilde komen.
Zo zette de strijder Gods de reis voort die hem was opgedragen. Hij doorstond allerlei gevaren, van de wegen en van kwaadwillige gastheren, en bereikte ten slotte Maastricht (Traiectum), de plaats waar hij met wonderlijke liefde naar verlangde.
Hoe hij daar de rest van zijn heilige leven doorbracht, dat kan niemand ter wereld volledig op schrift stellen. Hij leefde immers voor iedereen onbekend, zoals hij het altijd met zorg gewild had, behalve voor zover hij door Gods beschikking iets niet kon verbergen. Hij wist dat wie zijn goede daden toont en daarvoor hier de roem als loon ontvangt, het verborgen goed van zijn geweten kleiner maakt. Over zulke mensen zal de Heer aan het einde van de wereld zeggen: ‘Omdat jullie je werken deden om door de mensen geprezen te worden, voorwaar, Ik zeg jullie: Ik ken jullie niet, want jullie hebben je loon al ontvangen.’
Tegen die ondeugden, waarin de mens zich zo vaak verstrikt, beschermde hij zich ijverig. Toch sloegen enkele religieuzen hem gade, om voor het nageslacht iets gedenkwaardigs na te laten. Daarom volgt hier iets van zijn goede werken, zoals zij het verteld hebben.
Zoals hij gewoon was, haastte de heilige van de Heer zich op een nacht naar de kerk van Sint-Servaas om de psalmen te zingen. Plotseling flitste aan de hemel een groot licht op. Verwonderd keek hij lang naar de hemel, want hij wilde weten wat zo'n vuur betekende. In dat heldere licht zag hij aan de hemel wat hij eerder in Rome in een droom gezien had. Mocht hij nog twijfelen aan wat hem eerder getoond was, dan bevestigde de Heer hem zo met een duidelijker teken dat Hij hem hierheen geleid had. Hij zag dat teken met vreugde, maar hield die vreugde stil voor zich. En hoe dichter hij bij het doel kwam dat hij zich gesteld had, hoe vuriger hij zich aan Gods dienst wijdde. Met welke gebeden en langs welke trappen van deugd hij zich steeds nauwer aan God verbond, weet alleen Hij die geen enkel goed werk ooit onbeloond laat.
Nog een ander teken gebeurde voor hem uit de hemel, niet minder gedenkwaardig dan het eerste. Toen hij met even grote ijver naar de kerk van God ging, schoof er, zodra hij onder zijn eigen dak vandaan kwam, een lichtende wolk voor hem uit, als de vuurkolom die eens het volk van de Heer onder Mozes voorging. Zo ging die ook deze dienaar van God voor, tot aan de kerk.
Wat een mooi teken van een prachtig leven! Terecht vond hij, die het licht zocht, het licht. Zo kon hij, nog in dit leven, al weten welke beloning hem in het toekomende wachtte, want de Heer ging hem met zo'n groot teken van licht voor.
Hij had ook de vaste gewoonte de zolen van zijn schoenen af te scheuren, en dat opmerkelijke feit verborg hij voor iedereen: alleen de bovenkant van zijn voeten was bedekt, de rest liet hij over aan de bijtende sneeuw en de kou. Daarom geloven wij oprecht dat hij buiten geen kou kon voelen, hij die vanbinnen brandde van zo'n groot geloof.
In de tijd van de heilige man was Gods genade, altijd waakzaam bij goede daden, des te vaker rond hem zichtbaar, naarmate hij zich harder tegen de menselijke zwakheid verzette en zich met meer ijver aan God toevertrouwde. Dat is hier te zien.
Op een keer, onder zijn nachtelijk labeur, bad hij voor de deur van het heilige huis van de Heer. Zoals de heilige Mozes tegen Amalek, vocht hij niet met wapens maar met gebeden, hard en lang, tegen de vijand van de mens. Toen kwam er een blinde tussenbeide. Waarom die buiten liep, weet men niet, maar de duivel, de meester van het bedrog, liet hem onderweg vallen, en door de klachten van de blinde vergat de man Gods zijn gebeden. Maar de boze, die de mens kwaad wilde doen, hielp hem zonder het te weten meer dan hij hem schaadde door hem daar te laten vallen.
De blinde lag immers op de grond, diep bedroefd om zijn zware val, en begon: „Ik ellendige! O God, Maker van alles, als het mij zo moest vergaan, waarom ben ik dan geboren? Ik ben mijn leven beu. Ik haat het licht van dit leven, want ik mis de ogen waarmee ik het zou moeten leiden. Daarom vraag ik U, Heer, met uw welnemen: neem mij hier weg.”
Toen hij zo, met veel tranen, zijn hart voor God uitstortte, voelde de vriend van de Heer diep medelijden met de klachten van de man. Hij ging naar hem toe, tilde hem van de grond op en zei: „Waarom, man, kwel je jezelf zo moedeloos met je klachten? En waarom roep je met zoveel aandrang de Heer aan om je te laten sterven? Je hebt geen reden om te klagen, want de ellende waarover je je beklaagt treft niet jou alleen. Bid liever tot God, zeg ik je, en draag geduldig wat je door zijn verborgen oordeel overkomt. Je bent niet de enige wie dit overkomt. Van God kun je meer verkrijgen dan van wie ook; laat je verwijten dus achterwege, want met nederige gebeden stem je Hem gemakkelijker mild dan dat je Hem tergt met beledigingen. Hij wacht immers geduldig en roept terug, zoals bij Salomo staat: ‘De Allerhoogste is een geduldig vergelder.’”
Daarop richtte hij voor de blinde zijn gebed tot de Heer: „Heer Jezus Christus, Verlosser van de mensen, verhoor mij, uw dienaar. U hebt eens zo goedgunstig over wie in U geloven gezegd: ‘Wie in Mij gelooft, zal de werken doen die Ik doe, en nog grotere.’ Daarom bid ik U, mijn Heer: als hier iets gebeurt, schrijf ik het niet toe aan mijn verdiensten, maar – zoals het hoort – draag ik het geheel op aan uw heiligheid.”
Toen hij zijn gebed beëindigd had, voelde hij de kracht van de Heer in zich opwellen. Hij maakte het teken van het kruis, waarvoor alle spookbeelden meer dan voor wat ook terugdeinzen, en meteen keerde het licht terug in de ogen van de blinde, dat hij al zo lang en zo hopeloos moest missen. Nu hij deze gave had gekregen en het leven hem weer lief was, prees hij overal waar hij kwam de heilige van de Heer luid bij iedereen. Zwijgen kon hij niet, ook al had hij gewild, want de zaak zelf toonde wat er gebeurd was.
Welk mens zou dit horen en God niet de lof brengen die Hem voor zijn strijder toekomt? Men mag gerust geloven dat hij de zielen kan genezen van wie hem waardig aanroepen, als hij – wat gemakkelijker is – de ledematen van zieken geneest.
Op een andere keer ging deze uitverkoren leerling van God, op het uur waarop hij gewoonlijk de Heer om bijstand bad, naar de kerk, terwijl een jongen met een lamp voor hem uit liep. Toen ging de vijand van al het goede tegenover hem staan en doofde voor de man Gods het licht. Alleen daarmee kon de vijand hem hinderen; het licht van zijn hart kon hij niet doven. Wat moest hij nu doen? De weg was lang en de nacht donkerder dan anders. Ten slotte vond hij een goede oplossing: hij zocht zijn toevlucht in gebed tot de Heer. „Sta mij bij, Heer,” zei hij, „om dit kwaad af te weren, zodat de vijand in mij, uw dienaar, niets heeft om mee te pronken.”
Het duurde niet lang. Terwijl hij bleef bidden, zag je de lamp – je kon zelfs twijfelen of ze wel echt uit was geweest – daar door de hemel opnieuw ontstoken, met een helderder licht dan voorheen. Zo kon hij de weg weer volgen en bereikte hij de kerk. Daar ging de lamp meteen uit, niet door mensenhand, maar vanzelf.
Wat betekent dit? Mogen we het als onbelangrijk afdoen? Ik denk dat een licht dat precies tot aan een bepaalde plaats bleef branden, niet zonder geheime betekenis is. Wie een goed werk begint, mag niet ophouden voor hij het hemelse Jeruzalem gevonden heeft, dat wil zeggen het ‘visioen van de vrede’, waarvan de kerk het beeld is. Wie dat eenmaal gevonden heeft, lacht voortaan om elke plaag van de dwaasheid.
O harde voedingsbodem van de afgunst! Hoe vijandig is het gezicht van de tegenstander, hoe jaloers die plaag! Ook bij deze heilige van de Heer hield hij zijn kwaadaardige listen dus niet achterwege – dezelfde die eens, uit afgunst op de zalige abt Benedictus, het belletje stukmaakte. Wat is daar vreemd aan? Sinds het begin van de wereld heeft hij geen rust gehad, en hij houdt niet op zolang er nog iemand is die hij kan bespotten. Maar bij deze man, die zich helemaal aan de heiligheid had gewijd, vond hij niets om zich aan vast te klampen. Telkens als hij hem kwam beproeven, verloor hij zijn moeite en droop hij beschaamd af.
Overigens: wij, met ons beperkte verstand en onze armoedige woorden, schieten tekort om zo'n man te prijzen – en dat zou zelfs de zanger Homerus doen, als hij uit de onderwereld opstond. Er is veel dat over hem gezegd zou kunnen worden, als de schrijvers niet uit nalatigheid het meeste hadden laten liggen. Laat onze lof genoeg zijn in Hem wiens lof nooit van Amors lippen week. Amor streefde altijd alleen na waarvan hij wist dat het God behaagde.
Hij was – en dat staat buiten kijf – vast in het geloof, uitmuntend in nederigheid, ingetogen in kuisheid, gul in aalmoezen en altijd bereid tot gebed. Waarom zouden we proberen de gaven van zijn verdiensten in het kort op te sommen? Laat dit ene volstaan: het enige offer dat God op het altaar van de geest liefheeft, het blijvende geschenk van een verbrijzeld hart, bracht hij God elke dag. Behalve wanneer hij, zelfs tegen zijn zin, de natuur even haar deel gaf – een beetje slaap of wat voedsel – trof men hem zelden om een andere reden buiten het bedehuis van Sint-Servaas. Hij wist immers dat wie bidt met God spreekt. En omdat hij God zo nabij mogelijk wilde zijn, geloofde hij dat dit het best gebeurde daar waar niemand zijn moeite verliest, tenzij wie niet vroom is.
Waarom zouden we er nog langer over uitweiden? Hij zocht de Heer – en dat was de hoogste wijsheid – en hij vond Hem als vriend. Hij verliet deze wereld op 8 oktober en werd begraven op de plaats waar later ter ere van hem een kerk werd gebouwd, die er vandaag nog staat. Daarom kwamen velen uit de omliggende streken, aangetrokken door de faam van zijn heiligheid, op die dag naar de feestelijke nachtwake.
Iedereen wist met volle zekerheid dat zijn geest de verlangde haven van het eeuwige heil had bereikt: voor hem was Christus het leven en sterven winst. Hij werd bijgezet zoals al wie sterfelijk is. Met welke deugden en verdiensten hij toen vooral uitblonk, dat volledig te beschrijven gaat niet alleen ons vermogen te boven, maar dat van wie ook. Na zijn dood verrijkte de Heer hem met veel grotere wonderen dan tijdens zijn leven. Dat was ook zeer nodig: wat hij tijdens zijn leven, als het ware te midden van zondaars, minder had gedaan, moest hij nu na zijn dood voltooien.
Ontelbaar velen kwamen er dagelijks, met allerlei noden, naar het graf van de zalige man: wie het gezicht of het gehoor kwijt was, of wie gloeide van koorts en dacht te sterven. Door Gods genade, die voorging, en met de hulp van de heilige keerden zij gezond naar huis terug. En toen de faam van zijn heiligheid zich verspreidde en zijn naam en verdienste overal geroemd werden, stroomde het vrome volk van alle kanten toe en kwam het telkens weer naar die plaats om er plechtig de Eucharistie te vieren.
Na verloop van enige tijd wilde God, de bron van alle vroomheid, niet dat het heilige pand dat aan de aarde was toevertrouwd daar nog langer verborgen bleef. Hij wilde veeleer dat het uit de aarde werd opgeheven en, zoals zijn verdiensten waard waren, met de heilige belijders vereerd werd.
Om dat te bewerkstelligen wekte Hij, zo vertelt men, een voorname vrouw, de echtgenote van een edelman, in een droom. En zoals bij een gunstig visioen past, werd zij tot driemaal toe vermaand: „Je doet er goed aan, en het strekt tot je heil, als jij, kuise vrouw, de man Gods, Amor, met eerbied weghaalt van de plaats waar hij nu ligt, en hem bij jou liefdevol onderdak geeft.”
Haar man heette Odulfus, en men zegt dat hij in die dagen het bestuur over deze streek had. Alleen aan hem durfde de gezegende vrouw haar geheim toe te vertrouwen: zoals zij door Gods beschikking één onschendbaar huwelijk hadden ontvangen, zo moest ook dit plan eerst tussen hen beiden besproken worden. Dat was terecht, want de wet laat een zaak niet toe op minder dan twee getuigen, en het visioen van een rechtvaardige wordt aangenomen op het woord van twee gelovigen. De echtgenoten, die zeer betrouwbaar waren, betrokken ook verscheidene religieuzen bij hun beraad, opdat zo'n gelukkig begin de instemming van veel goede mensen zou hebben.
Daarop legden zij allen, met gelijke toewijding, dag en uur vast. Op de vastgestelde dag werden grote voorbereidingen getroffen, en er verzamelde zich een flinke menigte om van daar het allerheiligste stoffelijk overschot op te halen. Terwijl men daarmee bezig was, kwamen er nog andere betrouwbare getuigen bij. Om het geloof nog te versterken, vertelden zij dat ook zij herhaaldelijk met dezelfde vermaning waren aangespoord: dat men dit heilige lichaam niet langer in de grond verborgen mocht laten.
De aanwezigen, nu nog veel blijer om die getuigen, wezen mannen aan om met schoffels en houwelen de aarde weg te graven, zodat de verborgen schat velen ten goede zou komen – begraven was hij voor de mensen minder tot nut geweest. Maar toen de aarde wijd en zijd was weggeruimd en men al de handen aan de sarcofaag van de rechtvaardige had geslagen om hem op te tillen, werd hij – wonderlijk om te zien – zo zwaar, dat hij zelfs niet van zijn plaats te bewegen was.
Iedereen was meteen verbaasd en wist niet wat de heilige van de Heer wilde. Toen zei de genoemde vrouw, die Gods plan voorvoelde, dat dat heilige lichaam niets met zulke pracht te maken wilde hebben, en dat het misschien met zoveel praal van kleding niet uit de aarde wilde opstijgen. Op haar woord trokken alle gelovigen hun linnen kleren uit, trokken ruwere aan, deden hun schoenen uit en zetten zich opnieuw aan het werk. Ook zij, de leidster in de vroomheid, legde haar kleren af, nam het goud van haar hals, en schonk zichzelf, met haar sieraden en een landgoed uit haar bruidsschat, voorgoed in dienst van de heilige.
Daarna – je zou zeggen, verzoend door deze gaven – rees de heilige van de Heer, toen men opnieuw de handen aan de kist sloeg, wonderlijk licht omhoog. Duidelijk blijkt hier dat woord van de apostel Petrus, waar hij zegt dat de Heer de hoogmoedigen weerstaat, maar aan de nederigen zijn genade schenkt.
Het hele volk en de geestelijkheid zongen God op wonderbare wijze lof, en daaruit vloeide ook grote lof voor zijn heilige. Daarna brachten zij hem, met instemming van allen en onder leiding van de Heer, naar de plaats waar zijn heilige weldaden tot op vandaag overvloedig stromen.
Laat dus deze enkele dingen volstaan van de vele, de ontelbare tekenen van zijn kracht die hij nadien verrichtte. Wij vonden het verstandiger geloof te hechten aan wie ze vertelden, dan te pretenderen dat wij alles op schrift konden zetten. Het is immers beter met weinig van nut te zijn dan met veel tegenzin te wekken.
Voor het overige: wie dit, dat zichzelf als waar bewijst, zonder geloof leest, zal zelf zondigen. En de lasteraar moet maar oppassen: hij zal van de heilige van de Heer, als straf van de gerechtigheid, meer kwaad ondervinden dan hij goeds vindt door ons te kwetsen. De gelovige daarentegen zal – als onze hoop ons niet bedriegt – van God de beloning krijgen die voor hem klaarligt: niet wie dit leest, maar wie het gelooft, daar waar de beloning is van al het goede.
Wij bidden dat God en zijn heilige naar ons omzien – mij die dit schrijf, jou die het leest, en ieder die het gelooft. Dat schenke Jezus Christus, onze Heer, die met de Vader en de heilige Geest leeft en alles bestuurt, in de eeuwen der eeuwen. Amen.
VERZEN
Moge de heilige Amor ons beschermen in deze laatste tijden; moge hij de vrome geestelijkheid en heel het volk krachtig behoeden, om de heilige liefde van Christus; en moge de goede Heer, om zijn dienaar, ons altijd leiden.
[Sanctus in occiduis Amor nos obtegat evis, / Clerum devotum et reliquum populum / Conservet strenue pro sancto Christi amore, / Pro servo Dominus nos regat usque bonus. – Het gedicht speelt met de naam Amor (liefde) en "Christi amore".]
Hier eindigt de Vita (f. 81v).