H. Gerardus van Brogne

Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.

Oudste Vita Gerardus: handschrift Bergen en edities — Vita Gerardi (BHL 3422), ca. 1045-1070 door een anonieme monnik van Brogne geschreven op verzoek van abt Gonterus, als herwerking van een oudere, verloren Vita uit de jaren na Gerardus' dood (3 oktober 959). Oudste handschrift: Bergen (Mons), UMONS, cod. 27/221, f. 144r-155v (Sint-Ghislain, 1026-1075), fragment § 28-34. Oudste volledige handschrift: Namen, Grootseminarie, Sem. 45 (1051-1150). Edities: Mabillon, Acta SS. O.S.B. V; Acta Sanctorum, oktober II; Holder-Egger, MGH SS XV (naar Londen, BL Add MS 10050).

LEVEN VAN DE HEILIGE GERARDUS, STICHTER EN ABT VAN BROGNE

Gerardus was een edelman uit Stave, in het graafschap Namen, en de vertrouweling van graaf Berengarius. Op zijn erfgoed Brogne (nu Saint-Gérard) liet hij na een visioen van de apostelen Petrus en Paulus de kleine kerk groter herbouwen.

Hij werd monnik in de abdij van Saint-Denis bij Parijs, leerde er op latere leeftijd lezen en schrijven en werd er priester gewijd. Hij bracht het lichaam van de martelaar Eugenius naar Brogne en stichtte er een abdij.

Hertog Giselbert van Lotharingen vertrouwde hem het verwaarloosde klooster van Sint-Ghislain toe. Graaf Arnulf van Vlaanderen, die door zijn gebed genas, gaf hem de leiding over zijn abdijen, waaronder Sint-Pieters (Blandijn) in Gent en Sint-Bertinus. Men schreef hem het herstel van achttien kloosters toe.

Hij stierf in Brogne op maandag 3 oktober 959.

Zijn Vita werd tussen ca. 1045 en 1070 geschreven door een anonieme monnik van Brogne. Hieronder staat ze volledig, in een hedendaagse vertaling. Tik op een hoofdstuk om het te openen.

[[INKLAP]] Voorrede — de schrijver aan abt Gonterus

Aan zijn zeer geliefde vader en zeer waakzame herder, dom Gonterus, overste van de abdij van Brogne. Iemand die de monnikengelofte heeft afgelegd, maar in godsvrucht niets voorstelt, wenst u, samen met de kudde die aan u is toevertrouwd, de weiden van het eeuwige leven.

Uw vaderlijkheid, mijn zeer geliefde vader, beveelt het, en de honingzoete vraag van uw zonen dwingt ons ertoe om over het leven, de deugden en de bekering van de heer abt Gerardus als het ware een kern uit te pellen, hoe gebrekkig ook. Zo kunt u met deze geestelijke spijs samen de innerlijke mens verkwikken, die door de liefde tot deze vader gewond is; want u bent gewond door de liefde.

Maar wat en hoeveel ons van zo'n onderneming afschrikt, moet ik zeggen; luister in het kort. Te verheffen is immers de voortreffelijkheid van zo'n groot man. Daartegenover staan het stamelende onvermogen van onze pen, de lasterende traagheid van onze benijders, en ook het werk van een vroegere schrijver, dat wel grammaticaal correct is opgesteld, maar voor eenvoudige en minder begaafde lezers niet duidelijk genoeg is.

Toch stellen wij dit alles achter bij uw bevel. En hoewel wij tegen zo'n last niet opgewassen zijn, hebben wij toch besloten te gehoorzamen, ook ten koste van onze eigen schroom.

Want hij sterkt onze kleinmoedigheid, wiens waarachtige woord heilzaam uitroept: 'De krachten die het onvermogen weigert, verschaft de broederlijke liefde.' In vertrouwen op dit woord waag ik het te beginnen, er vast van overtuigd dat het gezag van uw bevel de fouten van ons onvermogen zal verontschuldigen.

Snoei dus, bid ik, in uw welwillendheid wat overbodig is, vul aan wat ontbreekt, aanvaard met blijdschap wat goed gezegd is, en breng ons kleine geschenk met vaderlijke gunst verder. Zo immers zal ook voor u de verantwoording van ons werk vaststaan, als wat wij uit de daden van de man Gods hebben gehaald, door het scherpe oordeel van een wijze wordt goedgekeurd.

Vaarwel, man Gods, en gedenk mij! Vaarwel aan de welwillenden; mogen de benijders tot inkeer komen!

[[/INKLAP]]

[[INKLAP]] Hoofdstuk I — Ridder aan het hof van Namen; het visioen te Brogne; monnik in Saint-Denis (§ 1–9)

1. De man van de Heer, de heer abt Gerardus, wonderlijk geschikt om de geboden van de Heer te volbrengen, ja in alles de hemelse hiërarchie van de heilige heerschappij waardig, was, zoals wij uit het verslag van betrouwbare getuigen hebben vernomen, uit edele en rechtgelovige ouders geboren te Stablecellae [Stave], een dorp in het gebied van Lomme.

Hij straalde door zijn roemrijke afkomst, maar schitterde nog meer door de rechtschapenheid van zijn zeden. Zijn vader Stantius stamde uit het geslacht van Hagano, hertog van Austrasië. Zijn moeder, Plictrudis genaamd, was volgens de overlevering een volle zus van de heer Stephanus, bisschop van Tongeren.

Van zijn prille jeugd af schonk de goedheid van God hem dat hij toenam in leeftijd en verstand, en zowel God als de mensen behaagde. Hoewel hij jong van lichaam was, verwaardigde hij zich niet te luisteren naar de onkuise praat van de jongeren. Integendeel, hij maakte er een gewoonte van de bijeenkomsten van de goeden bij te wonen en meed zorgvuldig het gezelschap van de slechten.

Wie in het lichaam door een stralende jeugd versierd werd, was reeds getooid met de heilige grijsheid van de geest. Vuriger dan anderen bezocht hij de drempels van het huis van God, dorstig om de stromen van de kerkelijke leer in te drinken.

De heilzame vermaningen die hij daar naar vermogen ontving, herkauwde hij met een taai geheugen, ook al was hij in de kleding van een leek gehuld. Reeds met een nog jeugdig hart overdacht hij wat hij later in toewijding mocht volbrengen.

Hij huiverde om de weelde en de spelen van de wereld te omhelzen, en verdiende het een tempel te worden van de verheven Geest.

2. In die tijd voerde graaf Berengarius het bevel over de burcht van Namen; zijn nakomelingen zijn daar tot op heden gebleven. Aan hem was deze strijder van God in krijgsdienst verbonden, en hij bekleedde op zeer vertrouwelijke voet de eerste plaats in zijn vriendschap.

Naar zijn oordeel regelde de graaf de zaken van het graafschap, en hem vertrouwde hij boven anderen de moeilijkste en geheimste zaken toe, omdat hij (wat zeer zeldzaam is) zowel sterk was in de strijd als uitblonk door wijze raad.

Hij was immers scherpzinnig in de raad, trouw in wat hem werd toevertrouwd, waarachtig in het spreken, zeer welsprekend van mond, zeer blij van gelaat, zeer sereen van geest, zeer beminnelijk in het gesprek, zeer zachtmoedig in de omgang, rechtvaardig in het oordeel en krachtig in het helpen.

Hij was ook toegerust met een onoverwinnelijke wapenrusting: de helm van het geloof, het pantser van de gerechtigheid, het zwaard van Gods woord en het ondoordringbare schild van de billijkheid. Hiermee onneembaar omgord, bestreed hij onvermoeibaar de geestelijke boosheden. Zoals Sebastianus verborg de soldatenmantel hem, maar zoals de krijgsman Martinus toonde zijn soberheid de monnik.

Hij had veel goedheid tegenover zijn krijgsmakkers, een wonderlijke liefde, veel geduld en nederigheid. Daarom eerden zij hem met ontzag als een vader en ontzagen zij hem met eerbied als een heer.

Hij vergaarde dus schatten in de hemel, waar mot noch roest ze verteren. Hij kleedde de naakten, voedde de behoeftigen, stond de zwoegenden bij, beurde de kleinmoedigen op, beschermde de wezen, steunde de weduwen, nam het op voor de verdrukten en hielp de ellendigen.

Hij was een minnaar van de vrede, verjoeg twist en ruzie, en werd als een apostolisch man alles voor allen.

3. De graaf verheugde zich niet weinig in het gezelschap van zo'n man, want hij had vaak met duidelijke tekenen ervaren dat de hand van de Heer Jezus met hem was: met Gods hulp lukte hem immers alles naar wens. Daarom kon de graaf zijn afwezigheid nauwelijks verdragen en liet hij hem zelden van zijn zijde gaan.

Toen hij op een dag (zoals de gewoonte is bij edelen) met zijn mannen op jacht ging, achtte hij het nuttig ook deze heilige, over wie wij spreken, mee te nemen.

Na de aangename inspanning van de jacht, toen de zon in het midden van de hemel reeds om het middagbrood vroeg, haastten de graaf en zijn mannen zich, op zoek naar verkwikking, terug naar hun verblijf.

Maar de vriend van God, die het geestelijke boven het lichamelijke stelde, begaf zich zonder te eten naar de nabijgelegen kerk van Brogne, die hij met enkele aangrenzende goederen van zijn voorouders had geërfd. Hij was immers bekend om de omvang van zijn bezittingen, zoals ook paste bij iemand die niet onderdeed voor de deugd van zijn voorvaderen.

Wij hebben vernomen dat dit kleine bedehuis gesticht werd op bevel van vorst Pepijn en ingewijd door de heer Lambertus, bisschop van Tongeren, opdat de vorst, die dikwijls in het nabije woud van Marlagne op jacht ging, daar gemakkelijker de goddelijke dienst zou kunnen bijwonen. Daar zou ook eens een blij wonder geschied zijn: uit een steen die de heilige bisschop gezalfd had, zou een tijd lang overvloedig olie gevloeid zijn.

4. De man van de Heer liet dus een priester roepen om de Mysteriën van Christus te vieren; intussen legde hij zich, zoals een dienaar van de Heer betaamt, al biddend toe op de goddelijke beschouwing.

En terwijl hij lang op de komst van de priester wachtte, overviel hem door Gods beschikking een slaap, opdat de Godheid hem in de geest de plaats en de vorm van het bedehuis zou tonen, dat hij later in een stoffelijk bouwwerk zou oprichten.

O gelukkige slaap, gelukkig in alles Gerardus, aan wie Christus zulke dingen verwaardigt te openbaren!

Hij zag in een visioen de zuilen van de Kerk, Petrus en Paulus, naast zich staan. De eerste van hen, de eerste in de schare van de apostelen, leek zijn hand in de zijne te leggen en hem vertrouwelijk rond te leiden door de kerk en het voorhof.

Toen de man Gods vroeg wat die rondgang betekende, begon hij hem te vermanen het bedehuis te bouwen: hij leerde hem dat hij, Petrus, deze plaats voor zichzelf had uitgekozen en zijn geestelijke zoon, de martelaar Eugenius, als zijn medewerker had aangesteld. 'Ik heb besloten,' zei hij, 'van deze plaats de patroon te zijn, en na God haar welwillende bewaker en beheerder.'

Verheugd over zo'n belofte, brandde Gerardus van verlangen om te weten hoe dit verwezenlijkt kon worden. 'Hoe,' zei hij, 'voortreffelijke herder, mag ik hopen het lichaam van de heilige martelaar te verkrijgen?'

Daarop antwoordde de apostel met een blijer gelaat: 'Is er voor God iets onmogelijk? Laat dat aan God en aan mij over! Breek deze basiliek dus af tot op de grondvesten, aarzel niet haar groter en sierlijker te herbouwen, en voltooi ijverig alles zoals het u nu getoond wordt.' Hij toonde hem immers vooraf de grootte van het bedehuis en hoe alles daarin moest worden ingericht.

Intussen was de ontboden priester aangekomen; naar gewoonte gereedgemaakt, wilde hij de mis opdragen, maar hij durfde de slaper niet door geluid of aanraking te wekken; hij wachtte zwijgend tot hij uit zichzelf zou ontwaken.

Toen het apostolische visioen ten einde was, werd de zalige man uit zijn geliefde slaap losgemaakt, en toen de priester morde over het lange wachten, suste hij hem met vriendelijke stem:

'Ik bid u, dienaar van God, hierover niet verstoord te zijn: zeer nuttig was het mij zo in slaap te vallen. Ik kan Christus niet naar waarde danken, wiens wonderbare openbaringen ik in een korte rust zag.'

5. Wie van de lasteraars dit voor een hersenschim houdt, veroordeelt ongetwijfeld een gelijkaardig voorval in het leven van de heer Benedictus, die aan zijn slapende leerlingen alle werkplaatsen van een te bouwen klooster aanwees en hun, toen zij bij het ontwaken aarzelden, gebood ze te voltooien zoals zij het in de openbaring hadden geleerd. Zo lezen wij ook dat de zalige Ambrosius, bisschop van Milaan, terwijl hij aan het heilige altaar stond, te Tours de plechtige uitvaart van de grote Martinus bijwoonde.

De man van de Heer, Gerardus, voerde het bevel van de apostel zeer bereidwillig uit. Toen hij het opgedragen werk helemaal voltooid had, schonk hij aan dezelfde basiliek uit de overvloedige inkomsten van zijn goederen een zeer toegewijde gift, die voorlopig volstond voor hen die daar God dienden.

Hij stelde er voor die tijd ook een godvruchtige gemeenschap van clerici aan, die hij met de wijsheid die hem gegeven was onderrichtte om naar de gewoonte van kanunniken te leven.

Zo'n godsvrucht ging in de eerste tijd voorop, tot, door Gods gave, de orde van de monniken werd ingevoerd, die in bezit en dienst veel voortreffelijker was dan zij.

6. Toen het bedehuis gebouwd was en daar, zoals gezegd, de dienst van de clerici was ingesteld, begon de heilige man veel na te denken over de schat die God hem beloofd had: hoe hij namelijk het allerheiligste lichaam van de zalige Eugenius, martelaar en bisschop, zou kunnen verkrijgen.

Terwijl zijn aandacht daar voortdurend om cirkelde, deed zich voor de eerder vermelde graaf Berengarius om bepaalde redenen de gelegenheid voor (zo beschikte het immers de goddelijke voorzienigheid) om een gezantschap naar Francië te sturen, naar een vermaarde graaf, Robertus genaamd, die de adel van de Franken later op de koningstroon verhief.

Hij riep de strijder van God bij zich, openbaarde hem, alleen met hem alleen, de geheimen van zijn plan, en droeg hem in een vriendschappelijk gesprek op zijn boodschap daarheen over te brengen.

Zonder dralen ging de man van de Heer met zijn gevolg op weg en kwam na weinige dagen te Parijs aan. Toen de dag reeds neigde en het late uur verbood verder te reizen, droeg hij enkelen van zijn mannen op een passend onderkomen te zoeken.

Zelf bezocht hij met enkelen de eerbiedwaardige drempels van de martelaren van Christus, Dionysius en zijn gezellen; hij bracht God de toegewijde offergave van zijn gebeden en smeekte om de begeerde bescherming van de heiligen.

Het gebeurde nu, zo beschikte het de hemelse goedheid, dat op datzelfde uur de schare van de monniken de vespers zong. Terwijl de man van de Kerk aandachtig luisterde naar hun zoetklinkende gezangen, kwam men aan die plaats in de smeekbede waar het koor van de broeders gewoonlijk bij name de voorspraak van de heiligen inroept.

Nadat er enkelen bij name genoemd waren, volgde ook de gedachtenis van Eugenius, de zeer begeerde martelaar. Toen die naam de oren van de strijder van Christus bereikte, begon hij niet weinig te twijfelen of hij moest denken dat dit wellicht degene was wiens naam hij vroeger in het visioen had vernomen.

En zwijgend begon hij Christus te smeken dat Hij hem, die in onzekerheid verkeerde, spoedig zekerheid zou geven.

7. Toen intussen de vesperhymnen voltooid waren, nam hij enkele van de voornaamste broeders apart en sprak hen in het geheim met deze woorden aan: 'Ik bid u, heren en zeer geliefde vaders, verwaardig u mijn kleinheid te zeggen wie deze martelaar was, wiens naam, Eugenius, ik zojuist onder de andere heb horen noemen.'

Zij zagen de eenvoud en onschuld van de man en gaven hem eenstemmig dit antwoord: 'Weet u niet, eerbiedwaardige vader, dat hij bisschop was van de stad Toledo? Was hij niet een leerling van onze patroon, de heer Dionysius, en zijn gezel in het uitstrooien van het zaad van Gods woord onder de volkeren, die ook, na door wrede folteringen gepijnigd te zijn, triomferend zijn geest aan de hemel gaf, overgoten met de regen van zijn bloed?'

Toen de eerbiedwaardige man dit hoorde, kon hij de vreugde van zijn hart niet langer verbergen; hij opende hun zijn verlangen en vroeg hun dringend het aan geen sterveling te verraden. 'O zeer geliefde en aan God zeer toegewijde vaders,' zei hij, 'als het uw zoete liefde zou behagen de relieken van deze heilige aan mijn geringheid te schenken, geloof mij, dan zou ik uw liefde zonder uitstel een waardige tegengave teruggeven.'

Zij stonden daarover verbluft en zeiden: 'Hoe, man Gods, kan worden vervuld wat u vraagt? Want nauwelijks kan iemand alle wonderen vertellen die hij velen in deze provincie Gallië heeft geschonken; daarom beminnen allen Eugenius als een engel. Geloof onze broederschap: u heeft iets zeer moeilijks gevraagd.'

De man Gods antwoordde hun: 'Spreek toch niet zo, vaders, ik bid u, en neem mij niet zo snel het vertrouwen in deze zaak af. Is de hand van de Heer soms onmachtig? Is er voor Hem iets moeilijk? Waar de goddelijke wil is, daar is voorwaar geen moeilijkheid; en waar geen moeilijkheid is, volgt noodzakelijk de mogelijkheid.'

Toen zij zo'n wijsheid in zijn antwoorden zagen, openden zij hem hun welwillendheid met deze woorden: 'Welaan, man van de Heer, hoor in het kort, als het u belieft; neem een raad aan, als u uw wens wilt bereiken. Als de goddelijke liefde uw hart zou treffen, zodat u verlangde op deze plaats monnik te worden, dan zou God misschien aan uw verlangen voldoen, zodat u het lichaam van de zalige martelaar, waar u zo vurig om vraagt, zou kunnen verkrijgen. Dat is de kern van onze raad; overweeg zelf wat u te doen staat.'

Na deze woorden gaan de broeders naar hun verblijf, de heilige wordt naar de vooraf bereide herberg geleid.

8. Die nacht overwoog hij zeer dikwijls de troostende woorden die de broeders hem hadden ingegeven, en onder tranenrijke zuchten brak hij ten slotte tegen zichzelf uit in deze klacht: 'Wat doen wij, mijn ziel? Waarom beminnen wij zozeer het ijdele? Wat baat de roem van de wereld? Wat zal menselijke praal nuttig zijn? Is dit niet beuzelachtig en voorbijgaand? Verdwijnt het niet als rook en schaduw? Waarom blijft u in onzekerheid hangen? De wereld gaat voorbij en haar begeerte. Laten wij, bid ik, het blijvende zoeken en het voorbijgaande versmaden. Weerklinkt niet het woord van het evangelie: Wie niet afstand doet van alles wat hij bezit, kan mijn leerling niet zijn? Laten wij dus afstand doen, afstand doen van alles, om ons vrijer aan Christus te kunnen hechten.'

Terwijl de strijder van God onder tranen zulke klachten uitte, kleurde de dageraad de hemel purper en kondigde de dag aan, die hem dwong de reis voort te zetten. Toen alles naar wens verliep, keerde hij niet lang daarna terug naar de graaf die hem had uitgezonden.

Nadat hij hem het verslag van zijn opdrachten punt voor punt had uitgebracht, voegde hij, reeds met de geest het hemelse beschouwend, de woorden van zijn verlangen eraan toe: 'Ik bid u, doorluchtigste der mannen, die de Heer Jezus met vorstelijke eer verheven heeft, dat u zich verwaardigt een welwillend oor te lenen aan mijn verzoek. Lang genoeg heb ik onder u de wereldlijke krijgsdienst verricht; nu vraagt de tijd dat ik anders begin te leven. Ik heb dus verkozen voortaan, met het monnikskleed bekleed, te wonen in het huis van mijn God, om, bevrijd van alle wereldse zorg, de Heer alleen te kunnen dienen. Verzet u, bid ik, niet tegen mijn voornemen, opdat u, als ik in het klooster iets goeds zal doen, onder Christus' leiding mag verdienen daaraan deel te hebben.'

Daarop sprak de graaf, terwijl de tranen hem in de ogen sprongen, snikkend: 'Wilt u soms, dierbaarste van mijn vrienden, uw eensgezinde vriend verlaten? Wat heeft uw liefde in mij mishaagd? Ach, ik steunde op u, ik vond rust in de vrede van uw eensgezindheid; maar, zoals ik vermoed en zoals het gezag van het evangelie ons leert, het zwaard van de Heer wil ons van elkaar scheiden. Als ik niet geloofde dat dit van God kwam, wie zou u dan, al was het een honderdhandige reus, uit mijn omarming kunnen rukken? Maar nu, aangezien dit u door God is ingegeven, en om niet lichtvaardig uw beden te lijken te versmaden: de wil van de Heer en uw verzoek geschiede.'

Toen drukte hij zoete kussen op de broederlijke lippen en sprak uit zijn bedroefd hart deze woorden: 'Deel van mijn ziel, gedenk ons en vaarwel!' En zwaar zuchtend liet hij de meezuchtende gaan.

9. De man van de Heer vertrok vandaar en begaf zich langs de rechte weg naar de bisschop van Tongeren, Stephanus genaamd, om van hem, die na de hoogste Herder zijn herder was, hierover toestemming en raad te ontvangen. Hij geloofde immers dat het hem zeer tot voordeel zou strekken als hij met de bisschoppelijke zegen als een levend offer aan God mocht worden aangeboden.

De bisschop ontving hem met de eerbied die hem toekwam, hetzij om hun onderlinge verwantschap, hetzij om zijn heiligheid, die hij zeer goed kende. Onder de stichtelijke gesprekken die zij met elkaar voerden, deelde Gerardus hem nederig mee waarom hij gekomen was.

Maar de eerbiedwaardige bisschop, die zeer onderlegd was in de Schriften en zeer welsprekend, begon hem met veel vermaningen te waarschuwen: 'Mijn zeer geliefde zoon, die ik met innige liefde bemin, ik zal uw toewijding niet in de steek laten; maar u moet er uiterst voor oppassen niet de vermetelheid te hebben een last op uw schouder te leggen die u later, of u wilt of niet, met schande zou moeten neerleggen. Het voornemen dat u in uw hart heeft, is zeker zeer lofwaardig, maar ook voor volmaaktere mannen is het ontzagwekkend. Zijn u de listen van de duizendvormige Satan soms onbekend? Wat een clericus, gewapend met het schild van de goddelijke Schrift, nauwelijks vermag, hoe zal een leek, van zo'n bescherming ontbloot, dat volbrengen?'

Daarop antwoordde de jonge rekruut van Christus met weinig woorden: 'Juist dat, mijn vader, heb ik dikwijls bij mezelf overwogen, en ik vertrouw in geen enkel opzicht op mijn eigen krachten; maar ik vertrouw liever mijn ziel en lichaam aan de Heer toe en versmaad de kleine roem van de wereld met al haar genoegens.'

Opnieuw sprak de heer bisschop: 'Aangezien ik zie, mijn zeer dierbare zoon, dat u in dit voornemen vast en onwrikbaar bent, en om niet te lijken af te raden wat ik u veeleer zou moeten aanraden: wat u de Heer beloofd heeft, volbreng het. Want het is beter geen gelofte af te leggen dan een gelofte niet te volbrengen.'

En hij sprak hem vrij van alle zonden, tekende hem met het teken van de hoogste Drie-eenheid, gaf hem de vredeskus en stortte ook deze zegenbede over hem uit:

'Jezus, hoogste heil van de mensen, die hun daden aanschouwt, voor wie niets verborgen is, tot wie onze harten spreken, leid, bid ik, uw dienaar zegenend tot het goede, opdat hij uw geboden onderhoudt en U boven alles zoekt, en zo de beloning van de eeuwige palm verkrijgt.'

Zo verrijkt met zo'n reisgeld nam de man Gods vol geestelijke vreugde afscheid van de heer bisschop.

Haastig keerde hij naar Parijs terug, bezocht opnieuw de zalige drempels van de heilige Dionysius, en nadat hij beproefd was in alle geduld, nederigheid en boetvaardigheid, zoals de heilzame Regel van vader Benedictus leert, legde hij zijn baard en zijn hoofdhaar af en verkreeg eindelijk het monnikskleed, waarbij hij aan diezelfde plaats schonk wat hem in het rijk van Lotharingen in eigendom toebehoorde.

[[/INKLAP]]

[[INKLAP]] Hoofdstuk II — Priester gewijd; de relieken van Eugenius naar Brogne (§ 10–22)

10. Omdat hij niet in ledigheid wilde verslappen (ledigheid is immers de vijand van de ziel), begon hij smekend te vragen dat hij de letters mocht leren. De broeders verwonderden zich er zeer over dat een man die al lang een baard droeg, zich nog wilde toeleggen op de studie van kinderlessen.

Maar omdat hij er dag na dag dringend om vroeg, werd hij aan een van hen toevertrouwd om onderricht te worden. En opdat u zijn nederigheid en vlijt nog meer zou bewonderen: letter voor letter doorliep hij de eerste beginselen, als een jongetje van vijf jaar, en zonder zijn voornemen ook maar iets te laten verslappen, prentte hij in weinige dagen het hele psalter in zijn geheugen.

Geen wonder: er is geen traagheid in het leren, waar de genade van de Heilige Geest de lerares is.

Daarna werden hem de heilige boeken voorgelegd, en hij dronk zich overvloedig aan de goddelijke leer. Zoals de bloemen plukkende bij over de wijde weiden vliegt om met zoetvloeiende nectar honing te bereiden, zo ook ving hij, als ijverige volgeling van God, bij het lezen van de geschriften van de leraars de honingraten van het goddelijke woord uit hun honingzoete leer op en bewaarde de heilige geboden verstandig in zijn hart.

Intussen verslapte hij in geen enkele lauwheid in de gehoorzaamheid aan de Regel, maar in alles wat hij deed, verheugde hij zich haar als lerares te hebben.

11. Toen de prior en de broeders dit in stilte aanschouwden en begrepen hoe voortreffelijk en hoe groot hij was, wilden zij niet dat de lamp onder de schaduw van de korenmaat verborgen bleef, en zij oordeelden hem geschikt om tot de heilige wijdingen bevorderd te worden.

Langs die weg geleidelijk opgeklommen, zoals ons verhaal nu uiteenzet, verdiende hij ook de eer van het priesterschap te bereiken, hij die met het sieraad van alle deugd getooid was.

Hoewel hij liever weerstand bood en zich onder allerlei verontschuldigingen luidop onwaardig verklaarde, werd hij toch door de broeders en de prior overtuigd en gedwongen hun bevelen te volgen, om niet de gehoorzaamheid te lijken te verzaken, die de gezellin van de andere deugden pleegt te zijn.

In het tweede jaar van zijn bekering werd hij dus te Parijs tot acoliet gewijd door de bisschop van die stad, Theodulfus. Door dezelfde werd hij in het volgende, derde jaar tot subdiaken gewijd. Onder zijn opvolger Fulradus klom hij in het vierde jaar op tot de graad van diaken.

In het negende jaar werd hij, verheven tot de top van de deugden, ook tot het priesterschap verheven door Adelhelmus, de opvolger van Fulradus.

Zo'n genadegave schenkt U, goede Christus, aan uw getrouwen, U die het verstand van de onwetende wijs weet te maken. Zie, de ongeletterde leek, onderricht in de goddelijke leer, wordt verheerlijkt bevonden met de heilige wijdingen.

12. In die tijd bloeide in datzelfde klooster een godvruchtige gemeenschap van monniken, van wie vele getuigenissen van deugd aantoonden dat hun leven naar het hemelse smachtte. Onder hen was hij in rang als laatste gekomen, maar hij streefde ernaar in alle goedheid de eerste te worden.

De ouderen kwam hij voor in eerbetoon, de jongeren koesterde hij met liefde. Zijn lichaam kastijdde hij met vasten, dikwijls bracht hij de nacht in gebed door.

Hij achtte zich minder dan allen, toonde zich in alles een dienaar van God, hield zich aan de maatstaf van het kloosterleven en vreesde af te wijken van de rechtheid van de Regel. Wat hij door zijn kleed voorgaf, onderhield hij door zijn zeden en zijn leven.

In zijn kleding was eenvoud, in zijn voedsel soberheid. Bereid tot gehoorzaamheid, geduldig bij onrecht, zorgde hij ervoor zijn lichaam op aarde te vernederen, opdat zijn ziel mocht verdienen in de hemel verheven te worden.

Hoeveel nederigheid hij tegenover zijn oversten toonde, hoeveel goedheid hij tegenover allen bewaarde, wie kan het met woorden uitdrukken, wie met de pen vatten?

Getooid met deze en dergelijke bloemen van deugden, was hij zowel de kleinen als de groten van harte dierbaar. Zo kwam er onder de broeders een gemeenschappelijk besluit dat niets van belang binnen het klooster zonder zijn raad zou gebeuren.

13. Toen hij meende dat de geschikte tijd voor zijn verzoek gekomen was, waarin hij hoopte het eerbiedwaardige stoffelijk overschot van de genoemde martelaar te verkrijgen, riep hij de gemeenschap van de monniken bijeen. Hij begon hen met deze zeer zoete toespraak voor zich te winnen:

'O vaders en heren, voortreffelijke beoefenaars van de goddelijke godsvrucht, die als senatoren van de hemel samenwoont in het hof van een aards paradijs. Welke dank zou ik uw eensgezindheid in Christus kunnen betuigen, die mij, zondaar en schipbreukeling onder de golven van de stormachtige wereld, heeft willen opnemen in de rustige haven van uw klooster?

Daartoe heb ik werkelijk geen enkele mogelijkheid, en elk vermogen ontbreekt mij. Maar wat de menselijke zwakheid minder vermag, kan de mild gevende Godheid overvloedig aanvullen.

Waar de aanloop van onze woorden heen wil, moge de zeer zoete liefde van uw eensgezindheid, zo vraag ik, in het kort vernemen. Toen ik nog in een wereldlijke staat leefde en erg door wereldse zorgen in beslag genomen was, verscheen mij in de slaap een goddelijk visioen (zo waar de Heer leeft).

Dit visioen vermaande mij om snel een bedehuis op te richten op mijn bescheiden bezitting, ter ere van de vorst van de apostelen en in de naam van zijn geestelijke zoon, de martelaar Eugenius.

Met Gods hulp heb ik dat in korte tijd voltooid. Ik heb het, zo goed als ik kon, toevertrouwd aan de dienst van geestelijken, voor wier voedsel en kleding ik heb gezorgd.

Omdat mij over deze martelaar zulke godsspraken bekend zijn geworden, smeek ik u nederig dat de mildheid van uw vaderschap hem aan mijn kinderlijkheid toestaat. Dit vraag ik des te meer omdat uw kerk alleen al zoveel lichten van heiligen bevat dat heel Francië er voldoende door verlicht wordt.

Moge de arme basiliek van dat plaatsje met zo'n schat verrijkt worden, en moge u daarvoor de genade van de hemelse zegen en de glorie van de zalige eeuwigheid worden vergolden.'

14. Daarop gaven de broeders eenstemmig dit antwoord; want door de goddelijke ingeving geraakt, konden zij niet weigeren wat de man Gods vroeg:

'O Eugenius, stralendste parel van de martelaren, wie zou uw lof waardig kunnen verheffen?

Schittert niet heel Gallië door uw wonderkrachten? Niemand vraagt uw hulp zonder haar te verkrijgen, want u weet zelf alle kwalen te genezen.'

Daarna zeiden zij tot de man Gods: 'Groots is werkelijk wat u vraagt, zeer geliefde vader, en het zou aan ieder ander dan u met het volste recht geweigerd kunnen worden.

Maar omdat het, zoals u zegt, de wil van de Heer is, en de navolgenswaardige wandel van uw leven onder ons het ten volle verdiend heeft, stemmen wij met alle welwillendheid en bereidheid in met uw zeer toegewijde smeekbede.

Al het onze is immers en moet gemeenschappelijk zijn voor allen, en des te meer met uw broederschap, wier hele bezit onze kerk bezit. Daarom geven wij van harte hem om wie u vraagt, en van de andere heiligen weigeren wij u geen relieken.'

Wat de man Gods bij het horen hiervan in zijn hart en gemoed voelde, kan ieder van ons met een gelijk gevoel bij zichzelf afmeten. Maar waarom maken wij de loop van onze woorden zo lang?

Ten slotte werd de heilbrengende schrijn van de zeer begeerde martelaar getoond, die zijn ledematen bevatte, kostbaarder dan zuiver goud. Zij werden eervol, zoals het past, in goudsmeedwerk gevat en aan de man Gods overhandigd om ze, zoals hij lang had verlangd, naar zijn eigen plaats mee te nemen.

15. Vraagt u soms van ons de namen van de monniken die daar toen een ambt bekleedden, als getuigen van de waarheid, terwijl het waarheidsgetrouwe verslag van de overbrenging van de martelaar zelf hen man voor man noemt?

Het is bekend dat hij van daar niet alleen het lichaam van deze heilige meebracht, maar ook de relieken van vele heiligen, die hij van overal had verzameld en zorgvuldig had bewaard.

Wat zou er ook te vertellen zijn (wat voor ongelovigen nauwelijks geloofwaardig lijkt) over een van de Onnozele Kinderen, die met zijn leeftijdgenoten als een zeer tere bloem werd afgemaaid onder de zeer wrede koning Herodes? Deze rust, door deze zelfde beheerder daarheen gebracht, met volle zekerheid in het heiligdom van de basiliek van Brogne.

Wie hierover twijfelt, vrage het aan abt Lietaldus, de opvolger van deze man Gods in het klooster van Mouzon. Hij was erbij toen zoveel relieken in het geheim werden geborgen, en placht zich erover te verwonderen dat de engte van het plaatsje Brogne zo'n wonderbare heiligheid bevatte.

De broeders namen dus afscheid en lieten hem met de zijnen in vrede gaan. Hij vertrok in het geheim, namelijk uit vrees voor de inwoners, opdat zij niet zouden merken dat hun zo'n schat werd ontnomen.

Na een voorspoedige reis kwam hij aan bij het stadje in het gebied van Lomme dat Cuvinium [Couvin] heet. Daar woonden twee monniken uit het klooster van Sint-Germanus, waartoe het domein van dat stadje toen behoorde. Eensgezind hielden zij met onvermoeibare zorg de wacht bij de heilige abt Venantius.

Aan hun beproefde trouw vertrouwde hij de relieken van de heilige toe, want zij waren hem al lang in vriendschap verbonden. En hij achtte het passend de bisschop, de heer Stephanus, die wij al noemden, op te zoeken. Hij wilde namelijk, aangezien hij zo'n parel naar zijn bisdom bracht, over zo'n zaak zijn goedkeurend oordeel horen.

Zo pleegt Christus zijn beschermelingen te sieren: deze versmaadde de rijkdom en volgde zijn geboden, en keert met deze koopwaar, waardoor zijn vaderland straalt, naar huis terug.

16. Nadat de man Gods daar vertrokken was en het lichaam van de zalige martelaar er had achtergelaten, lijkt het niet passend met zwijgen te bedekken wat de Heer tot lof van zijn naam door hem wilde werken.

Een van de genoemde broeders had zich op een nacht meer dan gewoonlijk aan de drank overgegeven. Hij kwam wat te laat voor de nachtelijke lofzangen, overmand door de drank en bezwaard door een te zware slaap.

De heilige Venantius verscheen hem en berispte hem met een streng gelaat, met woorden en met slagen: 'Wat,' zei hij, 'ligt u nu te snurken, schaamteloze monnik? Waarom talmt u om de hymnen te zingen die u aan God verschuldigd bent? Waarom bent u door de slaap overmand, Werembertus?' (zo heette hij immers).

'Zie, uw broeder Ermarus, die al lang voor de nachtwaken gewekt is, klaagt over uw slaperigheid. En als de eerbied voor ons u niet zozeer raakt, waarom beweegt u dan tenminste niet de tegenwoordigheid van de verheven martelaar Eugenius, die aan u is toevertrouwd?

Kent u zijn verdiensten soms niet? Stralen zij niet onder de lichtende scharen van de heiligen als de zon onder de kleinere sterren? Sta op, zeg ik, sta zo snel mogelijk op, en haast u in te halen, zij het laat, wat u vroeger had moeten doen.'

Die berisping bracht hem zozeer tot inkeer dat hij daarna zelfs geen ogenblik meer van de dienst aan de martelaar week, behalve om in menselijke behoeften te voorzien, totdat diens trouwe schuldeiser het trouwe onderpand terugvroeg. En opdat geen ongelovige dit misschien voor verzonnen houdt: het is bekend dat het verteld werd door hem die het zelf onderging.

17. Toen de man van de Heer aan de heer bisschop verslag had gedaan van de komst en de naam van de voortreffelijke martelaar, sprak deze, blij van gemoed en scherpzinnig van geest als hij was, onmiddellijk deze woorden, met een woordspeling op diens heilige naam:

'Moge Eugenius voor ons verkrijgen, bid ik, het zalige "Euge", dat de Heer verwaardigt te zeggen tot de waardige dienaar, wanneer Hij hem de vreugden van het hemelse rijk schenkt.'

Daarna hief hij zijn vrome handen op, richtte zijn ogen naar de hemel en zegende God, dankzeggend met deze woorden:

'Lof en eer, sieraad en luister zij U, Christus, Verlosser, die uw onwaardige dienaren goed vele goede dingen vergeldt. Welke veelvoudige dank zou ik U kunnen brengen, die onze streken met zo'n grote gave begiftigt? Deze voortreffelijke martelaar, naar onze grenzen gezonden, brengt, zo geloof ik, aan allen de gaven van het heil.'

En zich tot de man Gods wendend, zei hij: 'Waarom stelt u het uit, zeer geliefde zoon?

Verbreek elk uitstel en talm, bid ik, geenszins, totdat u volbrengt wat u met heel uw hart begeert.

Zie, van ons gaat een bevel uit door heel de omgeving van uw grenzen, dat een schare van beide geslachten zich verzamelt en om het hardst hem tegemoet snelt. Zo kunnen zij de grote Eugenius met een groot "Euge" binnenleiden in de tent die God hem door de dienst van uw toewijding bereid heeft.'

18. Door dit welwillende antwoord zeer gesterkt en door het bisschoppelijk gezag krachtig gesteund, keerde de man Gods spoedig naar Cuvinium terug. Hij haalde het onderpand van de zeer begeerde martelaar weer op, voerde het vandaar weg en ging langs de rechte weg op Brogne af.

Wie, vraag ik, zou kunnen vertellen van de menigte van het volk die de reeds bekende faam van de martelaar, heen en weer vliegend, naar zich toe trok? Zij liet niemand op zijn plaats blijven:

Velen dreef zij aan, velen spoorde zij aan zich te haasten: de kromgebogen spitter kwam, en de vermoeide ploeger, de ossenhoeder wilde hem zien, en de zwijnenhoeder, slaaf en vrije vlogen er door elkaar heen.

Want wie hoorde van de doortocht van de martelaar en bleef onverschillig en lui thuis zitten?

De wijde velden konden de vreugde van de volkeren nauwelijks bevatten; zij brachten gaven, groetten met vrome stem, drukten kussen op het glanzende metaal, heel het volk zong zoet de lofzangen.

Zij verhieven hun stemmen tot de sterren en loofden de grote daden van God. U had kunnen zien hoe die tocht zonder moeite werd afgelegd, met grote opgewektheid van geest, met het blijde gejubel van verheugden; u zou gedacht hebben dat de hemel toelachte met de liefelijkste zuiverheid van de lucht.

Toen Adelhelmus, toen aartsdiaken, een man zeer wijs door de adel van zijn zeden, dit vernam (dit gebeurde immers binnen zijn aartsdiakonaat), nam hij de rangen van de geestelijken met zich mee. Zij droegen passend de vaandels van het kruis en de relieken van de heiligen voor zich uit. Hij verzamelde ook een niet geringe schare van beide geslachten, en ging hem vanuit het klooster van de heilige Foillanus [Fosses] haastig tegemoet.

Zodra de lijkbaar van de zalige martelaar dichtbij te voorschijn kwam, wierp de zeer nederige aartsdiaken zich met de zijnen driemaal ter aarde. Neergeworpen sloeg ieder zich op de borst; zich slaande beleden zij de begane zonden; belijdende slaakten zij betraande zuchten; zuchtende vroegen zij passende geneesmiddelen; vragende beloofden zij God offers van boete.

En getroffen door geestelijke vreugde zei de aartsdiaken: 'Laten wij allen God op alle wijzen danken, want de opgaande zon uit de hoogte heeft ons bezocht. Ons, die bevuild waren door de duistere wolk van de ondeugden, heeft Hij om niet verlicht met het heldere licht van zo'n grote patroon.'

Hoezeer de jubel opbruiste toen beide volken samenkwamen, welke schrijver zou het in geschrift kunnen vatten? Van overgrote blijdschap waren de ogen van velen vochtig van zoete tranen.

Want wie had een zo wilde geest, wie een zo stenen hart, dat hij bij dit schouwspel geen vrome ontroering voelde? Zij verheugden zich de heilzame last over te nemen, verheugden zich hem aan te raken, verheugden zich hem samen te dragen, verheugden zich hem te begiftigen, verheugden zich hem te vereren.

Zij zongen opgewekt psalmen, overal weerklonken de stemmen, allen riepen met luide stem Kyrie eleison; zij zongen Gloria in excelsis Deo, lieten Te Deum laudamus weerklinken.

Men kon daar niets anders vinden dan de lof van de Heer. De burcht van de hemel weergalmde van de samenzang, de aarde weerkaatste hem, de bergtoppen, de holle dalen en de dichte wouden gaven het gezang in echo terug. Denkt u dat er ooit ergens een blijder licht heeft gestraald?

Met zo'n gejubel en zo'n vreugdedans werd hij toen op de schouder van de aartsdiaken naar Brogne gebracht. Zij plaatsten hem waardig op de troon in het bedehuis van de vorst van de apostelen, de plaats die God hem bestemd had, eerden hem opnieuw ter plekke met offergaven, en beloofden in de toekomst zeer graag zijn bescherming te zullen zoeken.

Deze zo blijde overbrenging vond plaats op het feest van de zalige martelaar Agapitus, dat is op de achttiende dag van de maand augustus. En bij besluit van de hele clerus en het volk werd uitgeroepen dat zij elk jaar met de plechtigste eredienst herdacht zou worden.

19. Toen dit zo vervuld was, keerde ieder met vreugde en in rustige vrede naar huis terug. Wie dus met ongeveinsd geloof de voorspraak van deze heilige vraagt, ondervindt ze zonder enig uitstel zeer bereidwillig; temeer daar heel de omgeving met volle zekerheid belijdt dat haar sinds de zeer blijde dag van zijn overbrenging veel ongewone hulp is toegekomen.

En zoals hij eertijds in Francië weldadig was door vele wondertekenen, zoals het wonderverhaal van zijn daden vertelt, zo schenkt hij ook nu in Lotharingen mild en veelvuldig de weldaden van zijn wonderkrachten.

Toen de faam van de martelaar zich dus wijd en zijd verbreidde en de tekenen van zijn wonderkrachten bekendmaakte, begon het volk in grote menigte van overal naar zijn gedachtenisplaats te stromen, zoals bijen naar de korven, en ieder bracht naar vermogen met grote toewijding offergaven mee.

Men kwam tegemoet en liep samen van ver en van dichtbij; overvloedig werden votiefgaven verzameld voor de zeer milde martelaar Eugenius, die altijd klaarstaat om de verdrukten te helpen die hem aanroepen.

Velen komen bedroefd om de begane misdaden, maar door de gebeden van de heilige keren zij blij naar huis terug.

20. De vijand van het menselijk geslacht, die de bewoner van het paradijs uit de eeuwige woningen verdreef, zag dit met ongeduld aan. Hij goot door de harten van enkele geestelijken uit de omgeving (als men dat zo mag zeggen) het gif van de afgunst uit, zodat zij op alle manieren probeerden de zo eervolle verering van de zalige martelaar te verduisteren.

O schande! Zij gingen dus naar de genoemde bisschop, die toen toevallig te Fosses verbleef, en spuwden bij hem met klagende woorden de stank van hun kwaadwilligheid uit.

'Is het, zeer waakzame herder,' zeiden zij, 'met uw gezag en naar uw wil dat een of andere vreemde heilige onder het gebied van uw bisdom verering ontvangt, terwijl de waarheid van de zaak onzeker is?

Zie, onlangs is uit het land van de Franken een of andere martelaar Eugenius aangevoerd, die te Brogne vereerd wordt en aan wie iedereen met kaarsen en andere offergaven zoveel eerbied bewijst, alsof men hem voor een van de apostelen hield.

Waar is de tekst van zijn martelaarschap? Waar is het geschrift met zijn daden? Het past zeker uw wijsheid grondig te onderzoeken en na te gaan of die Eugenius van God is of niet.' Door zulke en dergelijke dingen de bisschop bedrieglijk in te fluisteren, probeerden zij hem op alle manieren tegen de martelaar op te zetten.

Nu moet de heer bisschop even door ons worden aangesproken. 'Hoor, zeg ik, bisschop; ik, de schrijver van dit blad, spreek u stil in het oor. U moet zich zorgvuldiger hoeden en nauwkeuriger toezien dat geen van de benijders met zijn kwaadaardige woorden uw geest in het net lokt.

Waarom meent u de afgunst te sussen, met verzaking van de deugd?

De afgunst is verrotting van het gebeente, zoals de woorden van Salomo aangeven. Ook een heiden zegt in zijn spreuken:

De benijder vermagert bij de vette bezittingen van een ander.

U zult slagen krijgen, geloof mij, zeer harde slagen, als u het bedrog van de benijders gelooft. Geef er niet aan toe, bid ik, geef er niet aan toe, opdat het u later niet met een late spijt berouwt.'

Wat zal ik meer zeggen? Zoals de bazuin van de apostolische stem uitroept: 'Slechte gesprekken bederven goede zeden.'

Terwijl de bisschop meer dan billijk naar de leugens van de kwaadwilligen luisterde, verdween volledig uit zijn geheugen de vreugde die hij eerder over de komst van de martelaar had gehad. Besmet dus met de puist van dit gif, begaf hij zich op weg naar Luik, met het verlangen de eredienst van de luisterrijke martelaar teniet te doen.

In het dorp dat men Malonia [Malonne] noemt (daar was immers een verblijf voor hem gereedgemaakt) trof hem, niet met trage voet, de verdiende straf.

Want toen men daar aangekomen was en hij niets kwaads vermoedde, overviel hem plotseling zo'n pijn in de lendenen dat hij vreesde onmiddellijk de geest te geven. Hij werd dus door een zeer zware foltering gekweld en kon zelfs geen ogenblik rusten; daarom knarste hij als een waanzinnige met de tanden, wrong hij zijn handen en wierp hij benen en armen heen en weer.

Aan zijn gelaat, dat u nu eens rood, dan weer bleek, dan weer zwart had kunnen zien worden, kon men zien aan welke ziekte hij leed. Ten slotte kwam hij tot inkeer, erkende de begane schuld en begon zichzelf met deze klachten te verwijten:

'Ach, ongelukkige Stephanus, welke gedachte heeft u omgekeerd? Ach, kleingelovige, waarom hebt u aan de martelaar getwijfeld?

Terecht wordt u nu geslagen, terecht lijdt u dit, terecht sterft u nu. Waarom heeft u ingestemd met de bijtende woorden van de benijders? Waarom bent u het grote "Euge" van de martelaar Eugenius vergeten?' Zo beschuldigde hij zichzelf, zo gedroeg hij zich klagend.

21. De kapelaans die om hem heen stonden, baadden in tranen, en omdat zij hem wilden troosten, zeiden zij snikkend tot hem: 'Houd op, zeer geliefde vader, ons en uzelf met uw klachten te verteren; zoek liever door na te denken een geneesmiddel voor deze kwaal.'

Maar hij zei tot een van zijn getrouwen: 'Ik bid u, zeer geliefde broeder, als mijn heil u ter harte gaat en u mij in het vervolg gezond wilt terugvinden: maak haastig twee kaarsen naar de lengte en de breedte van mijn lichaam, en breng ze snel voor het herstel van mijn gezondheid naar de zalige martelaar Eugenius, tegen wie ik uit het diepst van mijn hart belijd in die schuld gezondigd te hebben.

Als ik door zijn verdiensten aan het doodsgevaar ontkom, beloof, verzeker en zweer ik waarachtig dat ik de ontvangen weldaad niet zal vergeten.'

Die ander, ijverig om de bevelen van zijn meester te gehoorzamen, zoals de oorzaak van de hevige pijn vereiste, besteeg een snel paard en vloog, om zo te zeggen, naar Brogne.

Hij ging het bedehuis van de heilige binnen, droeg de kaarsen, en dragend verlangde hij ze aan de martelaar aan te bieden; aangeboden probeerde hij ze aan te steken; aangestoken zette hij ze snikkend in de vorm van een kruis voor zijn graf neer.

Een wonderlijk ding voorwaar, waard om te zien en te vertellen! Toen het licht ten einde brandde, keerde de verhoopte gezondheid op staande voet terug bij de zieke bisschop.

22. Hersteld in zijn vroegere gezondheid en geenszins ondankbaar voor de weldaad van de heilbrengende martelaar, besloot hij hem een welgevallige gift te schenken, die zijn gedachtenis voor altijd levend zou houden.

Hij riep namelijk de koster van de kerk van Brogne, Anselmus genaamd, als wij het ons goed herinneren, en droeg hem op met de Passio van de martelaar voor hem te Luik te verschijnen, opdat die op de algemene synode, die in de eerstvolgende zitting zou plaatsvinden, door het bisschoppelijk gezag bekrachtigd zou worden.

Toen die dit met blijdschap had gedaan en de Passio in de voltallige synode was voorgelezen en allen die aanwezig waren behaagde, werd met gemeenschappelijke raad van de hele clerus besloten dat de martelaar met waardige eerbied vereerd zou worden en dat zijn Passio voortaan als geldig en aanvaardbaar in de kerk gelezen zou worden.

En de bisschop sprak als een betrouwbare getuige en schaamde zich niet om aan allen bekend te maken wat hem overkomen was, ja wat hij had moeten lijden.

Hij voegde er ook aan toe: 'Zie, zeer dierbare broeders, uw broederlijke liefde heeft gehoord hoe groot en hoedanig de verdienste van deze heilige is, hoe verschrikkelijk het is zijn toorn op te lopen, en hoe heilzaam en begeerlijk het is zijn gunst te verwerven.

En omdat hij mij met een vaderlijke roede tuchtigend getuchtigd heeft, maar mij in zijn goedheid niet aan de dood heeft overgeleverd, lijkt het zeker betamelijk en eervol dat wij hem met uw instemming en goedkeuring met een zekere gift eren, opdat hij zich verwaardigt bij de goedheid van de goddelijke barmhartigheid voor onze misstappen te bemiddelen.'

Toen allen zijn voorstel eenstemmig goedkeurden, vervolgde de heer bisschop: 'Bij bisschoppelijk besluit wordt vastgesteld, en de heilige synode stemt ermee in en beslist het, dat in heel het dekenaat waarin hij rust zijn feest als een zondag wordt gevierd, en dat de kerk van Brogne voortaan vrij is van elke heffing die aan de bisschoppen van Luik verschuldigd is.

En opdat dit te allen tijde geldig en onaantastbaar blijft en geen van mijn opvolgers het waagt het te schenden of te verzwakken: laat wie het vraagt horen wat mij overkwam toen ik onwetend tegen hem achteruitsloeg; laat hij het horend vrezen, vrezend zich hoeden, en zich hoedend dit ongeschonden bewaren.'

De eerste zorg om zo'n besluit met eeuwigdurend recht te bewaren werd, zo zegt men, toevertrouwd aan broeder Flodinus, die toen daar deken was.

[[/INKLAP]]

[[INKLAP]] Hoofdstuk III — Sint-Ghislain hervormd; het lichaam van Gislenus teruggevonden (§ 23–34)

23. De man van de Heer, Gerardus, streefde van het goede naar het betere en wilde het heiligdom van Brogne in alles vooruithelpen. Daarom verwijderde hij de levenswijze van de geestelijken, die hij daar eerst had gevestigd, en stelde er de godsvrucht van de monnikenorde voor in de plaats.

Nadat hij enige tijd als zeer krachtige herder aan hun hoofd had gestaan en de onrust van het volk dat daarheen stroomde niet kon verdragen, en ook niet hoopte van de bisschop, tot wiens bisdom Brogne behoorde, verlof te krijgen om te vertrekken, koos hij oversten uit om zijn lasten met hen te delen, zoals de Regel van de heer Benedictus, de Regel van de onderscheiding, beveelt, en trok hij zich alleen terug in een meer afgelegen cel naast de kerk, om zich daar in het bijzonder aan de goddelijke beschouwing te kunnen wijden.

Hoe hij hier leefde, wie zou het kunnen zeggen? Hij werd een offer al stervend, en ook een levend slachtoffer: een levend slachtoffer voor God, voorwaar dood voor de wereld.

24. In deze tijd voerde hertog Giselbert het hertogelijk bewind over Lotharingen, een man van grote eer en macht, als hij tenminste de godsspraak van de psalmist had leren begrijpen: 'De mens, toen hij in ere was, begreep het niet.'

Hij was namelijk de schoonzoon van de zeer vermaarde koning Hendrik en was gehuwd met de zus van Otto, de later zeer beroemde keizer.

[[INKLAP]] Uitweiding over koning Hendrik, keizer Otto en het einde van hertog Giselbert (§ 24–27)

Omdat de vermelding van zulke grote mannen, vader en zoon, zich in de bladen van ons verhaal aandient, loont het de moeite (al lijken wij van ons onderwerp af te dwalen) kort iets over hen te zeggen. Zo kan wie het wil weten zonder enige twijfel herkennen wie en hoe zij waren, want wij kennen er anderen die dezelfde naam droegen.

Deze Hendrik, zeg ik, niet minder met wijsheid dan met dapperheid gekroond, was, zoals wij in de kroniek lezen, de zoon van een zekere Otto, zeer machtig hertog van de Saksen. Hij verkreeg de koninklijke scepter en heerste, als zeer bedreven in elke krijgsoefening, met grote kracht over vele volken, die wij zouden kunnen opsommen.

25. Maar laten wij, om van de vele dingen die hij wijs en dapper deed te zwijgen, iets groots en luisterrijks naar voren brengen, waarmee hij heel het rijk van Austrasië dat hij bestuurde gelukkig maakte. Dit is iets wat van geen van zijn voorgangers verteld wordt, zelfs niet van hem die bijna de hele wereld onderwierp, Karel de Grote.

Hij verkreeg namelijk de lans van Constantijn de Grote, de zoon van koningin Helena, de vindster, zoals men leest en gelooft, van het heilbrengende hout. Zij was, wonderlijk om te zeggen, versierd met de nagels die aan het lichaam van de Heer waren vastgeslagen, in de vorm van een kruis.

Hoe wijs hij verdiende haar te verkrijgen en met hoeveel zorg van eerbied hij haar trachtte te vereren, toont de heldere tekst van een zekere kroniekschrijver, die wij ter stichting in onze beschrijving hebben willen invoegen:

'Koning Hendrik, godvrezend en minnaar van de kerkelijke godsvrucht als hij was, hoorde dat Rudolf, koning van de Bourgondiërs, zo'n onschatbare hemelse gave bezat, die Rudolf zelf als hoogste vriendschapsgeschenk van een zekere graaf Samson had ontvangen.

Hij zond boden en probeerde of hij haar met enige beloningen kon verwerven en zich zo tegen zichtbare en onzichtbare vijanden de meest onoverwinnelijke wapens en een eeuwige triomf kon bereiden.

Toen koning Rudolf verklaarde dat hij dat nooit zou doen, trachtte koning Hendrik, omdat hij hem met geschenken niet kon vermurwen, hem met alle middelen door schrikwekkende bedreigingen aan te zetten. Hij beloofde namelijk heel zijn rijk met moord en brand te verwoesten.

Maar omdat wat gevraagd werd de gave was waarmee God het aardse en het hemelse, beide verzoenend, verbonden had, vermurwde Hij ten slotte het hart van koning Rudolf, en hij schonk de rechtvaardige koning, die rechtvaardig het rechtvaardige vroeg, zo'n grote gave.

Met hoeveel liefde koning Hendrik deze onschatbare gave beminde, toonde hij zeer duidelijk hierin, dat hij Rudolf niet alleen met geschenken van goud en zilver eerde, maar hem ook een niet gering deel van de provincie van de Zwaben schonk.

God echter, die het hart doorziet en de goede wil vergeldt, heeft met welk loon Hij de vrome koning Hendrik hiervoor in de eeuwigheid begiftigd heeft, ook in deze tijd met sommige tekenen getoond, doordat hij met dit zegebrengende teken voorop de vijanden die tegen hem opstonden steeds verschrikte en op de vlucht joeg.'

Bij zo'n gelegenheid dus, of liever met de gunst van Gods wil, verdiende koning Hendrik het heilige zwaard te verkrijgen, dat hij bij zijn dood met het erfelijke rijk naliet aan zijn zoon, over wie wij nu spreken, en dat door hem met niet minder eerbied bewaard werd, zoals de vele overwinningen tonen die hij er biddend mee behaalde.

26. Hoe groot en voortreffelijk deze zeer luisterrijke Otto was, geeft dezelfde kroniekschrijver ons te kennen met deze zeer grote lof: 'Hij,' zegt hij, 'hij is Otto, de voortreffelijkste der vorsten, door wiens macht de noordelijke en westelijke delen van de wereld bestuurd worden, door wiens wijsheid zij bevredigd worden, door wiens godsvrucht zij zich verheugen en door de strengheid van wiens rechtvaardig oordeel zij in ontzag gehouden worden.'

Wat is voortreffelijker dan deze lof? Wat is duidelijker dan dit getuigenis?

Hij had ook een broer Hendrik, die weliswaar dezelfde naam droeg als zijn vader, maar in zeden ver van hem verschilde: op aansporing van verworpen mensen kwam hij trouweloos in opstand tegen zijn broer.

En om ook maar iets te vermelden van zijn andere broer, Bruno, hertog en aartsbisschop, wiens gedachtenis in zegen is: wie zou zijn deugden met een waardig verslag kunnen evenaren?

Onder zijn zeer schrandere zorg, die de onreine loten van de goddelozen met wortel en al afsneed, bloeide Lotharingen als een vruchtbare boom weer op in overvloed van vrede en gerechtigheid. Hij verklaarde dat hij onder zijn bescherming de gouden tijden van weleer had teruggebracht.

Een bewijs daarvan is Raginerus, de niet onbekende graaf van Henegouwen, bijgenaamd Langhals, die, omdat hij zijn medeprovincialen tiranniek kwelde en niet tot inkeer wilde komen, hoewel hij een eerste en een tweede keer vermaand werd, tot op heden in onbekende streken in ballingschap leeft, door toedoen van de tweehandige ijver van deze aartsbisschop.

27. Maar opdat een te lange tekst de lezer niet verveelt, moeten wij verder terugkeren naar het doel van ons verhaal. Het lijkt onze landgenoten immers voldoende bekend hoe deze Otto, de standvastigste der mannen, biddend neergeworpen voor het zegebrengende vaandel, met een kleine schare de talrijke ruiterij van zijn broer Hendrik, van de genoemde hertog Giselbert en van de zeer machtige graaf Everhard aan de overkant van de Rijnbedding op de vlucht joeg, terwijl zijn eigen soldaten nog niet aan deze kant van de Rijn waren overgezet.

Even welbekend is hoe dezelfde Giselbert en de Frank Everhard, nadat zij opnieuw de troepen van vele soldaten hadden verzameld en de provincie van de Saksen rondom verwoest hadden, met veel buit naar huis wilden terugkeren en bij de rivier zelf aankwamen. En daar kwamen zij met de hunnen om door een zeer klein leger van Otto, terwijl hij zelf in de streken van de Elzas de afloop afwachtte, of liever de goddelijke hulp afsmeekte.

En om de woorden van de kroniekschrijver te gebruiken: 'Everhard wordt met zwaarden gedood, Giselbert verdrinkt in de golven van de Rijn; en omdat zij hem door de menigte niet konden verzwelgen, bezweek hij toen de ziel hem verliet.'

Zo werd de godsspraak van de psalmdichter vervuld, die zegt: 'De mens, toen hij in ere was, begreep het niet.' Dit overkwam hen immers door hun eerzucht naar het koningschap.

Dit in het kort ingevoegde moge niemand overbodig lijken, maar eerder niet ongepast toegevoegd; niet alles is immers aan iedereen bekend. Laten wij ons nu aangorden om het begonnen verhaal uiteen te zetten.

[[/INKLAP]]

(§ 28–34 volgen het oudste bewaarde handschrift: Bergen, UMONS, cod. 27/221, Sint-Ghislain, 11e eeuw.)

28. Aan diezelfde hertog Giselbert verscheen, toen hij nog in zijn waardigheid stond, in de stilte van het holst van de nacht in een visioen de belijder van Christus Gislenus, die in het land van Henegouwen rust. Onder klachten en smeekbeden sprak hij hem als volgt aan:

'Slaapt u of waakt u? U bekommert zich te veel om de wereld. Giselbert, volbreng en luister naar mijn woord! Geef mij, hertog, zo smeek ik u, één schild, waarmee beschermd ik de slagen krachtig kan afweren die mijn vijanden mij onophoudelijk toebrengen.'

De held Giselbert antwoordde hem schertsend: 'Waartoe heeft u, heilige van God, een krijgsschild nodig? U bent altijd en overal gewapend met het schild van de goddelijke bescherming; daarom heeft u, meen ik, onze wapens niet nodig.'

De heilige sprak daarop en ontraadselde het duistere voor de twijfelaar: 'Opdat u niet in onzekerheid blijft door de verwarde omwegen van een dubbelzinnig woord: ik kan de smaad niet langer verdragen die de geestelijken van Ursidongus-Cella mij dagelijks aandoen.

In mijn klooster immers, dat Christus mij, de Griek, geschonken heeft, wordt geen enkele godsvrucht meer beoefend. Allen zoeken het hunne, maar wat aan God toebehoort achten zij niets waard.

Het stoffelijk overschot van mijn lichaam dragen zij heen en weer door het land, om door de milddadigheid van de gelovigen de honger van hun bedelarij te stillen. Zij houden niet op mij te tergen, zij laten mij niet rusten. Kort gezegd:

nergens is er eerbied voor ons.

En omdat het bestuur van Lotharingen in uw handen ligt, bezweer ik u, vraag ik u, smeek ik u in de naam van Christus: stel het niet uit om voor mij een geschikte herder te zoeken, onder wiens veilige leiding ik een klein beetje rust kan genieten. Hoe u dat kunt volbrengen, verneem nu onze gedachte.

Er is een dorp in de gouw van Lomme, dat Brogne heet; daar woont een zekere Gerardus, waarlijk een dienaar van de Heer, die een beschouwend leven leidt in een nauwe cel naast de ingang van het klooster. Neem hem dus voor mij aan en vertrouw hem de zorg voor mijn klooster toe, want niemand lijkt mij in deze streek geschikter voor zo'n taak.'

Toen dit zo gezegd was, verdween hij uit zijn ogen.

Om nu de oorzaken van deze klacht uit te leggen en duidelijk te tonen waarom dit gebeurde: de zalige Gislenus had, en heeft ook vandaag nog, een bedehuis in een hoeve die sommigen Cella, anderen Ursidongus noemen.

Op die plaats woonden, aangesteld voor de dienst van diezelfde heilige, enkele lagere geestelijken, die volstrekt onkundig waren van de regeltucht. Zij waren niet, zoals zij vandaag zijn, kanunniken, maar zij waren als het ware matricularii.

Zij waren gewoon, deels gedwongen door gebrek, deels lijdend aan de ziekte van de hebzucht, de allerheiligste ledematen van de verheven belijder op een baar op hun schouders te leggen en zo zingend, of liever bedelend – o schande! – door de straten en dorpen rond te dragen.

Omdat zij niet tot inkeer kwamen van deze vermetelheid, maar steeds meer verkeerd handelden, liet deze zalige het, bewogen door een zeer rechtvaardige verontwaardiging, niet ongestraft.

Hij liet zich namelijk ontvreemden door, om zo te zeggen, trouwe dieven, die zo'n grote schande van de heilige met leed aanzagen en, om het waarder en waarschijnlijker te zeggen, zich meer verheugden over het hunne dan over het voordeel van een ander.

Toen de paramonarii van Ursidongus-Cella dit vernamen, erkenden zij te laat de belediging van hun eigen schuld; met hoeveel droefheid zij verteerd en met hoeveel schaamte zij vervuld waren, lijkt het ongepast te vertellen en overbodig na te vragen.

29. Giselbert vergat dus het visioen dat hem getoond was niet. Omdat hij het tot uitvoering wilde brengen, riep hij de bisschop van Kamerijk, Tiedo, en de graaf van Henegouwen, Raginerus, bij zich. Hij zorgde ervoor dat hij beiden nauwkeurig bekendmaakte wat hij in dat visioen had vernomen.

Toen hij hen raadpleegde wat hierover moest gebeuren, zeiden zij: 'Wij durven niets anders te beslissen dan wat u zegt uit de hemel ontvangen te hebben, temeer daar deze eerbiedwaardige man bij heel de provincie bekend is om de faam van zijn rechtschapenheid.'

Hij antwoordde: 'Ga zo snel mogelijk met de staf van de herderlijke zorg naar de man Gods, en dwing hem, tegen zijn wil of vrijwillig, het bestuur van de kerk op zich te nemen.'

Zodra zij de opgedragen tocht aanvaardden, kwamen zij gaandeweg aan op de voorgeschreven plaats. Aangekomen zochten zij overal de dienaar van God; zoekend vonden zij hem, verborgen in het aangewezen, meer afgelegen hutje.

Vindend brachten zij eerst woorden van passende groet; na de groet gaven zij elkaar de kussen van wederzijdse liefde. Toen zij hem de redenen van hun tocht hadden uitgelegd, en dat dit gezantschap van God kwam, gaf hij, die van duivenachtige eenvoud was, hun dit antwoord:

30. 'Hoe,' zei hij, 'zou ik kunnen doen, zeer geliefde vaders, wat u mijn geringheid voorstelt? Zou ik, die de beuzelarijen van de wereld heb afgezworen, het wereldse heb versmaad en alles uit liefde tot God heb achtergelaten, opnieuw zoeken wat ik heb verlaten?

Onderscheid en zie zelf, bid ik, zorgvuldiger of zoiets mij baat. Wat vermaant de leraar van de volkeren, Paulus, over zulke dingen? Niemand, zegt hij, die voor God strijdt, raakt verwikkeld in wereldse zaken. Ga heen, bid ik, ga heen, laat mij vrijer mijn zonden bewenen!

Ik verklaar mij onwaardig; wat u vraagt, kan ik niet aanvaarden. Ik ben niet geschikt om aan wie dan ook leiding te geven, ik die noch mijzelf noch iemand anders kan baten.

De krachten ontbreken mij, de werken van heiligheid ontbreken, ik weet dat ik de regel van een onschuldig leven geenszins onderhoud; daarom durf ik het roer van de kerkelijke rechtschapenheid niet aan te nemen.'

Tegen zo'n verweer voegden de mannen eraan toe en zeiden tot de oude man: 'Wij smeken u, zeer goedertieren vader, bij de liefde tot God, wij bezweren u, zeer heilige priester, bij de liefde tot de naaste: verwaardig u met ons mee te komen en het bestuur van de kerk die u verwacht op u te nemen.

Bent u soms vergeten wat dezelfde leraar van de volkeren zegt: Iedere ziel zij onderdanig aan de hogere machten? Herinnert u zich niet ook dat woord van de portier van de hemel: Hetzij aan de koning als de hoogste, hetzij ook aan de hertog?

Wij vragen niet dat u de beoefening van de godsvrucht laat varen, noch dat u de weelde van de verleidelijke wereld opnieuw zoekt, maar alleen dat u deze grot verlaat waarin u ingesloten bent, om een voorbeeld en spiegel te worden voor broeders die uw hulp zeer nodig hebben.

Want een dappere strijder van God mag zich niet verbergen in de spelonk van het klooster, maar moet veeleer het strijdveld betreden en slag leveren. Laat het u niet genoeg zijn voor uzelf te zorgen; zorg ook voor het heil van de broeders, daar u velen kunt baten, zowel door de genade van de vermaning als door het voorbeeld van de godsvrucht.

Gebiedt ook de Heer niet: Laat uw licht schijnen voor de mensen, en: Niemand steekt een lamp aan en zet haar in het verborgene?

Maar waarom zijn veel woorden nodig? Weet met volle zekerheid dat u voor deze ongehoorzaamheid rekenschap zult moeten afleggen op de dag van het vreselijke oordeel, als u niet instemt met ons verzoek en met het heil van de broeders, temeer daar het de goddelijke wil is en het bevel van de Almachtige aandringt.'

Toen sprak de oude man, door tranen overwonnen, terwijl zij opwelden:

'Ik had wel besloten alleen te leven en mijn misdaden al wenend uit te wissen; maar, zoals ik zie, word ik, of ik wil of niet, gedwongen de strengheid van mijn voornemen te breken.

Ik durf mij niet te verzetten tegen de goddelijke geboden; het bevel van de hertog en uw bede mag ik niet versmaden; zoals ik het versta en vermag, besluit ik de nood van de broeders te hulp te komen. Ik zal dus niet uitstellen om met u mee te gaan; wat u beveelt, zal ik beginnen. God is machtig te volbrengen wat voor mij minder mogelijk is.'

Toen de eerbiedwaardige gezanten dit hoorden, verheugden zij zich met grote gelukwensen, drukten hem terstond de herdersstaf in de hand en verzachtten de droefheid van zijn gemoed met deze woorden: 'Welaan, welaan, zeer krachtige herder, haast u de kudde te bezoeken die aan u is toevertrouwd, en tracht, vertrouwend op de hulp van de hoogste Herder, de wolvenmuilen verstandig te verdrijven, opdat niet – wat God verhoede! – de dwalende schaapjes verloren gaan!'

31. Zij voerden hem daar vandaan met de verschuldigde eer, zij het niet zonder ontroostbare rouw van de kerk van Brogne, en haastten zich met spoed naar Ursidongus terug te keren. Nadat hem de kerkelijke schenking was gedaan, namelijk van het hele bezit van die abdij, stelden zij hem daar met vreugde naar de voorschriften van het canonieke gezag als abt aan.

Nadat hij de niet goede levenswandel van de geestelijken die daar woonden zorgvuldig had onderzocht, waarvan hem ook vroeger de stinkende slechte naam bekend was geworden, achtte hij het goed hen uit die basiliek te verdrijven, met de vrijheid ieder zijn eigen zaken te behartigen, en stelde er terstond scharen van monniken voor in de plaats, die God waardig waren.

Toen er een korte tijd verstreken was, ontdekte hij zelf dat, helaas, het stoffelijk overschot van de verheven belijder er niet was (het was immers weggenomen, zoals uit het voorgaande verslag blijkt).

Door een stormachtig onweer in zijn gemoed begon hij hevig ontsteld te raken en te wankelen, want hij wist volstrekt niet wat hij moest doen over het verlies van zo'n onschatbare parel.

Daarom riep hij enkelen van zijn getrouwen bij zich, maakte hun bekend door welk ongeluk hij benauwd werd, stuurde hen als verkenners alle kanten op en droeg hun uitdrukkelijk op dat zij het trouw zouden navorsen door te verkennen en verkennen door na te vorsen.

Toen zij tevergeefs overal rondliepen en niets ernstigs terugmeldden, kwam hem ten slotte door goddelijke ingeving, als iemand die nuttig zou zijn, de gedachte om om die reden naar Melbodium [Maubeuge] te gaan.

Toen hij zich daarheen gehaast had en reeds de deuren van het bedehuis binnenging, begon men bij het binnengaan het herhaalde klinken van een klokje te horen, terwijl allen niet wisten wat de zaak betekende, zelfs, als wij ons niet vergissen, de dienaar van God niet.

Nadat hij eerst zeer vroom gebeden had en de goedheid van de Heer onder tranen had aangeroepen opdat Hij zich zou verwaardigen zijn heilige te openbaren, wendde hij zich tot de inwoners van die plaats en van de kerk. Hij vroeg hun met alle zachtmoedigheid of zij over deze zaak iets, hoe weinig ook, wisten mee te delen.

Toen zij plechtig zwoeren dat zij er volstrekt niets van wisten, en zich zelfs hevig ergerden over de beschuldiging van de opgeworpen verdenking, zei de man Gods met grote gemoedsrust: 'Neem het niet kwalijk, kinderen, neem dit niet kwalijk; de goedheid van Christus is immers machtig ons dit te openbaren. Waarlijk, de goddelijke hulp moet er zijn waar de menselijke hulp ophoudt.'

In de volgende nacht, toen de man Gods in het bedehuis waakte en de hoogste Godheid hierover volhardend smeekte, straalde plotseling de witte gedaante van de heilige zelf, met de stola bekleed, voor hem op; hij voldeed aan zijn aanhoudende smeekbede en sprak hem met dit zoete woord toe:

'Waarom, zoete vriend van God, neemt u zoveel moeite om mij? Ontvang nu het zekerste teken van wat u zoekt. Zie, boven de planken van het plafond dat boven uw hoofd hangt, daar waar zij die gisteren aankwamen zich verwonderden dat een klokje klonk, ligt mijn lichaam onwaardig verborgen. Maar ik wil niet dat u en uw nakomelingen ook maar denken dat dit zonder Gods wil gebeurd is.'

Toen hij dit gezegd had, steeg hij op naar de toppen van de hemel.

Door dit visioen zeer verblijd, bracht de man Gods de Heer de passende dank, om niet ondankbaar te lijken.

Toen de eerste dageraad de sterren van de hemel verjoeg en de zieke stervelingen hun zorgen en arbeid teruggaf,

klom hij met de zijnen terstond op de zoldering van de kerk; klimmend zocht hij; zoekend vond hij; vindend weende hij van vreugde; wenend bracht hij de zijnen tot tranen.

Zo haalde hij de heilige ledematen daar vandaan; neergehaald wikkelde hij ze in een zuivere lijkwade; ingewikkeld legde hij ze waardig op een baar; neergelegd zong hij God lofhymnen; zingend begaf hij zich blij op weg.

Wat moest de inwoner van Melbodium denken, toen hij zoiets zag?

De clerus werd met het volkje beschaamd en zweeg, kon het gelaat van de man Gods niet verdragen en zocht van schaamte een schuilplaats. Wie was er onder allen die zijn tong bewoog, zijn mond opende, een kik durfde te geven? O hoe past hier dat woord van David: Alle ongerechtigheid zal haar mond stoppen!

Reeds had het snelle gerucht van deze zaak zich bij velen verspreid, en het volk uit de omgeving stroomde van overal samen. Om het hardst samenstromend riepen zij allen tegelijk:

'Wees gegroet, heilige van God; gegroet, teruggevonden as!

Wij brengen alle dank aan de ondeelbare Drie-eenheid en aan uw heiligheid. U heeft de dieven van uw lichaam verraden, de huichelaars en listigen beschaamd, en de verdiensten van uw wonderkrachten vermeerderd.

Wat is dit voor een gedrocht, dat men in deze tijd heiligen wegneemt?

Waar zijn zij die zo'n schanddaad hebben begaan? Onder welk volk zijn wij? Wij wonen waarlijk met schorpioenen!' Dit en dergelijke dingen zeggend en onder elkaar vrolijk schertsend, verheugd en opgewekt over het vinden van de heilige, juichten zij onderweg de eerbiedwaardige last toe.

32. Voorop ging dus de zingende schare van geestelijken met monniken, die het kruis en vaandels in de handen droegen; en er volgden niet geringe scharen van beide geslachten, die evenzeer met blijdschap voor de Heer jubelden.

Zo werd onder het grootste gejubel van clerus en volk, door de zeer scherpzinnige ijver van de man over wie wij spreken, de verheven belijder waardig teruggeplaatst in zijn bedehuis.

Daar werd, na het aanstellen van nachtwaken van monniken, onafgebroken aan de Heer Jezus, die de lof van de engelen is, lof en jubel gebracht, en aan zijn verdienstelijke belijder eerbiedwaardige lof en lofwaardige eerbied.

Hoe echter de bisschop van Kamerijk de heiligschenners onderzoekend verhoorde en verhorend onderzocht, en met welke straffen hij hen, zoals billijk was, naar synodaal recht veroordeeld kastijdde, behoort, menen wij, niet tot ons verhaal om het u uiteen te zetten, temeer daar de daden van de belijder zelf dit verhelderen, als u het ernstig wilt weten.

Maar opdat hertog Giselbert, die wij eerder vermeldden, niet ongeprezen en zonder eer van ons heengaat: hij toonde zich tegenover de plaats van diezelfde heilige zeer menselijk en zeer milddadig.

Hij nam namelijk sommige goederen terug die hij in niet geringe mate als leen aan de soldaten die voor hem streden had uitgegeven, en droeg ze daar met eeuwigdurend recht over aan hen die voor Christus strijden en zouden strijden.

Daarover is er één ding waarop ik aandring, en ik zal het herhalend nogmaals aandringen: tot u zeg ik het, monnik van Ursidongus-Cella, die leeft van de zeer milde gift van hertog Giselbert: let zorgvuldig op dat u nooit bevonden wordt zijn ziel te vergeten, maar klop veeleer met de meest aandringende bede aan bij de onbevattelijke goedheid van de zeer goedertieren Jezus, opdat hem de gouden beloning van het eeuwige leven ten deel valt.

En opdat u niet misschien wanhopend mort dat hij tegen zijn heer, de Romeinse vorst, in opstand kwam: hij heeft, helaas, als tegenprestatie de zeer wrede dood ontvangen, en de Heer Jezus straft niet tweemaal voor hetzelfde. Laten wij nu terugkeren naar ons onderwerp.

33. Hoe de eerbiedwaardige abt Gerardus zich, nadat hij, zoals gezegd, de herderlijke zorg had verkregen, in alles gedroeg, kan onze stompe pen geenszins beschrijven.

Maar opdat wij niet onder de begonnen stof bezwijken en de meer bedrevenen niet tot spot worden, en zij, naar dat woord van de evangelielezing, niet beginnen ons uit te lachen met de woorden: Deze mens begon te bouwen en kon het niet voltooien, smeken wij met de meest aandringende bede om de uitnemende voorspraak van deze heilige over wie wij spreken.

Moge hij ons door zijn zeer krachtige tussenkomst toch willen verzoenen met de genade van de Heilige Geest, aan wie hij altijd de ongehuwde kuisheid van zijn geest wijdde, en die ook wij zo dikwijls met de vuiligheid van onze zonden beledigen; opdat Hij zich verwaardigt onze traagheid uit onverdiende goedheid in te geven wat zij moet zeggen.

De man van de Heer, bij uitstek onderlegd in de regelnorm, stond dus aan het hoofd van de broeders die hem waren toevertrouwd met een dubbele leer. Want volgens de zeer heilzame vermaningen van de heer Benedictus legde hij de meer begaafde leerlingen de geboden van de Heer met woorden voor, maar de eenvoudigeren toonde hij de goddelijke geboden door zijn daden.

Alles wat hij zijn ondergeschikten leerde dat verkeerd was, toonde hij als overste in zijn eigen handelingen als iets wat niet gedaan mag worden; hij haalde uit de kist van zijn schat nieuw en oud, zoals een zeer geleerde schriftgeleerde, die zo'n leven had als hij leer had.

Omdat hij wist dat hij zielen had aangenomen om te besturen, bereidde hij zich zorgvuldig voor om rekenschap af te leggen. In alles hield hij de gulden middenweg; hij bestuurde de aan hem toevertrouwden eerder door liefde dan door vrees.

Omdat hij dus wist dat hij de plaats van Christus bekleedde en met de naam van de hoogste abt werd genoemd, trachtte hij zich aan allen zo aan te passen door zich te voegen en zo te voegen door zich aan te passen, dat u hem met een wonderbare liefde aan de zeden van allen zag dienen.

En opdat zijn rechtschapenheid bondiger bekend wordt: hij blonk uit in de voortreffelijkste deugden, waarvan in het leven van de mens niets nuttiger geacht wordt; hij was namelijk getooid met wijsheid, gekroond met matigheid, gesterkt met dapperheid en verrijkt met rechtvaardigheid.

Daarom kunnen wij dat woord van Anicius [Boëthius] zeer passend op hem toepassen: De deugden hebben het lichaam van de heilige man opgebouwd.

Tot de kroon van zo'n volmaaktheid legde hij zich vuriger toe op de plechtige vieringen van de mis en vierde dagelijks de gedachtenis van het heilbrengende lijden, opdat hij, die dood was voor de aardse genoegens maar leefde van geestelijke rijkdommen, altijd één lichaam met het lichaam van de Heer, alle aanvallen van de oude vijand zou verslaan.

34. Toen hij dus op een dag naar gewoonte het heilige mysterie vierde, en de Heer Jezus op het punt stond de kaars van het brandende licht op de kandelaar te plaatsen om allen te verlichten die de basiliek binnengingen, was er een vrouw aanwezig uit het dorp naast Cella dat men Buxutum [Boussu] noemt. Zij beweende haar van licht beroofde gelaat, sinds haar oogbollen lang geleden uitgedoofd waren.

Toen de omstanders haar vroegen waarop zij daar wachtte of waarom zij gekomen was, zei zij: 'Ik wacht op de goddelijke goedheid en op de milddadigheid van deze man van God, de heer abt.'

Terwijl zij een van de omstanders met een vleiende aanraking aanraakte, fluisterde zij in droevig stilzwijgen in zijn oor: 'Ik bid u, mijn heer, bij de onmetelijke barmhartigheid van God, en opdat in u een bron van water wordt dat opwelt tot eeuwig leven: verwaardig u mij arme vrouw dat water te geven waarmee de dienaar van Christus, Gerardus, na het ontvangen van de eucharistie zijn handen zal wassen.'

Toen zij het, zoals zij gevraagd had, trouw had verkregen, en onder tranen de almacht van de Godheid en het geloof van de man Gods had aangeroepen, dronk zij met de grootste toewijding met kleine teugjes van dat water. Daarmee haar gezicht wassend, bevochtigde zij ook de uitgedoofde pupillen van haar ogen door ze te bestrijken, en bestreek ze door ze te bevochtigen.

Wat zal ik meer zeggen? Ten slotte, op dat uur – o wonderlijk en blij ding! – wijkt de zwarte nacht uit haar gezichtje en straalt een vreemd licht op.

En zeer helder ziet zij hen die haar aanzien, en valt met dankzegging aan de voeten van de man Gods. Hij, die van zachtmoedige geest was, ontving haar zacht, richtte haar op en berispte haar met deze vriendelijke woorden: 'Houd op, bid ik, dochter, houd op mij zo'n eerbied te bewijzen, en schrijf de gave van God niet onverstandig toe aan mijn geringheid.

Door de verdienste van uw geloof en de toegift van uw vrome hoop heeft de kracht van de sacramenten het licht van uw ogen hersteld. Ga, dochter, ga in vrede, en breng alleen de Heer dank.'

Zo keerde de vrouw, van het ongemak van de blindheid verlost, die eerst had betreurd dat zij, door een ander aan de hand geleid, gekomen was, nu door de verdiensten en de voorspraak van de zalige man zonder iemands hulp dansend van vreugde naar huis terug.

De vermaarde vreugde van dit wonder verspreidde zich wijd en zijd tot lof van God en wekte de harten van velen op tot verering van zijn dienaar. En opdat het geen ongelovige ongelooflijk lijkt: hoe, zeg ik, kon hij het niet kunnen, hij die altijd verenigd was met het lichaam van de Almachtige?

O waar licht, God, enige Schepper van allen, uw belofte wordt waar door alle eeuwen heen. Jullie, zegt Hij, heiligen, jullie zijn het licht van de wereld, en het licht van de rechtschapenheid kan niet in de duisternis verborgen blijven.

Zie, nu heeft U de oogzalf van Siloam vernieuwd, waarmee U eertijds de blindgeborene ogen heeft gegeven, die U, nadat U hem eerst met uw heilig speeksel had bestreken, verwaardigde naar het badwater van de vijver Siloam te sturen.

Daarom vallen ook wij met hem voor uw aangezicht neer, brengen U de verschuldigde lofprijzingen en belijden met de innigste en trouwste genegenheid van ons hart dat U waarachtig God bent, de Zoon van God.

[[/INKLAP]]

[[INKLAP]] Hoofdstuk IV — Graaf Arnulf genezen; achttien kloosters; de reis naar Rome; zijn dood (§ 35–56)

35. In die tijd heerste markgraaf Arnulf over de provincie Vlaanderen, een man zeer rijk aan allerlei bezit, zoals ook vandaag nog blijkt uit het zeer vermogende geslacht van zijn nakomelingen.

Hoewel hij veel geld en ruime middelen had, kon hij toch, welk geneesmiddel hij ook gebruikte, geen enkele genezing vinden voor de zeer zware ziekte waaraan hij leed; op hem passen wij terecht dit versje toe:

De zieke rijkaard heeft geld, maar zichzelf heeft hij niet.

Want hij wordt door voortdurende kwellingen gemarteld door de steen, een ondraaglijke ziekte die de urine tegenhoudt en in de volkstaal 'het steentje' heet.

Veel heelmeesters wedijverden om naar hem toe te snellen om hem te genezen; zij pochten dat zij in de geneeskunst nooit voor Paeon, de meester, hadden ondergedaan, en hoopten van hem, die zij zeer rijk wisten, met grote mildheid een beloning te krijgen.

Toen zij hem eenstemmig met het scalpel van Hippocrates wilden opensnijden om zo eindelijk het steentje waaraan hij leed eruit te halen, omdat hij, zeiden zij, anders zijn volle gezondheid niet kon terugkrijgen, durfde hij daar geenszins mee in te stemmen. 'Opdat ik niet,' zei hij, 'terwijl ik tracht gemakkelijker te leven, begin des te onbarmhartiger te sterven.'

36. De heelmeesters nu, die de bekwaamheid van hun kunst door haar te tonen wilden verheffen en door haar te verheffen wilden tonen, en die de geest van de markgraaf, uit angst voor de dood bevreesd, door hem te bemoedigen wilden bezielen en door hem te bezielen wilden bemoedigen om dit te ondergaan, sneden voor zijn ogen tweemaal negen mannen open die aan dezelfde ziekte leden; zij genazen hen allen in korte tijd, behalve één die stierf. Omdat die ene hem toonde dat de genezing door snijden te vermijden was, wilde hij van zoiets niet meer horen.

Ten slotte kwam hij door Gods ontferming tot zichzelf en begon de hoop, die hij onbezonnen op een mens had gesteld, naar behoren op God te richten, die, zoals wij lezen dat de maagd, de zalige martelares Agatha, ervoer, alles geneest en herstelt met één woord.

Toen hij de goede geur van de man Gods rook, omdat de faam die vooral verspreidde over de blinde vrouw die door zijn voorspraak van haar duisternis bevrijd was, stelde hij het niet uit om met een zeer nederig verzoek door een snelvoetige bode te vragen dat hij zich de moeite zou willen getroosten tot bij hem te komen.

37. Toen hij hem bij zijn aankomst eervol tegemoet was gegaan en hem, zoals het paste, met alle voorkomendheid had ontvangen, vertelde hij hem droevig aan welke ziekte hij leed en smeekte hem nederig voor zijn herstel bij de goedheid van de Almachtige tussenbeide te komen.

Daarop antwoordde de man van de Heer hem: 'Geloof mij stellig: ik weet niet dat ik van zoveel kracht of verdienste ben dat u het vertrouwen in zo'n grote zaak aan mij zou kunnen toevertrouwen. Dit is voorwaar het werk van volmaakte mannen, en nog meer van hen die van het vlees verlost zijn en altijd voor de Heer staan.

Maar wie ben ik, de nietigste kleine slaaf van God, van wie u zo'n uiterst moeilijke hulp voor de menselijke natuur verwacht?

Als u volmaakte genezing wilt, vertrouw haar toe aan de Heer!'

Maar graaf Arnulf herhaalde zuchtend: 'Zoals ik het inschat, mijn zoete vader, zoekt u een voorwendsel om niet te moeten schenken wat gevraagd wordt.

Vertrouw, bid ik, vertrouw op de goedheid van de Heer, en stel niet uit mij de hulp te verlenen die God, zoals ik met de stelligste hoop hoop, zich verwaardigen zal mij door uw bemiddeling te schenken in zo'n benauwdheid van ziekte. Sluit, bid ik, uw hart vol medelijden niet voor mij, maar wees mij, stervende, genadig, opdat God u genadig is.'

De man van de Heer antwoordde de wenende als volgt: 'Opdat het niet lijkt dat u, zeer geliefde, tevergeefs troost bij mijn geringheid heeft gezocht: werp altijd, werp uw zorg op de Heer, en moge onze raad u bevallen.

38. U behoort een niet geringe overvloed van vele dingen toe. Door daarvan een deel uit te geven aan de noden van de armen, zult u de grootte van uw misdaden kunnen uitwissen. Want om de zonden komt zo'n kwaal soms voor.

Zo zult u, als u op deze wijze de goedertieren Christus verzoend heeft, het gewenste geneesmiddel van de gezondheid kunnen terugkrijgen. De rijke en vermogende moet immers de behoeftigen en armen dienen; u nu bent door Gods genade rijk en vermogend: u moet dus de behoeftigen en armen dienen. Want wie de geringste broeders dient, wordt bevonden als een zeer welgevallige dienaar van God.'

De markgraaf, krom van de gruwelijke uitputting, keurt alles goed.

'Zeer welgevallig,' zei hij, 'is mij wat u aanraadt, dienaar van God, als de goedheid van de Heer zich maar verwaardigt zich over mij te erbarmen.

En zoals eens de Zacheüs van het evangelie: de helft van mijn goederen geef ik aan de armen, als maar de zeer wrede ziekte kan worden gestild die hardnekkig aan mijn ledematen vreet.'

Toen hij dus gehoorzaam de raad van de man Gods had aanvaard en goedgekeurd en zijn huisgenoten bevolen had dit trouw uit te voeren, werd hem vervolgens door de man Gods zelf, die met hem meevastte, een vasten van drie dagen opgelegd. Zo konden zij beiden, door zo'n soberheid gezuiverd en naar de geest door geestelijke spijs verkwikt, waardig worden bevonden om tot de mysteriën van Christus te naderen.

39. Toen zij dit zeer vroom, zoals de zaak vereiste, volbracht hadden en de voorspraak van de heiligen onder tranen hadden aangeroepen, gordde de strijder Gods zich aan met de goddelijke wapens en vierde de plechtige mis met de gewone tranen en zuchten.

Toen hij aan de mysteriën van de sacramenten had deelgenomen en de markgraaf, die er vurig naar verlangde, er ook deelgenoot van was geworden – verkondig, verkondig, o blad, het wonder! – overviel de markgraaf zelf plotseling de aandrang om te urineren; en weldra zocht hij een geschikte afzondering en loosde zonder moeite het brandende steentje.

Toen hij zo op wonderbare wijze in zijn vroegere gezondheid hersteld was, hoezeer de jubel van de vreugde in zijn borst overvloeide, hoezeer de lof van de Heer al zijn getrouwen vervulde, hoezeer de passende eerbied voor de man Gods toenam, vraagt de liefde van uw eensgezindheid dat soms van ons, terwijl onze schrale beschrijving het met de pen niet kan vatten?

Laat dit kort gezegde volstaan: heel de provincie Vlaanderen, die hem diende en die eerst om zijn ongeluk bedroefd was weggekwijnd, bloeide door zijn gezondheid als het ware blij weer op.

40. Maar de zeer eerbiedwaardige abt, gegrondvest op de burcht van de nederigheid, schreef de wonderbare gave van deze weldaad geenszins toe aan zijn eigen krachten, maar veeleer aan de almachtige werking van de eucharistie.

O milddadigheid van de almachtige Heer Jezus, die door de tongen van alle soorten mensen te prijzen is! Zo'n geneeskrachtige zalf bracht eens de heilbrengende zoom van zijn kleed aan bij de vrouw die twaalf jaar lang aan bloedvloeiing leed, die haar erfgoed kwistig aan geneesheren had uitgegeven en van geen van hen een passend geneesmiddel kon krijgen.

Graaf Arnulf nu, die de hem geschonken weldaad wilde vergelden en de man Gods zeer mild met vele geschenken wilde eren, liet voor zijn ogen niet weinig ponden goud en zilver zien, zoals eens de Syriër Naäman aan Elisa, de huisgenoot van Elia, opdat hij het zou laten meenemen voor de noden van hemzelf en zijn broeders.

Maar hij weigerde het met allerlei verontschuldigingen en voerde de markgraaf verontwaardigd een woord tegen dat het gedenken waard is: 'Als wij het onze hebben verlaten,' zei hij, 'hoe zullen wij dan het vreemde aannemen?

Een monnik die op aarde bezit zoekt, heeft blijkbaar geen godsvrucht; een monnik met geld wordt als melaatse ontmaskerd. Wat is immers een opeenstapeling van geld, vooral bij monniken, anders dan melaatsheid van de ziel? Zeker, broeder Gerardus wil niet vermogend worden;

hij zal dus, door de ontferming van de Heer, niet melaats worden.'

41. Zo vreesde de man, die zich geheel aan de dienst van de Heer had gewijd, de zekerheid van zijn armoede te verliezen, zoals gierige rijken hun vergankelijke rijkdommen plegen te bewaren.

Laten wij monniken, door dit voorbeeld vermaand, ons hoeden voor de geldzucht, of liever de melaatsheid van Gehazi, die de voorspellingen van de profeet in de wind sloeg en de melaatse bezitter werd van het geld van de Syriër Naäman.

Toch dwong de graaf hem ten slotte met moeite, door hem met ontzagwekkende eden te binden, om tenminste het tiende van zijn goederen aan te nemen en het als een verstandig beheerder bedachtzaam te verdelen, zoals de Heilige Geest het hem verwaardigde in te geven.

Ook dit weigerde hij eerst nederig, en even later nam hij het zonder eerzucht aan, verdeelde het met zeer verstandige overweging in drieën en deelde het met een zeer trouwe verdeling uit.

Twee derde gaf hij aan monniken die God dienden en aan armen, een derde hield hij noodzakelijk voor de kerk van Brogne; want in die tijd was de kerk van Brogne als een pas geplant boompje, nog niet volledig geworteld, dat de hulp van bevloeiing vraagt en, als de ijver van de tuinman ophoudt, nutteloos en onvruchtbaar wordt.

42. Toen de markgraaf de rechtschapenheid van de man Gods, vol wonderkracht, had gezien, en nog meer de monastieke godsvrucht die zich overal rondom verspreidde, besloot hij hem het bestuur toe te vertrouwen van alle abdijen die onder zijn gezag stonden.

Toen de eerbiedwaardige herder opnieuw de staf had ontvangen, besloot hij weldra de schaapskooien te bezoeken die hem waren toevertrouwd, opdat de wolf de onvoorzichtige lammeren niet met zijn tanden zou verscheuren.

Eerst ging hij naar het klooster van Blandijn, dat de zalige bisschop Amandus te Gent had gesticht. Hij vond het niet alleen beroofd van alle godsvrucht, want het was bezet door zeer wereldse geestelijken, maar ook door aanvallen van slechte mensen bijna tot niets teruggebracht.

En, wat met een bron van tranen te bewenen is: het was al lang beroofd van de wacht van de drie heiligen die daar hadden gerust.

43. Maar de zeer dappere strijder, gesteund door de hulp van God, schrok niet terug voor het zweet van de arbeid. Zoals de zalige Jozef, met het lange kleed bekleed, bracht hij wat hij ondernam altijd tot een goed einde.

Hij verdreef daar de goddeloosheid van de geestelijken, hoewel zij prat gingen op een opgeblazen adel. Hij verbeterde alles en aarzelde niet monniken in hun plaats te stellen, zoals u zich herinnert dat hij kort tevoren al op twee plaatsen had gedaan.

Zij verdroegen dit zeer slecht en zonnen op wraak. Aangestoken door de boosheid van de oude vijand begonnen zij de ijver van de man te benijden, zijn levenswandel te belasteren en iedereen die zij konden ervan te weerhouden hem te bezoeken.

Toen zij zagen dat zij zijn vooruitgang niet konden tegenhouden, maar dat zijn faam steeds groeide, gingen zij, ontstoken door de fakkels van de afgunst, zo ver dat zij het waagden – o schande! – zijn dood te beramen.

44. Maar de Heer beschermde hem: hun hinderlagen mislukten en zij konden het dier Gods, dat overal ogen heeft, niet te pakken krijgen.

Daarom braken zij op een dag, samen met de medeplichtigen van hun heiligschennende samenzwering, de deuren van de kerk open. Zij zochten hem – het is misdadig zelfs maar te zeggen – om hem gezamenlijk voor het altaar te verscheuren, terwijl hij het priesterlijk gewaad droeg.

Hij toonde hun een wonderlijke standvastigheid, ging hen onverschrokken tegemoet en stelde zich blijmoedig tegenover hen op, als een offer dat voor God geslacht moest worden. Zo wordt het ware woord vervuld: De rechtvaardige blijft onverschrokken, vol vertrouwen als een leeuw.

Hij wees hen terecht: 'Burgers,' zei hij, 'welke waanzin drijft u, dat u als opstandelingen de wapens opneemt tegen mij, die weerloos ben? Aardse wapens heb ik niet, maar met hemelse wapens ben ik gewapend. Daarom schrikken uw speren mij niet af, en ook deze misdadige vermetelheid niet. Ik weiger niet voor de Heer Jezus de beker van de dood te drinken, Hij die voor mij in zijn lichaam de wonden van het lijden heeft willen dragen.'

Maar toen zij hem in het gelaat keken, zagen zij iets goddelijks en wonderlijks. Door een enorme schrik getroffen, vielen zij voor hem voorover op de grond.

45. Ontsteld en buitenmate ontzet konden zij nauwelijks smekende woorden uitbrengen, terwijl zij zich allen samen aan zijn voeten wierpen. 'Vergeef ons,' zeiden zij, 'eerbiedwaardige vader, vergeef onze dwalingen, en reken ons niet aan wat wij zo dwaas tegen u hebben gedaan. Ontferm u over wie wenen, vergeef wie berouw hebben!'

Toen hij hen, die zeer angstig waren, zachtmoedig had doen opstaan, sprak de beminnelijke vader, die zeer gemakkelijk vergaf: 'Omdat u uw schuld erkent en vol wroeging berouw toont, moge de goedheid van de Verlosser, die de zonden vergeeft, u vergeven.

Ook ik vergeef u en stem in met uw smeekbede, maar alleen op voorwaarde dat u, zoals u tot nu toe deze kerk tot last bent geweest, er voortaan oprecht naar streeft haar tot hulp te zijn. Ga nu in vrede.'

Wie, vraag ik, heeft hij in deze daad nagevolgd, zo niet Hem die, toen Hij ging lijden, vastberaden naar Jeruzalem trok en op het ogenblik zelf van zijn lijden zijn vervolgers met één enkel woord als met een speer neerwierp?

46. Met hoeveel blijdschap en jubel hij de lichamen van de eerder vermelde heiligen Wandregisilus, Ansbertus en Vulfrannus overbracht, toen hij ze uit de stad Boulogne naar hun eigen plaats terugvoerde, kan ons beknopte verhaal niet inkorten; heel de provincie Vlaanderen getuigt er immers tot op vandaag van.

Maar ook de kerk van Brogne bleef van deze relieken niet verstoken: onder meer werd de arm van dezelfde zalige abt Wandregisilus daarheen overgebracht, en, wat het voornaamste is, onschatbare relieken van de eerste van de apostelen.

Om het kort te houden en met weglating van veel slechts weinig in herinnering te brengen, zwijgen wij erover hoe krachtig hij ook enige tijd aan het hoofd stond van het klooster van de zalige Bertinus, en welke smakelijke vruchten van regeltucht hij daar voortbracht.

Maar om niet volledig te verzwijgen wat de ouderen ons hebben verteld: men zegt dat hij de zeer waakzame beheerder van achttien kloosters is geweest. Zo vervulde de Heer wat Hij zijn getrouwen beloofd had die dit en dat achterlaten: honderdmaal zoveel in deze tijd, met vervolgingen.

47. Hij brandde zo van verlangen om zielen voor God te winnen, dat hij voor de kloosters zorgde door van huis tot huis rond te trekken en de harten van zijn toehoorders op te wekken tot liefde voor het hemelse vaderland. Terwijl hij zich in deze gelukkige arbeid afmatte, won hij de welwillendheid en vriendschap van velen.

Uit verschillende streken stroomden monniken naar hem toe om gevormd te worden, verlangend met al hun krachten de kuise en voorbeeldige daden van zo'n groot man na te volgen.

U had kunnen zien hoe als het ware bijen uit verschillende korven naar deze bloeiende boom vlogen, om er de nectar van honingzoete dauw in hun droge raten te laten druppelen.

Hij ontving hen welwillend en dankbaar, voedde hen overvloedig met de spijs van de monastieke regel, en maakte van leerlingen bekwame leermeesters, van de meer volmaakten de volmaaktste leraars. Sommigen vertrokken, gevormd in zeden en godsvrucht; anderen kwamen om op hun beurt gevormd te worden.

Want onophoudelijk verspreidde hij als nardus een wonderbare geur van deugden, en door de bron van de Schriften te openen, besproeide hij de droge weiden van de geesten.

48. Zo zorgde hij ervoor de specerij van het goddelijke woord, van wier levenwekkende zoetheid hij zelf geurde, te delen met de broeders die innerlijk kwijnden. Zij moesten haar doorslikken en smakelijk herkauwen, zodat zij van alle zwakheid van de ondeugden zouden genezen en al proevend zouden mogen beschouwen hoe zoet de Heer is voor wie op Hem hopen.

En opdat het geen lezer ongepast lijkt dat zo'n woord op de woorden van de Schrift wordt toegepast: hij moet weten dat het goddelijke woord zeer terecht specerij wordt genoemd. Hoe meer het herkauwend in de mond van wie ervan spreekt wordt fijngewreven, des te meer smaak en geur geeft het; het verdrijft de dodelijke walging uit de maag van de kwijnende ziel; en al voelt het in de mond door zijn zuiverheid scherp aan, toch verspreidt het de zoetheid van zijn kracht heilzaam in het hart.

In diezelfde tijd ontstond er een grote verwarring van oorlog tussen de groten van Austrasië en Neustrië. Om de zonden laaide die overal zo op dat niet alleen het rijk in gevaar kwam, maar dat ook de heilige Kerk van God nauwelijks nog eerbied werd betoond. Waar die tweedracht vandaan kwam, kan, als u het precies wilt weten, de kroniek van de voorgangers u onthullen.

Er vielen dus slachtingen onder de mannen, vrouwen werden weduwe, ouders verloren hun kinderen, steden werden in brand gestoken, volkeren weggevoerd, kerkhoven opengebroken, kerken verwoest.

Wie kan de plundering en beroving van de dorpen tellen? Wie de talloze strooptochten van ruiters, hier en daar? Of wie kan de bloedige gevechten samenvatten?

49. Door zo'n hevige storm van onrust werd het rijk toen geteisterd, dat kort daarop door de aangeboren goedheid met het anker van de goddelijke zorg weer werd vastgelegd.

Door deze nood gedwongen ging de heer abt Gerardus, zaliger gedachtenis, haastig naar Catulliacum, de abdij van de zalige Dionysius, en kocht Brogne vrij van de monniken die daar God dienden, met het geld dat graaf Arnulf hem had geschonken.

Hij vreesde namelijk ernstig dat Brogne onder zo'n wervelwind van rampen ten onder zou gaan, temeer omdat het ver van de grenzen van het Merovingische rijk, waartoe het toen behoorde, midden in Lotharingen ligt.

Zonder uitstel droeg hij het over aan de hoofdkerk van de zalige Lambertus, omdat het in het bisdom Luik ligt, en vertrouwde het toe aan de bescherming van de heer Farabertus, toen bisschop en vroeger abt van Prüm.

Hoezeer deze het, hoe klein ook, hoogachtte en liefhad, toonde hij zelf met zeer duidelijke milddadigheid: als tegenprestatie schonk hij diezelfde abdij twintig hoeven bebouwd land, die deze kerk tot op vandaag rondom zich bezit, in vaste rust.

50. De vriend van de Heer had in alles en boven alles het welzijn van het klooster van Brogne voor ogen (monnik van Brogne, luister, en vergeet het niet!). Hoewel hij al op gevorderde leeftijd was, vond hij het geen last zich tot in Rome te vermoeien. Als stichter van het bedehuis wilde hij er vroom de bescherming afsmeken van de hoogste vorst van de apostelen, Petrus, en van diens plaatsvervanger authentieke oorkonden verkrijgen van een decreet dat de goederen en de vrijheid van dat klooster bevestigde.

De heer Stephanus, toen paus van de heilige Roomse Stoel, liet dit met wonderbare bereidwilligheid doen, terwijl de man Gods er zelf bij stond en zelfs dicteerde wat geschreven moest worden. Hij schonk hem een privilege, bezegeld met een loden zegel, dat men ook 'ptongar' noemt [een oorkonde; Mabillon leest pertongar]. Bovendien gaf hij hem de toelating dat, op bevel van de paus zelf, alle bisschoppen langs wie hij op de terugweg zou komen het ter bevestiging zouden ondertekenen.

Omdat deze oorkonden nog bestaan – de basiliek van Brogne bewaart ze tot op vandaag met alle zorg – hebben wij ervan afgezien de tekst ervan hier over te nemen, opdat een te lange sleep geen lezer mishaagt.

51. De verstandige lezer mag echter de zeer scherpzinnige wijsheid van deze man Gods bewonderen: met hoeveel edelmoedigheid hij in zo'n geschrift deze abdij heeft bevrijd, en welke zware straf van eeuwige banvloek hij treft die het – wat God verhoede – zou wagen haar met vermetele durf te schenden.

Maar om tot de zaak terug te keren en in herinnering te brengen wat de goddelijke kracht op diezelfde reis voor haar getrouwe deed dat het vertellen waard is: na een zeer voorspoedige tocht vanuit Rome was de zalige aangekomen bij de berg die Mons Iovis [de Grote Sint-Bernard] heet.

Toen hij met de zijnen de smalle hellingen van de berg afdaalde, viel een van de lastdieren, dat onvoorzichtig liep en beladen was met porfierstenen, die de man Gods als noodzakelijke versiering naar zijn klooster meevoerde, naar beneden en rolde tot in de diepte van het dal. Terwijl de reisgezellen die erbij kwamen dit zeer slecht verdroegen,

sprak de eerbiedwaardige man, geenszins ontsteld: 'Waarom maken zulke dingen u moedeloos, broeders? Laten wij de Heer loven voor al zijn weldaden!'

52. Hij riep een van hen die men Marones [berggidsen] noemt, en beval hem, met behoud van zijn loon, tenminste de last met de stenen te zoeken. Zijn aandacht ging immers meer uit naar die stenen, misschien om dat woord:

Alles wat zeldzaam is, wordt ook kostbaar geacht.

Wie zou immers niet zonder twijfel gedacht hebben dat het dier dood was? Wie zou gemeend hebben dat zelfs het lichaam nog heel beneden was aangekomen, terwijl het tussen de rotsen overal in stukken gereten had kunnen worden?

Maar toen men het zocht, werd het niet alleen levend, maar ook ongedeerd en ongeschonden met de stenen teruggevonden. Toen werd het voor allen duidelijk dat het niet gewond kon worden, omdat het gebed van de man Gods het in zijn val had gedragen. Met deze steen wordt, zoals men nog kan zien, tot op vandaag het hoofdaltaar van de basiliek van Brogne gesierd.

Zo keerde de heilige en eerbiedwaardige abt naar huis terug, de Heer verheerlijkend, die de daden van de zijnen leidt.

53. Door de heilige ingeving onderricht, wist hij vooraf dat de dag van zijn roeping naderde, waarop hij rekenschap zou moeten afleggen van het beheer dat hem was toevertrouwd. Daarom vond hij het noodzakelijk en nuttig de kloosters van de broeders die onder zijn bestuur leefden nog eens te bezoeken, zich voortaan te ontdoen van de drukkende last van zoveel zorgen, en voor elk klooster een geschikte overste in zijn plaats aan te stellen.

Onderweg naderde hij het dorp dat Marcianae [Marchiennes] heet en dat aan één kant door de rivier de Samber wordt besproeid. Zijn dienaren zagen dat het uur van de maaltijd naderde; zij zochten voor zichzelf en de paarden een geschikte rustplaats buiten de weg, gingen naar een liefelijke, grasrijke plek en gingen er meteen samen zitten eten.

De man van de Heer echter, die onder een boom lag, bleef als vriend trouw aan zijn bevriende soberheid. Hoewel zij er zeer op aandrongen, stemde hij er niet in toe mee te eten. 'Neem jullie maar, kinderen,' zei hij, 'met Gods zegen jullie dagrantsoen; het past mij niet op dit uur van de dag te eten, want er is geen vis om mij mee te verkwikken.'

54. Met zo'n uitvlucht wilde hij er op een of andere manier onderuit komen. Maar terwijl zij spraken en vroom met hem twistten, zie, een roofvogel die men asperellus noemt [waarschijnlijk een sperwer of havik], die in diezelfde boom zijn jongen verzorgde, liet een flinke vis aan zijn voeten vallen.

Toen zij dit zagen, spraken de dienaren de man Gods eerbiedig en schertsend aan: 'Welaan, zeer eerbiedwaardige vader, zojuist voerde u als excuus aan dat u geen vis had; weiger nu tenminste niet het gerecht dat uit de hemel is gezonden, want nu heeft u geen enkel geldig excuus meer.' Wat zal ik nog zeggen?

Eindelijk overwonnen, wordt de minnaar van Christus hun disgenoot.

Toch liet hij van de restjes van het eten wat naar de jongen van de asperellus brengen: 'Laten wij niet toelaten dat zij honger lijden; misschien heeft de vader deze vis wel laten vallen toen hij hem naar zijn jongen wilde brengen.' Zo groot was het medelijden van de rechtvaardige man. Hier past het een vers van een voortreffelijke dichter in te voegen:

Nu is hij de goede raaf van Elia, die eerst de trouweloze raaf van Noach was.

Want hoewel hij, zoals zijn naam zegt, gewoon was ruw en wild te nemen, leerde hij nu, tegen zijn gewoonte in, gul en tam te geven.

55. Toen de maaltijd met passende dankzegging was beëindigd, ging de man Gods voorspoedig verder en bezocht met vaderlijke zorg elk van de kloosters van zijn zonen. Hij vermaande hen tot monastieke godsvrucht, doordrenkte hen overvloedig met goddelijke kennis en spoorde hen met talrijke toespraken aan om de eenheid van vrede en eendracht te bewaren en als gewapende strijders altijd in slagorde te staan tegen de pijlen van de listige Satan.

Zij dronken dorstig zijn heilzame woorden, konden niet genoeg krijgen van zijn aanwezigheid, slaakten diepe zuchten en smeekten allen onder tranen dat hij hen niet zou verlaten.

Hij, die een honingzoete mond had, sprak hen nog vriendelijker toe en gaf hun, naar men zegt, dit antwoord: 'Niet zo, zeer geliefde en zeer dierbare broeders, zo moet het niet gaan. Want mijn erfdeel is mij heerlijk; daar is mijn rustplaats voor eeuwig en altijd, daar zal ik wonen, want ik heb haar boven alles uitverkoren.'

Toen alles naar behoren geregeld was en hij de herders met hun schapen aan de hoogste Herder had toevertrouwd, keerde de zalige, arm van geest, met achterlating van alle rijkere plaatsen die hij had bestuurd, vol vreugde terug naar de geliefde armoede van het klooster van Brogne.

56. En ook dit, monnik van Brogne, prent het in uw geheugen! Toen hij ook daar alles met wonderbare scherpzinnigheid had geregeld en de harten van de broeders overvloedig had besproeid met de zuiverste bron van de dubbele liefde, begon hij, zeer vermoeid door zijn hoge leeftijd, dag na dag te bezwijken onder een steeds grotere lichamelijke zwakte.

Omdat hij besefte dat het einde van zijn leven nabij was, en verlangend ontbonden te worden en bij Christus te zijn, gaf hij de monniken die om hem heen stonden de vrede en sterkte hij zich voor zijn heengaan met het Lichaam en Bloed van de Heer.

Toen liet hij de klok luiden, die hij op zijn bevel had laten gieten en met de bisschoppelijke zegen had laten wijden (o waarlijk gedenkwaardige daad, een mooi teken!), en terwijl die met zoete klank weergalmde,

verdiende de strijder, die zijn dienst had volbracht, stralend door het licht van zijn verdiensten, zonder einde gelukzalig te worden in de samenzang van de hemel; dorstend naar de levende Bron en vol van dagen, legde hij eindelijk het broze kleed van het vlees af en trok over naar het lichtende paleis van Jezus Christus, toen het derde licht van de maand oktober opstraalde,

in het jaar van de menswording van de Heer 959, in de tweede indictie, met concurrens 5 en epacta 20, op de tweede dag van de week [maandag].

Hier eindigt het leven van de heilige abt Gerardus.

[[/INKLAP]]