H. Dodo, abt van Wallers-en-Fagne

Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.

Rechtstreeks vertaald uit de oudste Vita — Vita S. Dodonis door een anonieme monnik van Lobbes, geschreven na het episcopaat van Fulbertus van Kamerijk (935-956), volgens recenter onderzoek kort na 980; naar twee handschriften van Lobbes en een van Liessies (Acta Sanctorum, oktober XII, pp. 634-637)

LEVEN VAN DE HEILIGE DODO, ABT VAN WALLERS-EN-FAGNE

Dodo werd geboren in de Lommegouw, in het dorp Vallis (Vaux), in de tijd van Pepijn van Herstal. De heilige Ursmarus, abt-bisschop van Lobbes, doopte hem en voedde hem op.

Dodo schonk zijn erfgoed aan het klooster van Wallers (Waslerus, nu Moustier-en-Fagne), dat Ursmarus hem toevertrouwde. Daarna trok hij zich terug in een cel in de buurt, waar hij stierf en begraven werd. Later werd zijn lichaam naar de kloosterkerk overgebracht en bij het altaar van Sint-Pieter verheven.

Zijn Vita werd geschreven door een anonieme monnik van Lobbes, na het episcopaat van bisschop Fulbertus van Kamerijk (935–956); volgens recenter onderzoek kort na 980. De vertaling volgt de tekst van de Acta Sanctorum, naar twee handschriften van Lobbes en een van Liessies.

[[INKLAP]] Voorwoord van de schrijver

1. Hier begint het voorwoord bij het leven van de voortreffelijke belijder van Christus, de heilige Dodo, leerling van onze zalige vader Ursmarus, bisschop en belijder.

De goedheid van onze Verlosser staat altijd klaar om hen te redden die Hij heeft voorbestemd voor het loon van het komende leven. Zoals Hij zelf in het evangelie leert, roept Hij sommigen 's morgens, anderen op het derde uur, het zesde en het negende, en sommigen zelfs op het elfde uur om in zijn wijngaard te werken. Want aan sommigen geeft Hij in hun kinderjaren de taak van het geestelijk zaaien, aan anderen in hun jeugd, en aan sommigen pas op hoge leeftijd.

Voor zijn hand is het niet moeilijk ingesleten zondige gewoonten te verbeteren. Hij heeft zelfs wie al tussen de tanden van Leviathan zat, met de ring van zijn barmhartigheid teruggehaald naar het leven. En wie Hij zo aan diens tanden ontrukte, heeft Hij als vorsten opgenomen in het hemelse hof, opdat zij op zijn goedheid zouden vertrouwen.

Uit hen komen de profeten; uit hen bestaat vooral het gezaghebbende getal van de apostelen; uit hen bestaat de roemrijke, wonderbaar getooide schare van belijders en monniken. Tot hun gezelschap behoort ook hij over wiens leven ik, arm van geest, met grote vrees iets durf te vertellen.

Maar God is machtig genoeg om mijn mond te openen en de grote daden van zijn dienaar bekend te maken, Hij die de mond van een ezelin opende om een profeet terecht te wijzen. Ik begin daarom iets te vertellen van wat ik van betrouwbare getuigen heb gehoord. Hier eindigt het voorwoord.

[[/INKLAP]]

Hier begint het leven van de zalige Dodo, belijder van Christus.

Hoofdstuk I. Dodo's jeugd en leertijd bij de heilige Ursmarus; het klooster van Wallers; zijn kluis; wonderen; zijn graf in de cel.

2. De Schepper van de hemel en de Heer van de engelen, die heel het drievoudige bouwwerk van de schepping bestuurt, had medelijden met de dwalingen van de mensen. Wij waren uit het paradijs gevallen omdat wij Gods geboden hadden overtreden; Hij wilde ons daarheen terugroepen door gehoorzaamheid aan zijn geboden. Daarom zond Hij de voornaamste boodschappers naar alle streken van de wereld.

Hun stem drong door tot aan de uiterste grenzen van de aarde en zette de harten van wie voor het eeuwige leven waren voorbestemd, vanbinnen in vuur. Zo werden sommigen van hen belijders van Christus, en de Moeder Kerk is blij hen nu als leiders en bestuurders te hebben.

Geen mensentong kan de daden van de soldaten van zo'n grote Koning waardig vertellen. Toch hebben hun nakomelingen met wijze zorg geprobeerd enkele van de vele deugden die zij in deze wereld beoefenden, vast te leggen, opdat ze niet helemaal vergeten zouden worden. Zij wisten heel goed dat woorden en daden van mensen beter bewaard blijven als ze op schrift staan dan wanneer ze alleen aan het geheugen worden toevertrouwd.

Achter de vorsten van de wereld, de apostelen, volgden de roemrijke martelaren en de grote belijders. Zij versmaadden volledig de begeerlijke praal van de wereld en wijdden zich met hart en daad aan Gods geboden. Over hun levenswandel zal ik, tot nut van de toehoorders, iets vertellen, al is het weinig, opdat mijn ongepolijste woorden de toehoorders niet vervelen.

3. Deze zalige man, die de lof van de goeden verdient, werd geboren in de Lommegouw, in het dorp dat Vallis heet, in de tijd dat vorst Pepijn, bijgenaamd de Dikke, het bewind voerde.

Zijn ouders waren zeer blij met zijn geboorte. Zij gingen met hun pasgeboren kind naar de heilige abt en bisschop Ursmarus. Zij smeekten hem het kind te reinigen in het water van het heilig doopsel, het met zijn eigen heilige handen uit het heilzame bad te heffen, en het als zijn eigen zoon op te voeden in de dienst van de Heer.

De zeer heilige man was altijd heel goedhartig. Hij stemde vroom en mild in met hun verzoek en deed graag wat de ouders van de jongen zo dringend vroegen.

In die dagen woonde Ursmarus, de lofwaardige en in alles aan God toegewijde man, die met de bisschopswijding was getooid, in het klooster van Lobbes. Daar vermaande hij dag en nacht een grote schare monniken en heel wat volk met voortdurende prediking en heilzame raad, om met hem naar het hemelse vaderland te haasten. Met de apostel wilde hij kunnen zeggen: "Zie, ik en de kinderen die God mij gegeven heeft."

De zalige Ursmarus was die naam echt waardig: bescheiden in zijn gedrag, innemend in zijn spreken, getooid met alle deugdzaamheid en oprecht in de omgang met alle mensen. Wat hij wist dat God behaagde, overwoog hij in zijn hart, leerde hij met zijn mond en bracht hij in praktijk. Hij deed nooit iemand kwaad en wilde iedereen helpen. Hij zorgde voor wat goed is, niet alleen voor God, maar ook voor alle mensen, en zette al zijn krachten in om in alles een voorbeeld van goede daden te zijn. Wie wil weten hoe groot hij was, kan dat gemakkelijk lezen in het boekje dat over zijn daden geschreven is.

4. Ursmarus, rijk aan vele deugden, liet zijn petekind, de genoemde Dodo, een jongen met een goede aard, in de letteren onderrichten. Hoe nauwer hij zijn jonge leven aan de Heilige Geest toewijdde, hoe sneller hij de stromen van de Heilige Schrift indronk. Want hij wist dat er geschreven staat: wie de Heilige Geest als leraar heeft, leert zonder uitstel.

Toen zijn kinderjaren voorbij waren en hij opgroeide, gaf hij zich helemaal aan de dienst van God. De ijverige jongen streefde er met al zijn krachten naar een volmaakt man te worden. Hij versmaadde al het aardse en verlangde vurig naar het hemelse. De rijkdom die hij in de wereld had kunnen bezitten, borg hij met mond en hand op in de hemel.

Hij was gul in het geven van aalmoezen, kuis van lichaam, vroom van geest, mooi van gelaat, gematigd in het spreken, rustig in zijn verstandigheid, stralend door zijn heilige omgang, waarachtig in zijn woorden, standvastig in de rechtvaardigheid, geduldig in de hoop, uitmuntend in nederigheid, vol liefde en geliefd om zijn zachtmoedige goedheid.

Het was terecht dat iedereen hem liefhad, want hij was getooid met zulke sieraden van rechtvaardigheid. De hemelse wijsheid had hem vanbinnen zo versierd dat hij het verdiende te worden opgenomen in het hof van de hemelse burgers.

5. Elke dag groeide hij in goede zeden. Hij wilde liever het leven van de vrome monniken navolgen dan zich laten bedriegen door de vleierij en de lege gunsten van wereldse mensen. Hij dacht aan het woord van de profeet: "Mijn volk, wie je gelukkig prijzen, bedriegen je."

Zo schonk de gelukkige Dodo, gesteund door de bescherming van de hemelse Koning en aangemoedigd door de heilzame raad van de zalige Ursmarus, zijn hele erfgoed aan de zalige Petrus, de vorst van de apostelen. Hij schonk het aan het klooster dat Waslerus heet, naar de rivier die erlangs stroomt, en dat de goede Ursmarus aan zijn zoon Dodo had toevertrouwd.

De heilige Dodo werd in elk werk door God gerechtvaardigd. Om de vele mensen te ontwijken die naar hem toe kwamen, en omdat hij een eenzaam leven verkoos boven een leven in het openbaar, liet hij zich niet ver van zijn klooster een kleine cel bouwen. Daar wijdde hij zich dag en nacht aan vasten en gebed en diende hij onvermoeibaar de Heer, die hij met hart en ziel wilde behagen.

6. Uit liefde voor God bleef hij daar vele dagen verborgen voor de blikken van de mensen en tuchtigde hij zijn tengere lichaam met allerlei vormen van vasten. Christus heeft aan zijn gelovigen beloofd: "Zie, Ik ben met jullie alle dagen tot aan de voleinding van de wereld." Hij sloeg met de kracht van zijn rechterhand het woeste geweld van de ondeugden neer dat tegen zijn jonge soldaat opstond, en verdreef alle listen van de oude vijand van zijn strijder.

Toen de bekoring van het vlees helemaal van hem was weggenomen, volgden meteen vele krachtige wonderen. Blinden en kreupelen werden vaak, gesteund door vrienden en familie, naar de cel van de heilige man gebracht. Door Christus' gunst en op voorspraak van de zalige man kregen zij de gezondheid terug waarnaar zij verlangden, en zij keerden zonder iemands steun naar huis terug.

Sommigen waren voor hun eigen misdaden met ijzeren banden geketend. Wanneer zij zich vol vroomheid op de drempel van zijn cel neerwierpen, werden zij door de verdiensten van de zalige man van hun ijzeren ketens bevrijd, en zij keerden vol vreugde naar huis terug.

7. Toen de eerbiedwaardige dienaar van Christus rijp was aan deugden en jaren, legde hij de last van het lichaam af en voltooide hij de loop van dit leven. Op de dag van de kalenden van oktober (1 oktober) gaf hij zijn ziel over aan de stralende sterren van de hemel. Nu is zij verenigd met de engelen, geniet zij in het hof van het paradijs de glorie van het eeuwige leven en draagt zij het kleed van de eeuwige vreugde.

Zijn heilig lichaam lag lange tijd in de cel die hij zelf had gebouwd en door zijn levenswandel had gezegend. Daar deed de goedheid van de Almachtige vele wonderen, zo veel dat de pen van de schrijver ze niet allemaal kon vastleggen.

Maar omdat door de onachtzaamheid van schrijvers de daden van de heiligen, die de Heer om hun verdiensten heeft willen verrichten, vaak uit het geheugen verdwijnen, vond ik het passend in dit geschrift enkele wonderen op te nemen, heel weinig van de vele, die met de hulp van de Heer ter gedachtenis van de zalige Dodo gebeurd zijn. Want, zoals de engel tegen Tobias zegt, "het is goed het geheim van een koning te bewaren, maar het is zeer eervol de werken van God te openbaren en te belijden."

Hoofdstuk II. Wonderen; verheffing van het lichaam; rondgang door de Porciengouw en Brabant; de straf van een dief; slotwoord.

8. God, wonderbaar in zijn heiligen, heeft zijn belijder Dodo wonderbaar verheerlijkt met wonderbare werken. Wij kunnen ze niet allemaal opschrijven, maar wij mogen ze ook niet helemaal verzwijgen. Want het past niet dat de werken van Christus' dienaren onder de korenmaat verborgen blijven, zoals het evangelie zegt: "Laat zij jullie goede werken zien en jullie Vader verheerlijken die in de hemel is."

Het behaagde de Heer, die alles regelt, de mensen te laten weten hoe groot de verdienste in de hemel was van hem die op aarde door de mensen werd vereerd. Zo verspreidde zich het verhaal over hem, en het kwam ter ore van de voortreffelijke bisschop Dodilo, die toen de bisschopszetel van Kamerijk waardig bestuurde. Men vertelde hem dat in een deel van zijn bisdom een parel verborgen lag, geschikt als sieraad voor de hemelse Koning: het lichaam van Dodo, belijder van Christus. Door vele wonderen was diens naam al bekend bij heel wat mensen uit de omgeving.

De bisschop was daar zeer blij om en dankte de Almachtige uitvoerig. Hij noemde zich gelukkig, omdat de Heer in de dagen van zijn episcopaat zo'n schat aan het licht had gebracht.

9. Hij overlegde met zijn aartsdiakens en de andere geestelijken van zijn zetel. Daarna stuurde hij meteen oudere en wijze priesters naar de cel waar, zoals hij had gehoord, het lichaam van de heilige Dodo rustte. Zij moesten de heilige uit de aarde van die cel opnemen en met passende eer overbrengen naar het klooster van de heilige Petrus, de vorst van de apostelen, dat niet ver daarvandaan lag.

Zij gehoorzaamden zonder uitstel aan de raad van hun vrome vader, gingen erheen en voerden waardig en volledig uit wat hun was opgedragen. Zij wasten de ledematen van het heilig lichaam met water, wikkelden ze in mooie witte doeken en legden ze met eer neer in het genoemde klooster, terwijl zij met zoete stemmen lofzangen voor de Heer zongen.

Het wonder dat de Heer op die plaats deed ter ere van zijn belijder, verdient het aan goede mensen verteld te worden. Er was een vrouw die alle kracht in haar armen kwijt was: met haar rechter- noch haar linkerhand kon zij een stuk brood naar haar mond brengen. Vol vertrouwen in de kracht van de heilige goot zij het water waarmee de heilige ledematen waren gewassen, over haar armen, die door jicht verkrampt waren. Meteen kreeg zij de lang verlangde gezondheid terug, en blij ging zij naar huis.

10. Toen dit met de hulp van de Heer gebeurd was, lagen de relieken van de heilige man vele jaren in het genoemde bidhuis van de zalige Petrus, links, in een grafmonument dat daar nog altijd staat.

Toen kreeg een gelovig man, Leutbertus genaamd, de beheerder van die plaats, in een visioen de opdracht onverwijld te zorgen dat de heilige ledematen uit dat graf werden weggenomen en op een hogere en waardiger plaats werden gelegd.

Eén, twee, drie keer werd hij door zo'n visioen aangespoord, maar hij liet na het te melden aan de priesters van Christus, wier ambt het was zo'n werk uit te voeren. Toen kreeg hij een scherpere waarschuwing: een zeer hevige koorts, zodat hij dacht dat hij helemaal uit het leven zou worden weggerukt en voor zijn nalatigheid naar de plaats van straf zou worden gebracht.

Gedwongen door die hevige pijn ging hij haastig naar deken Tresuguinus en vertelde hem wat hem nu al in een derde visioen over de heilige man was geopenbaard. Die meldde het onmiddellijk aan bisschop Fulbertus, die in die dagen met de mijter van de Kerk van Kamerijk was bekleed en een uitstekende naam had.

11. Toen de bisschop dit hoorde, zei hij met een zeer blij gezicht tegen Tresuguinus: "Ga zo snel mogelijk naar dat klooster. Neem de priesters van je dekenij mee en voer trouw en zorgvuldig de taak uit die je is opgedragen."

Tresuguinus ging haastig en deed zorgvuldig wat hem was opgedragen. Zij namen het lichaam van de heilige man uit de sarcofaag, die, zoals gezegd, aan de linkerkant van de kerk stond, en verhieven het naast het altaar van Petrus, de vorst van de apostelen, terwijl zij luid en zoet lofzangen lieten weerklinken.

Daar rust hij nu. Hij verhoort de gebeden van wie er komen, en de gebeden van wie met geloof vragen, draagt hij naar de hemel, voor de troon van de eeuwige Koning, de Rechter die het goede en het kwade van de levenden kent.

12. Intussen achten wij het passend in dit werkje het wonder op te nemen dat de goedheid van de Almachtige om de verdiensten van zijn soldaat Dodo liet gebeuren.

De genoemde Leutbertus probeerde met al zijn krachten het vervallen klooster te herstellen, maar er was geen geld om het af te werken. Daarom nam hij enkele geestelijken van het klooster en enkele leken mee. Zij legden de relieken van de heilige man op een draagbed en trokken langs de dorpen rond het klooster, opdat de bewoners iets zouden bijdragen voor het herstel van het klooster van Sint-Pieter.

Zo kwamen zij in de Porciengouw. Daar rustten zij even uit in het dorp Otcia, vanwege de zware weg die zij hadden afgelegd met het heilig lichaam van de belijder.

Toen zij opstonden en hun tocht wilden voortzetten, begon een verlamde vrouw hen luid na te roepen: "Ik smeek jullie, mannen die de kostbare relieken van de heilige dragen: wacht uit liefde even op mij, arme vrouw, die genezing zoek!"

Zij hadden medelijden met de roepende vrouw en bleven meteen staan, omdat zij wilden weten waarom zij hen zo klaaglijk naliep. Zij werd door haar familie meer gedragen dan geleid. Zij kuste de doek van de baar waarop het lichaam van de zalige man lag, en kreeg meteen de lang verlangde gezondheid terug. Blij nam zij met de anderen de baar op haar eigen schouders en ging mee, terwijl zij de Heer met lofzangen prees.

13. Wij geloven dat dit gebeurde door de verdiensten van Dodo, belijder van Christus: de vrouw die huilend door anderen naar de relieken van de heilige was gedragen, keerde blij op eigen benen naar huis terug.

Aan dit kleine wonder willen wij nog een ander toevoegen. Want de goedheid van de Schepper komt even barmhartig in kleine als in grote dingen, en Hij leent in kleine dingen even graag zijn oor als Hij in de grootste de wensen van wie bidden verhoort.

In diezelfde tijd moesten de geestelijken van het genoemde klooster hun lichte last, het lichaam van Dodo, belijder van Christus, door Brabant dragen. Zij gingen naar het dorp Tongre om hun vermoeide ledematen wat rust te gunnen. Meteen kwamen er mannen en vrouwen die hun brachten wat zij nodig hadden om te eten.

Onder hen kwam ook een man, Winigisus genaamd, de rentmeester van dat dorp. Hij had een vriendelijk gezicht en vriendelijke woorden, maar, zoals later bleek, een kwaadaardig hart.

Toen hij zag dat iedereen hier en daar de tent uit ging en dat er niemand was, werd hij door het gif van de hebzucht aangetast. Heimelijk nam hij een van de schrijnen, aan de buitenkant met goud en zilver versierd en vanbinnen gevuld met heilige relieken, en hij wilde met die last naar huis gaan.

Maar toen hij een kleine beweging maakte om te gaan waar hij wilde, bleef hij plots, door goddelijke kracht gedwongen, op de grond staan, alsof zijn voetzolen met wortels in de aarde vastzaten. Toen hij merkte dat hij door Gods wil gebonden was en zich niet kon bewegen, kwam hij, niet uit vrije wil maar gedwongen, en smeekte hij in tranen om vergeving voor de misdaad die hij had begaan.

De bewakers van de heilige relieken die daar waren, zagen dat de man diep beschaamd was en berouw had over zijn schuld. Zij namen de schrijn terug die hij had willen meenemen, en lieten hem vrij naar huis gaan.

Vele wonderen heeft de goddelijke macht nog verricht om de glorie van haar verdienstelijke soldaat te tonen. Maar voor ijverige toehoorders zij genoeg wat wij kort hebben verteld, weinig van de vele.

Wij geloven van harte dat de goddelijke kracht hem verheven heeft tot de eeuwige vreugde in de hemel. Mogen zijn verdiensten allen die zijn feest vieren, deelgenoten maken van zijn loon, door de goedheid van Hem aan wie de macht en de glorie toekomen zonder einde. Amen.