H. Donatianus, bisschop van Reims, patroon van Brugge

Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.

Rechtstreeks vertaald uit het oudste handschrift — Pauca de vita et actibus S. Donatiani (BHL 2280): preek, in het handschrift toegeschreven aan een bisschop van Verona, monnik van Lobbes (volgens een latere aantekening Ratherius van Verona, † 974). Oudste bewaarde handschrift: Saint-Omer, Bibliothèque d'agglomération, ms. 716, vol. 7, f. 114r-115v (abdij van Clairmarais, ca. 1175-1195)

DE HEILIGE DONATIANUS, BISSCHOP VAN REIMS, PATROON VAN BRUGGE

Donatianus was volgens de overlevering de zevende bisschop van Reims. Hij stierf rond 390 en wordt op 14 oktober gevierd. In 863 liet graaf Boudewijn I van Vlaanderen zijn relieken van Reims naar Brugge overbrengen. De Sint-Donaaskerk op de Burg werd de hoofdkerk van de stad en later haar kathedraal, en Donatianus werd de patroon van Brugge. De kerk werd in 1799 afgebroken.

Een eigenlijke levensbeschrijving van Donatianus is niet bewaard. Het oudste wat over hem geschreven staat, is de preek hieronder, de "Pauca" ("enkele bijzonderheden"). Het handschrift schrijft ze toe aan een bisschop van Verona die monnik van Lobbes was, volgens een latere aantekening Ratherius van Verona. De preek prijst Donatianus vooral om zijn plaats als zevende in de rij van bisschoppen en om de zeven gaven van de Heilige Geest. Vertaald naar het oudste handschrift: Saint-Omer, ms. 716, vol. 7 (abdij van Clairmarais, ca. 1175–1195).

In hetzelfde handschrift volgen nog drie boeken wonderen die vanaf 1011 bij zijn relieken in Brugge gebeurden – onder meer de genezing van een blinde vrouw uit Friesland, de verzoening van twistende Bruggelingen en de genezing van de verlamde kanunnik Themardus van Watten op Kerstmis 1088 –, met een opdrachtbrief, twee preken voor zijn feest en twee korte mirakels. Die zijn hier niet opgenomen.

PREEK OVER HET LEVEN VAN DE HEILIGE DONATIANUS

Met de bijstand van de Geest van de heilige Vader en de Zoon beginnen enkele bijzonderheden over het leven en de daden van de allerheiligste bisschop Donatianus, uitgegeven door een bisschop van Verona, monnik van Lobbes.

Glorierijke stad Reims, wij gedenken vandaag plechtig dat God u de zeer eerwaarde Donatianus als zevende bisschop heeft gegeven. Daarom bidden wij dat de zevenvoudige Geest ons nabij is. En om zijn lof te vergroten, willen wij op hem datzelfde zeer heilige getal toepassen dat de Schriften zo vaak en op zoveel manieren prijzen.

Kleine talenten kunnen geen zware stof dragen, en wie boven zijn krachten gaat, bezwijkt juist bij die poging. Toch vertrouwen wij erop dat Hij ons niet in de steek zal laten die eens het gebalk van een ezelin tot menselijke spraak dwong, die de mond van stommen opent en de tong van kinderen welsprekend maakt.

Daarom proberen wij hier, tot lof en eer van zijn naam en tot opbouw van onze naasten, een preek te maken, hoe onbeholpen ook. Wij steunen daarbij niet op onze eigen krachten, maar op zijn kracht. Die wordt immers des te glorierijker verkondigd naarmate Hij in zwakkere dingen grotere werken doet.

Zijn mildheid blijkt des te onmetelijker en zijn macht des te doeltreffender wanneer zwakheid tot kracht uitgroeit, en wanneer onbeholpen spreken zelfs de verfijning van de welbespraaktsten overtreft.

De profeet noemt wie zijn hoop stelt op een mens – dat wil zeggen: op zichzelf – vervloekt, maar wie op de Heer vertrouwt, noemt hij gezegend. Zo iemand vertrouwt altijd op de Heer alleen. Wie woont onder de hulp van de Allerhoogste – dat wil zeggen: er onwrikbaar in blijft – verblijft onder de bescherming van de God van de hemel.

Daarom zal hij bevrijd worden uit de strik van de jagers – waaronder wij ook het gesnater van lasteraars en vleiers kunnen verstaan – en ongedeerd blijven voor het harde woord dat zij die links staan bij het laatste oordeel zullen horen. Wie in deze wereld door geen vleierij werd opgeblazen en door geen kwaadsprekerij neergeslagen, zal later door geen toorn worden verschrikt.

Hij staat als een zeer mooie boom geplant aan het water van de verkwikking. Zijn wortels reiken tot het vocht, omdat hij bevloeid wordt door de stroom die de Heer in het Evangelie belooft – ja, door de stromen die, door de verscheidenheid van de genadegaven, uit het binnenste vloeien, dat is uit de diepte van de ziel. Daardoor blijft hij altijd groen en lieflijk, niet door eigen maar door goddelijke kracht.

Hij zal ook niet vrezen wanneer de hitte komt – dat is de laatste verbranding van alles wat in deze wereld begeerlijk is –, wanneer Hij met het leger van de engelen op de wolken komt en ieder zal vergelden naar zijn werken. Voor zijn aangezicht zal vuur branden, en rondom Hem een hevige storm.

Die hitte zal hij helemaal niet vrezen. Want al moeten wij allen door het vuur gaan, wie hier het vuur van de liefde in zich draagt, zal daar het vuur van het oordeel niet vrezen. Waarom zou wat niet brandt het vuur vrezen? Waarom zou goud bang zijn voor de smeltoven? Het kan gelouterd worden, maar niet verteerd.

Laten wij dus, zeer geliefde broeders, branden van liefde, dan zullen wij de gloed van het oordeel niet vrezen. Maar laten wij nu terugkeren naar ons onderwerp en, zoals beloofd, de allerzaligste Donatianus aanbevelen.

Geliefden, het mag tot het geluk van het volk gerekend worden dat het zo iemand verdiend heeft. Toch was het een teken van Gods gave dat zo'n groot en voortreffelijk man de zesde bisschop opvolgde. Want het getal zeven is voor de Schepper van alles het getal van de rust. Daarom mocht in zo'n glorierijke stad, naar ons oordeel, als zevende niemand de zesde bisschop opvolgen dan iemand die in denken, spreken en doen zo was dat God het waardig zou vinden in hem te rusten als in een bruidsvertrek.

Zoals in zijn geschiedenis staat, was hij immers zeer zuiver van hart, zeer sereen van gelaat, zeer welsprekend in woord, volmaakt in daad, een zeer milde uitdeler van aalmoezen, een zeer billijk beheerder van wat uit te delen was, zeer zachtmoedig voor wie onder hem stonden en zeer streng voor de onbeschaamden.

Hij was het voorwaar over wie de Heer gesproken heeft: "Op wie zal Ik neerzien, dan op de nederige en stille, die beeft voor mijn woorden?" Waarlijk nederig, want geen wereldse eerzucht raakte hem. Waarlijk stil, als het ware vrij en los van alle rumoer van aardse begeerten.

Hij beefde zo voortdurend bij de woorden van de Heer, dat hij met de zalige Job tot de Heer kon zeggen: "Altijd heb ik U gevreesd als golven die over mij heen zwellen", omdat hij wist dat U de zondaar niet zou sparen. "U zou niet sparen", zegt hij: het staat immers vast dat de Heer de zondaar niet spaart, als die zichzelf heeft gespaard bij het bestraffen van zijn schuld.

Laten wij dus met tranen het kwaad bestraffen dat wij gedaan hebben, als wij niet streng door Hem gestraft willen worden.

Laten wij nu, zoals beloofd, terugkeren naar de lof van het duizendmaal te prijzen getal, en tonen dat de bisschop van Christus door Gods gave ook met dit voorrecht overladen werd: dat Hij hem als zevende in de opvolging met de bisschoppelijke mijter bekleedde.

De zevende dag geldt, zoals gezegd, als de rust van de Heer, toen alles naar behoren voltooid was. God gaf de mens niet één, maar een zevenvoudig gelaat [de zeven openingen van het hoofd], en heel de mens is uit zevenvoudige stof samengesteld.

In de zevende week van de geslachten boette de broedermoordenaar [Kaïn] de straf voor zijn misdaad; in het zevenenzeventigste [geslacht] wordt de schuld van de hele wereld afgewassen.

De zevende mens [Henoch] wordt naar betere oorden overgebracht. De zevenvoudige duif bracht de gaven van barmhartigheid, ontferming en verzoening terug naar de ark. In de zevende maand rust de ark op de bergen van Armenië, en op de zevenentwintigste dag verscheen het droge land.

Zeven lammeren ontvangt Abimelech apart van onze aartsvader [Abraham]; zeven jaar diende onze Jakob voor Rachel.

Zeven jaar bevrijdt de redder van de wereld [Jozef; Gen. 41,45 Vulgaat] Egypte van de hongersnood. Op de zevende dag gebiedt de wet ons te rusten van slaafse arbeid.

Zeven kandelaars worden voor het bronzen altaar geplaatst. De kinderen van Abraham krijgen het gebod in de zevende maand te vasten en met een stier en een ram zeven eenjarige lammeren aan God te offeren.

Zeventig oudsten geeft de Heer aan Mozes tot hulp. Van de heilige Job wordt beschreven dat hij zeven zonen en drie dochters had.

Op de zevende dag van het beleg vallen de muren van Jericho bij het zevenvoudig bazuingeschal. En de "zevende put" [Batseba, naar de uitleg van haar naam] bracht ons de allerwijste Salomo voort.

Na zich zevenmaal in de Jordaan te wassen, wordt Naäman van zijn melaatsheid gereinigd. Zeven tijden lang wordt de aanmatiging van de hoogmoedige koning [Nebukadnezar] getuchtigd.

Zeven leeuwen laten Daniël ongedeerd. Na zeventig volle jaren maakt de gezalfde [Cyrus; Jes. 45,1] een einde aan de ballingschap van het boetvaardige volk.

Dat de bloem uit de koninklijke twijg met de zevenvoudige Geest vervuld zou worden, verkondigt Jesaja in zijn profetie; bij zijn doop ziet men de zevenvoudige vogel op Hem neerdalen.

Met zevenvoudig voedsel verzadigt Hij een volk van vijfduizend [zo de auteur; volgens de evangeliën werden met zeven broden vierduizend mensen gevoed]. En er wordt bepaald dat men zijn broeder zeventig maal zeven maal moet vergeven.

Aan het einde van de zevende week na het heilige Pasen daalt de Heilige Geest uit de hemel op de apostelen neer. Van hen hebben wij ook zeven brieven gekregen, en hij die meer gearbeid heeft dan zij allen [Paulus], verdubbelde dat aantal door er veertien te schrijven.

Waarom zou ik het nog langer rekken? Als zevende wordt de diaken Stefanus in Jeruzalem aan het hoofd van zes diakens geplaatst; als zevende volgt bisschop Donatianus in Reims zes bisschoppen op.

Denken wij dat dit toeval was? Helemaal niet, geliefden, helemaal niet. Wij geloven dat het gebeurde door de genade van de Heilige Geest, die in beiden overvloedig aanwezig was: wat zij als gave zouden ontvangen, werd al voorspeld door hun plaats in de rij.

Wilt u nog beter weten waarom wij dit getal ook aan de Heilige Geest toeschrijven, en waarom deze opvolging de allerzaligste Donatianus terecht als een voorrecht te beurt viel? Luister, bid ik u, niet naar mij, de geringe, maar naar de profeet Jesaja:

"Er zal een twijg voortkomen uit de wortel van Isaï, en een bloem zal uit zijn wortel opstijgen; en op hem zal rusten de Geest van de Heer: de geest van wijsheid en verstand, de geest van raad en sterkte, de geest van kennis en vroomheid; en de geest van de vreze des Heren zal hem vervullen."

Hier hebt u de zeven gaven van de Heilige Geest. Zij waren in de heilige man wonderbaar werkzaam en vloeiden als afzonderlijke beekjes samen in één bedding.

Salomo getuigt dat de vreze des Heren het begin van de wijsheid is. Daarom bleek in zijn dagen niemand zo wijs als hij, omdat ook niemand zo vervuld was van de vrees voor God.

En omdat het wijken van het kwaad verstand is, bloeide zijn verstand des te rijker naarmate hij zich verder van het kwaad hield. Wie vond een heilzamer raad dan hij, die er voortdurend naar streefde God met heel zijn hart te volgen? Niemand kreeg ruimer sterkte dan hij, die in voorspoed en tegenspoed altijd even standvastig bleef: voorspoed nam hij bedachtzaam aan, tegenspoed geduldig.

Hij was zo vervuld van kennis, dat hij in bijzondere zin kon zeggen: "De zalving van God onderricht ons over alles." Zijn vroomheid kunnen wij niet mooier beschrijven dan door te tonen dat hij het woord van de zalige Jakobus in alles ter harte nam en met daden uitvoerde: "Zuivere en onbevlekte godsdienst bij God de Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun nood."

Door zijn barmhartigheid was hij alles geworden voor allen. Hun tegenspoed beschouwde hij als de zijne, in hun voorspoed verheugde hij zich als in zijn eigen voorspoed. Wat hij maar bezat, deelde hij zo blij uit, dat hij erop vertrouwde dat hem niets zou ontbreken, als hij maar Hem bezat die alles gemaakt heeft.

Dit alles deed hij onafgebroken in de kuise vrees van de Heer, die blijft in alle eeuwigheid; want van de vrees die door de volmaakte liefde wordt uitgedreven, was hij al lang helemaal vrij.

Zou dan bij iemand die door zoveel gaven van de zevenvoudige Geest gedragen werd, dit voorrecht van de opvolging toeval zijn geweest? Laat hij dat maar zeggen, wie zich ook kan laten wijsmaken dat wat hierboven werd opgesomd bij toeval en zonder Gods voorzienigheid is gebeurd.

Maar wij weten zonder aarzelen dat God alles naar maat, getal en gewicht heeft vastgelegd, en dat niets wat Hij doet zonder diepere betekenis is. Daarom kan niemand ons ervan overtuigen dat het een of het ander zonder een groot voorteken van wat komen zou, gebeurd is. De hemelse ordening heeft voor alles vóór de eeuwen zijn grenzen gesteld, die men niet kan vooruitlopen en evenmin overschrijden. Niets op aarde gebeurt zonder oorzaak, laat staan dat de verkiezing van een heilige bisschop, zo glorierijk en God waardig, bij toeval zou gebeuren.

Nu wij dus, geliefden, gehoord hebben hoe het leven van de zalige bisschop was, laten wij ervoor zorgen ook ons leven naar het zijne te vormen, en wat hij deed, zoveel wij kunnen, als voorbeeld van vroom handelen te nemen.

Laten wij de onoverwinnelijke kracht van zijn geloof navolgen, en de ene God zo vereren in de Drie-eenheid dat wij zonder twijfel geloven dat de Drie-eenheid in de eenheid onverbrekelijk bestaat.

Maar omdat dat geloof, hoe standvastig ook, op zichzelf dood is als het geen werken heeft, laten wij de akker van ons hart bewerken met de arbeid van de liefde. Laten wij God geven wat Hem toekomt en de naasten wat hun toekomt, opdat wij met onwankelbare hoop terecht mogen verlangen naar de beloning die God ons voor het komende leven beloofd heeft.

Laten wij de voordelen van het aardse verachten uit liefde voor het hemelse, met de zekerheid dat het ene, of wij willen of niet, eens voorbijgaat, en het andere zonder einde blijft.

Zo zullen wij de zalige bisschop als beschermer van onze dienst mogen hebben, als wij proberen zijn levenswandel na te volgen. Want wie door de verering van deze heilige tot liefde wordt aangetrokken, moet ook aangespoord worden om de deugden te beoefenen. Men kan immers alleen tot de gemeenschap van de zaligen komen door een even grote ijver voor goede werken. Wie hier een gescheiden leven leidden, kan de beloning daar niet verenigen.

Laten wij er dus, zeer geliefden, met werken van barmhartigheid naar streven dat wij hem hier als voorspreker en daar als metgezel mogen hebben. Dat moge gebeuren met de hulp van de genade van de Heilige Geest – met wiens naam [Donum, "gave": Donatianus] deze allerzaligste bisschop al bij zijn begin getekend was, en door wiens bescherming hij in alles omringd was – door de gave van onze Heer Jezus Christus, die met de Vader en dezelfde Geest één heerlijkheid, gelijke lof en gelijke macht heeft, in alle eeuwen der eeuwen.