H. Ermelindis van Meldert, maagd en kluizenares
Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.
Rechtstreeks vertaald uit de oudste Vita — Vita prima S. Ermelindis (BHL 2605) door een anonieme auteur, eind 10e – begin 11e eeuw; naar twee Utrechtse handschriften (15e eeuw), vergeleken met de uitgave van Surius (Acta Sanctorum, oktober XII, pp. 849-850); het oude officie van Meldert werd in 1621 overgeschreven uit een zeer oud perkamenten handschrift van de kerk van Meldert (pp. 868-870)
LEVEN VAN DE HEILIGE ERMELINDIS, MAAGD, TE MELDERT
Ermelindis was een Brabantse edelvrouw uit de Merovingische tijd. Zij weigerde te trouwen, knipte zelf haar haren af en leefde als kluizenares, eerst te Beauvechain en daarna te Meldert bij Tienen, waar zij ook begraven werd.
Haar oudste Vita, de zogenaamde Vita prima, werd door een anonieme auteur geschreven op het einde van de 10e of het begin van de 11e eeuw, wellicht in Luikse kringen. Een latere bewerking, de Vita secunda, voegt er onder meer de verheffing van haar relieken door Pepijn aan toe; die laten we hier weg.
De vertaling volgt de tekst van de Acta Sanctorum, naar twee Utrechtse handschriften uit de 15e eeuw, vergeleken met de uitgave van Surius. Onderaan staat ook het oude officie van Meldert, dat in 1621 werd overgeschreven uit een zeer oud perkamenten handschrift van de kerk van Meldert.
1. De zalige maagd Ermelindis was de dochter van Ermenoldus en Ermesendis, aanzienlijk door afkomst en door rijkdom. Van jongs af wilde zij van deugd tot deugd opklimmen, om de God der goden in Sion te mogen zien.
Toen zij nog als kind in het huis van haar ouders woonde, deed zij al niets kinderlijks. Wie haar zag, merkte in haar houding een zekere rijpheid. Zij meed de speelsheid en het gezelschap van haar leeftijdgenoten, bleef in de kamer van haar moeder en leerde de psalmen van David.
Als zij het woord van God hoorde, prentte zij het scherp in haar geheugen. Zij haalde het vaak weer boven en herkauwde het, als een rein dier, telkens met nieuwe vroomheid.
Toen al proefde zij op een grote en onbegrijpelijke manier de zoetheid van de Bruidegom. Brandend van verlangen naar Hem zei zij met de heilige David: "Mijn ziel dorst naar God, de levende bron. Wanneer mag ik komen en verschijnen voor het aangezicht van mijn God?" En ook: "Zoals een hert verlangt naar waterbronnen, zo verlangt mijn ziel naar U, o God."
2. Toen zij van kind een jonge vrouw werd, wilden haar ouders dat zij zou trouwen en kinderen krijgen. Maar zij weigerde beslist en zei dat zij haar maagdelijkheid aan Christus had beloofd.
Zij nam een mes en knipte de haren af die over haar melkwitte hals hingen. Zij verliet de wereld met al haar praal en volgde Christus, die zij als Bruidegom had gekozen, langs de smalle en nauwe weg. Zij keerde niet terug voordat zij de prijs had behaald, en dacht altijd aan wat Hij voor ons gedaan en geleden heeft.
Haar ouders konden haar besluit met dreigementen noch vleierij veranderen. Daarom gaven zij haar eensgezind de opbrengst van een klein landgoed, Odunca genaamd, om in haar levensonderhoud te voorzien.
3. De zalige maagd Ermelindis verliet het ouderlijk huis, liet het bezit van haar ouders achter zich en trok alleen rond. Zorgvuldig zocht zij een plaats waar zij zich helemaal aan God kon wijden.
Zo kwam zij in een dorp dat bestuurd werd door twee broers, jonge mannen in de bloei van hun leven. Zij waren nog niet getrouwd, maar gaven zich over aan de ijdelheden en verlokkingen van de wereld. De eerbiedwaardige maagd bleef daar een tijd en dacht dat God deze plaats voor haar had bestemd.
Dag en nacht ging zij blootsvoets naar de kerk en bood zij haar eigen lichaam aan de Heer aan als brandoffer. Zij verlaagde zich tot dienstbaarheid en ging zich nooit voor op haar adellijke afkomst.
Uit haar edel geslacht zou Pepijn stammen, de vader van de heilige Gertrudis. Aan haar verdiensten probeerde de zalige Ermelindis gelijk te worden. In die tijd had de heilige Amandus het bestuur van de Kerk van Maastricht nog niet op zich genomen; door zijn leer en onderricht zouden later velen van hun dwaling terugkeren naar de weg van de gerechtigheid.
4. Deze maagd was een uitzonderlijke lamp voor haar generatie. Zij schitterde tussen hen door de glans van haar deugden, als een lelie tussen de doornen.
Maar ook de bekoring van de vijand bleef haar niet bespaard. De oude vijand loerde op haar hiel en probeerde de olie te morsen die zij nog in een aarden vat bewaarde.
De genoemde broers zagen haar vaak komen en gaan, en zij ontbrandden van begeerte naar haar, zonder dat de een de gedachte van de ander kende. Elk van hen wachtte op het moment waarop hij haar alleen kon betrappen, om met haar schoonheid zijn lust te bevredigen.
Maar zij vonden geen geschikt moment om hun kwaad uit te voeren, en vanbinnen werden zij gekweld door een blinde liefde. Wat konden zij doen? Zij konden een maagd met zo'n goede naam geen geweld aandoen zonder een groot schandaal in het hele dorp.
Een van hen, die nog heviger brandde van lust, ging naar de koster van de kerk en beloofde hem grote geschenken als hij hem de toestemming van de maagd kon bezorgen. Met de koster sprak zij immers vaak en vertrouwelijk, en door hem kon zij elke nacht in de kerk; want ook onder een schapenvacht kon haar heiligheid niet lang verborgen blijven.
De koster wist dat haar geest sterk was en in Christus gegrond, en hij verwachtte geen enkele toestemming van de maagd. Daarom raadde hij de jongeman aan haar liever in de stilte van de nacht te ontvoeren. Op dat uur kwam zij immers, na een korte slaap, gewoonlijk naar de kerk, om zichzelf aan God aan te bieden als een levend, heilig en welgevallig offer.
Wat doe je, menselijke boosheid? Er is geen wijsheid, geen verstand en geen raad die opkan tegen de Heer.
5. In de nacht waarin zij ontvoerd zou worden, mocht zij een engelenstem horen die haar bij haar naam riep: "Ga weg, maagd, ga weg, en bewaar ongeschonden de maagdelijkheid die je aan God hebt gewijd."
Zij schrok hevig, gehoorzaamde het bevel en ging op weg. Terwijl de Heilige Geest haar leidde, verscheen de engel van de Heer haar een tweede keer en gebood haar de weg die zij was ingeslagen niet te verlaten. "Je zult komen," zei de engel, "in een dorp dat je Meldrix zult noemen. Daar heeft God voor jou een plaats klaargemaakt om de wens van je hart te vervullen."
De eerbiedwaardige maagd kwam aan op de plaats die de engel haar had voorzegd. Daar leefde zij lange tijd in wonderbare soberheid en onthouding, en zij hield zich aan het gebod van de dubbele liefde.
De zalige Ermelindis voedde zich alleen met wilde kruiden en deed niet onder voor de grootste kluizenaars van de woestijn. Haar tere meisjeslichaam kwelde zij met harde ontberingen.
Vrome mensen kwamen haar vaak bezoeken. Maar hoe meer de Heer haar faam verbreidde, hoe nederiger zij zich gedroeg.
Na vele strijd werd zij ten slotte door de Heer geroepen en kwam zij in de hemelse glorie, die zij op aarde met heel haar toewijding had gezocht. Bij haar uitvaart zong geen mensenmenigte, maar zongen koren van engelen de glorie van Christus. En omdat zij Christus dierbaar was, werd zij door hen met de grootste zorg begraven.
Achtenveertig jaar lang bleef deze zalige maagd verborgen, ver van de eer van de wereld, alleen vereerd door de burgers van de hemel. Toen maakte Christus haar aan de wereld bekend, opdat zij die bij Hem al in de hemel verheerlijkt was, ook bij de mensen op aarde geëerd zou worden.
6. Er was een man die door die eenzame plaats trok, die door de engel en door de zalige Ermelindis Meldrix werd genoemd. Door Gods beschikking kon hij niet verder.
Midden in de nacht verscheen het graf van de maagd, helderder dan het zonlicht, en hij hoorde engelen zingen. Toen het dag werd, verdween het hemelse visioen, maar op die plaats bleef een heerlijke geur hangen.
Toen de vrome man zijn zaken had afgehandeld, keerde hij naar die plaats terug en waakte hij een tweede keer vol toewijding bij het graf. Zijn hoop werd niet beschaamd: de goede Heer wilde hem opnieuw de verheerlijking van zijn bruid tonen. Want wie Hij bij zich in de hemel had verheerlijkt, wilde Hij ook op aarde groot maken.
Nu was de man zeker van de wil van de Heer. 's Morgens stond hij blij op, dankte God en zei: "Waarlijk, de Heer is op deze plaats, en ik wist het niet."
Meteen keerde hij naar huis terug, nam alles mee wat hem toebehoorde en bouwde een kapel boven het graf van de maagd. Daar leefde hij sober en eindigde hij zijn dagen in vrede.
7. Toen de mensen hoorden wat er gebeurd was, kwamen zij naar die plaats en zongen eensgezind deze antifoon: "Dit zijn uw werken, Christus, die uw heiligen zo verheerlijkt", enzovoort.
Meteen groeven zij de aarde open, en er verscheen een sarcofaag waarin het lichaam van de ongeschonden maagd lag. Plots stroomden er zoveel genezingen, dat op haar terecht van toepassing was wat de Heer in het evangelie zegt: "Wie in Mij gelooft, zal de werken doen die Ik doe, en hij zal er nog grotere doen."
Blinden kregen het zicht terug, doven het gehoor, kreupelen konden weer lopen, en allen die aanklopten, kregen gezondheid en welzijn terug. Ook demonen die uit bezeten lichamen werden verdreven, bewezen tegen hun wil door hun uitdrijving de verdienste van de maagd.
Wie haar graf met geloof aanraakte, werd gezond, aan welke ziekte hij ook leed. Aangetrokken door de geur van haar deugden kwamen mannen en vrouwen uit verre streken, en ook tere maagden, die blootsvoets de barmhartigheid van de Heer afsmeekten.
Door de verdienste van de zalige maagd Ermelindis voelden zij dat Gods genade hen had bijgestaan, en blij en opgewekt keerden zij naar huis terug. Amen.
[[INKLAP]] Het oude officie van Meldert
(Acta Sanctorum, oktober XII, pp. 868-870. Deze tekst werd in 1621 door Joannes Pinsonius, pastoor van Meldert, op verzoek van de Bollandist Heribertus Rosweydus overgeschreven uit een zeer oud perkamenten handschrift uit het archief van de kerk van Meldert. De getijden van haar feest, zoals ze vóór het Concilie van Trente te Meldert werden gezongen: het westerse tegenstuk van de troparia, kanons en stichera van een oosterse feestdienst. De Latijnse antifonen zijn berijmde verzen; hier in prozavertaling.)
EERSTE VESPERS
Antifonen bij de eerste vespers I. Roemrijk zijn de daden van de heilige Hermelendis: bezingt ze met eendrachtig lied, want zij moeten op het jaarlijks feest gevierd worden. II. Bescherm dan, goede Christus, de dienaren van de maagd, en geef dat onze dienst U welgevallig is. III. Laat de Kerk zich verheugen en de scharen van de hemel juichen, en laten zij de lof van de palm van de milde maagd vieren. IV. Met mond, hand en hart heeft de maagd, onbesmet door vuil, zich ter ere van Christus ervoor gehoed schuld te begaan. V. Daarom, naar de gewoonte: ernstig is de ijver van haar leven, en zij is voor de gemeente een voorbeeld, een zeer stralende maatstaf van zeden.
Kapittel. Maagdelijkheid is een eerbiedwaardige naam; de maagd Hermelendis omhelsde haar en legde de vreugde van goede werken in haar hart en geweten; zij werd beproefd en had haar roem alleen in zichzelf, en niet in een ander.
Hymne Laat de blijde gemeente jubelen, laat zij lofliederen aanheffen; laat zij met eerbied de wonderbare daden van Hermelendis prijzen. De glans van haar jeugd straalde als een ster, en de lauwer van haar kuisheid bleef groen tot aan haar dood. Zij bewoonde verlaten plaatsen en ontvluchtte de besmetting van de wereld; en in onthouding was haar niemand gelijk. De hemelse schare daalt neer: over haar, gestorven op de plaatsen van de woestijn, hoort men hier een verheerlijkende stem, geen geween of gezucht. Wat door hemelingen geschiedde, wordt aan de stervelingen openbaar door een luisterrijke uitvaart; het volk verheft haar relieken. Weldra gebeuren hier wonderen: aan zieken wordt genezing gegeven, aan gelovigen heil in overvloed, tot schade van de ongelovigen. Lof zij de Vader met de Zoon, en eveneens de Heilige Geest; en moge het gebed van de maagd ons helpen daar te genieten. Amen.
Responsorium. Maagd, sieraad van de meisjes, door haar leefregel een stralende ster, die tweemaal zes jaar oud de wereld vertrad, streeft zij door de beheersing van het getemde vlees naar de steile hoogte van het eeuwige leven. Vers. Maagd zonder bedrog, de meest roemrijke lof waardig. — Door de beheersing. Eer aan de Vader. Door de beheersing. Vers. Bid voor ons, enz.
Antifoon bij het Magnificat. De verheven maagd, eenvoudig, scherpzinnig, kuis, bleek en mager, vroom, schouwend, heilig, die toen de onafgebroken vreugde van de geest genoot, geniet nu de schuilplaats van de eeuwige vrede, waarin zij verheugd is gevestigd.
Gebed. God, die de zalige Hermelendis geheiligd hebt door maagdelijke kuisheid, gehoorzaamheid aan de regel, wonderbare onthouding en bovendien het kluizenaarsleven, en die haar lichaam, door engelen begraven, in de aarde hebt gelegd: wij bidden U, om haar verdiensten en haar waardige voorbede, Gij die goed en mild zijt, was ook onze schuld af en geef ons de eeuwige vreugde. Door onze Heer.
METTEN
Invitatorium. Laten wij Christus, het sieraad van de kuisen en hun bescherming, altijd aanbidden en met vroom hart jubelen.
Antifonen bij de eerste nocturne I. De maagd, met goede gaven begiftigd en in alles aanwezig met haar gaven: de zeden doen haar groeien en maken haar volmaakt. II. Haar geest, reeds in de tijd van haar eerste bloei op het verhevene gericht, houdt waarlijk de volle teugels van de deugden in de hand. III. Het wankele achtte zij van geen waarde in de loop van haar jeugd: een stralend voorbeeld, een leidster, een voorgaande ster van goede vrouwen.
Responsorium. Laat het koor, om de plaats te verblijden, de orgels van de stemmen ontsluiten; laat het vreugdevol zingen, en laat het hof van de hemel juichend aanwezig zijn, opdat de maagd met volle zangen geprezen wordt. Vers. Laat man en vrouw samen zingen en bidden, laat ieder zich inspannen. — Opdat met volle zangen, enz.
Responsorium. De vader wil haar – en de zorgzame moeder evenzo – [uithuwelijken]; maar zij ontvlucht alle zonden en belooft haar geloften geheel aan Christus. Vers. Zij ontvlucht de helling van het vlees, de band met elke man. — Zij ontvlucht, enz.
Responsorium. Van haar vader krijgt zij een landgoed; de maagd gaat daarheen en woont er; de staat die haar past is het werk van haar eigen dienst: zichzelf en haar huis besturend leeft zij daar, zeer nederig. Vers. Voortdurend toegewijd aan de lof, en Christus in alles behagend. — Zichzelf en haar huis. Eer aan de Vader. Zichzelf en haar huis.
Antifonen bij de tweede nocturne I. Het gebeurde dat twee mannen de trouwe dienstmaagd van Christus wilden misleiden, maar Gij, Christus, waart haar beschermer. II. Een engel komt en waarschuwt haar; en het meisje gelooft, en een glans straalt: de Kuise maakt de kuise tot zijn vriendin. III. Zij komt, gelovig, met het geloof als leidsman, in de woestijn. Eindelijk wordt deze plaats, die haar welgevallig is, voor haar gereed gemaakt, en daar woont zij.
Responsorium. Deze bewoonster van de woestijn begon, als wreekster van de wonde die haar was toegebracht, standvastig in de zijde van Christus te leven in armoede. Vers. Kruiden worden haar voedsel, en een haren boetekleed haar kleding. — In de zijde van Christus, enz.
Responsorium. Christus in haar geest dragend, altijd aan de Schrift verkleefd, wordt zij een deugdzaam vat van heerlijkheid, vrij van alle schuld. Vers. Zij streeft naar het eeuwige, verborgen in de holen van de wouden. — Zij wordt een deugdzaam vat, enz.
Responsorium. Zo scheidt de kluizenares na lange tijd uit dit leven; het hemelse volk bewijst haar de laatste eer en begraaft haar. Met stem, lier en lamp geschiedt een wonderbare aanbidding. Vers. De ziel, die zich losmaakt, wordt uit de diepte naar de hoogten overgebracht. — Met stem. Eer aan de Vader. Met stem.
Antifonen bij de derde nocturne I. De daden worden openbaar: een rechtvaardig en voorwaar edel man mocht het vernemen, terwijl hij door het genoemde woud ging. II. 's Nachts ziet hij het koor van de hemel en een lichtglans; hij hoort hun zoete melodie; hij tekent de plaats zorgvuldig aan en gaat 's morgens heen. III. De volgende nacht bleef diezelfde man daar de hele nacht; en hij, waardig, zag een waardig en gedenkwaardig teken.
Responsorium. Met alle kracht maakt de man bekend wat hij door het zien had leren kennen; aan de kant van het graf sticht hij een huis: het wonder vloeit over. Vers. De grote naam en het voorteken van deze zaak verspreiden zich. — Aan de kant, enz.
Responsorium. Het volk stroomt toe naar de bekende wonderen en brengt vrome geloften; hier wordt ware genezing gegeven aan de zieken en aan wie het licht van de ogen missen. Vers. En aan ieder die kreupel is, doof, stom of bezeten: — ware genezing, enz.
Responsorium. Weldra komt hertog Pepijn; hij buigt de knie, kust de plaatsen, en er klinken vrome woorden. In een schrijn worden, onder zijn getuigenis, de heilige ledematen eerbaar neergelegd; hij bouwt een grote kerk ter ere van de eerbiedwaardige. Vers. Hij stelt een vroom werk en een recht in, een hemel voor beide geslachten; voor hun levensonderhoud geeft hij vele landgoederen. — Hij bouwt een grote kerk. Eer aan de Vader. Hij bouwt een grote kerk.
LAUDEN
Antifonen I. Laten wij Christus loven, om wie de goede maagd deze wereld versmaadde, stralend met een lichtende kroon. II. Laten wij Christus loven en onze lof vermeerderen, want door Hem begiftigd straalt deze zalige zo. III. Moge het volk er in eeuwigheid voor zorgen de hemelse Koning te loven, die haar zo luisterrijk wonderbaar heeft gemaakt. IV. Christus zij geloofd en in eeuwigheid verheerlijkt, die het leven van zijn vriendin zo wonderbaar heeft versierd. V. Met hoogklinkende lof wordt met de kracht van het verstand de Koning geprezen, die de strenge maagd met zuivere geest heeft gediend.
Kapittel. Ik zal uw naam onophoudelijk loven en de Heer prijzen in belijdenis; en mijn gebed is verhoord. God zij dank.
Hymne Zie, snel stijgt de dageraad op, voorbode van het licht; alle schepselen sporen ons aan de Schepper lof te zingen. Geef zuivere vreugde, Christus, en was alle ondeugden af, Gij die de heilige Hermelendis de vierderlei boete geeft: zij die bloeide in kuisheid, gehoorzaam aan het gebod, en die de woestijn bewoonde in wonderbare onthouding. Begraven door hemelingen, genietend van de glorie van de hemel, geven vele tekenen dat zij door de aardbewoners geprezen wordt. Lof zij de drievoudige Eenheid, eer, kracht en overwinning; moge alle drab van de zonde vallen door de genade van het gebed van Hermelendis. Amen. Vers en responsorium. Bid voor ons, zalige maagd Hermelendis, enz.
Antifoon bij het Benedictus. O gezegende Vader, o Christus, allergoedste broeder, o Heilige Geest: gezang, beurtzang en melodie komen U rechtens toe; U bezingen zij, U vereren zij, die aan Hermelendis de vrome beloningen van het leven geeft die zij verdiend heeft.
Gebed. Wij bidden U, Heer onze God, vind ons onafgebroken volhardend in waken en lofzangen, opdat Gij ons niet in de morgen met de zondaars van de aarde verbrijzelt; maar moge het gebed van Hermelendis, wier leven U behaagde, ons tot alles bereidwilliger maken. Door onze Heer.
TWEEDE VESPERS
Antifonen I. Roemrijke, betamelijke maagd, stort uw geloften voor Christus uit, opdat Hij de oude en nieuwe zonde afwast, waardoor wij branden. II. Maagd, aan God gewijd, bid onophoudelijk voor ons, opdat wij niet als schuldigen door Hem veroordeeld worden in het uur van de dood. III. Milde maagd, schenk Christus een onafgebroken smeekbede, opdat Hij ons de schuld wegneemt en verzoening geeft. IV. Vraag dit voor wie onder u staan, maagd, dat de toorn van de Vader niemand van hen kwelle, maar dat Hij hun, nadat zij de ondeugden hebben afgelegd, geeft goed te leven. V. Maagd, vraag daarna de goede godheid van Christus en bid dat wij met het licht het kleed van de hemel in het hemelse gebied mogen verwerven.
Responsorium. Deze vijl van de zeden heeft zich van haar eerste aanleg af gebogen tot het hoogste van het leven, gepolijst door velerlei deugdzaamheid: verheven maagd, zaaister van deugden, minnares van het recht, innerlijk, onderdanig, geduldig, vroom, vervuld van de wet. Vers. Een wonderbare geur van hemelse balsem vult de voorhoven van de Allerhoogste; hij vloeit voort uit de oogst die zij in een boetekleed had gezaaid. — Vervuld van de wet. Eer aan de Vader. Vervuld van de wet. Bid voor ons, enz.
Antifoon bij het Magnificat. O goede, uit het Woord geboren Heer, bron die met rijke ader vloeit: ontdoe ons op de gebeden van de maagd Hermelendis van onze gebreken, en laat ons door haar verdiensten het hemelse leven verwerven. Alleluia. Gebed: God, enz.
[[/INKLAP]]