H. Gerulfus (Gerolf) van Drongen

Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.

Oudste Vita Gerulfus uit Acta Sanctorum — Vita Gerulfi, vroege 10e eeuw (ca. 923-932), naar het Ms. Bertinianum (Sint-Bertijnsabdij, Saint-Omer). Oudste bewaarde handschrift: Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 70 H 50, fol. 85r-92v (10e eeuw)

HET LEVEN VAN DE HEILIGE GERULFUS

Hoofdstuk I — De ouders en het vaderland van de heilige; zijn vrome kindertijd; het vormsel; zijn dood en begrafenis, beroemd door wonderen en door de bestraffing van de afgunstigen

God, de Schepper van alle dingen, heeft alles wijs geordend. Hij heeft de hemel getooid met sterren die in glans van elkaar verschillen, en de aarde versierd met vele lichten: de heiligen. En zoals de sterren aan de hemel schijnen door het licht van de zon, zo worden de heiligen op aarde verlicht door Christus, de ware zon. Zij verspreiden overal ter wereld de glans van hun wonderen.

Tot die heiligen behoort de martelaar Gerulfus, stralend van goddelijk licht en schitterend door tekenen. Samen met talloze andere uitverkorenen van God wordt hij met vreugde vereerd in Francia (Vlaanderen). Hij rust aan de kust van de Oceaan en doet onder het volk zichtbare wonderen van genezing. Zijn zalige wieg stond, zoals bekend, in de landstreek Mempiscus.

Naar de maatstaf van deze wereld stamde de heilige Gerulfus uit voorname ouders. Die adel bewaarde hij, zolang hij leefde, door een vroom leven. Zijn ouders waren geen onbekenden: zijn vader heette Leutgoldus, zijn moeder Ratguera. Gelukkig waren zij allebei, want God had hun gegeven zo'n groot kind ter wereld te brengen.

Zij woonden in die landstreek, in een dorp dat hun toebehoorde: Merendra. Daar werd hun gezegend kind Gerulfus geboren, toen al door God bemind. Daar werd hij in het heilig doopsel herboren en eervol opgevoed. Al als kind brandde hij zo van liefde voor God, dat hij, thuis of buiten, aan niets anders leek te denken dan aan hoe hij zijn Schepper kon behagen.

Hij hield met heel zijn hart van de priesters en de dienaren van God. Hij bezocht kloosters en kerken van heiligen, en met lichaam en ziel was hij altijd gericht op de dienst van God. Zo blonk hij uit door deze en andere daden die God behagen. Hij was toen nog niet door een bisschop met het heilig chrisma gezalfd.

Op een dag kwam hij naar het klooster Blandinium in Gent, dat volgens de overlevering door de heilige Amandus is gesticht. Heliseus, bisschop van Noyon, was daar toen aangekomen om er de goddelijke diensten te verrichten. Daar werd Gerulfus, net als de anderen, door die bisschop met het heilig chrisma gezalfd. Blij begon hij met zijn peetvader aan de terugweg naar het huis van zijn vader.

Toen zij het klooster Truncinias (Drongen) aan de Leie naderden, vroeg de goedaardige jongen zijn peetvader smekend of zij even naar de kapel van de heilige Moeder Gods Maria konden gaan om te bidden. Daarna konden zij, verkwikt met eten en drinken, verder reizen. Hij had immers het Evangelie gehoord dat zegt: "Zoekt eerst het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid, en al het overige zal u erbij gegeven worden." Zijn peetvader stemde toe, maar niet zozeer uit liefde: hij deed het omdat hij honger had. Na de maaltijd stegen zij te paard en reden snel terug naar waar zij vandaan kwamen. Terwijl zij zo samen verder trokken, werd vervuld wat in de psalm staat: "Met wie uitverkoren is, zult gij uitverkoren zijn, en met wie verkeerd is, zult gij verkeerd worden."

De peetvader liet zich verleiden door de duivel. Het dodelijke gif van de afgunst bedwelmde zijn geest. Hij was niet langer een peetvader, maar een schurk en de ergste moordenaar. Hij zei: "... weldra zult gij sterven door mijn zwaard." Dat was niet de stem van een mens, maar van de duivel die vanbinnen sprak. Dezelfde die ooit, als in een slang, tot de eerste mens sprak, sprak nu door deze man tot zijn petekind.

Wat zei het eenvoudige en nederige petekind toen tot zijn peetvader? "Houd op, houd op," zei hij, "goede vader, doe mij zo'n gruweldaad niet aan. Mij kunt u gemakkelijk doden, maar u zult zwaar zondigen tegen onze gemeenschappelijke Vader. Spaar mij toch, en denk aan uzelf. Want als u doet wat u van plan bent, zal Christus mij, hoe onwaardig ook, naar ik geloof, barmhartig de kroon van het geduld in de hemel geven. Maar u zal Hij de hel geven, de straf die eeuwig blijft."

Die wrede vadermoordenaar had onrecht gebaard en smart ontvangen en ongerechtigheid in zijn hart uitgebroed. De vermaningen van de volkomen onschuldige jongen, bedoeld tot zijn heil, telden voor hem niet. Hij trok zijn zwaard, sloeg toe en trof hem dodelijk. De jongen viel van zijn paard op de grond. Hij was niet meteen dood: hij mocht nog een korte tijd blijven leven, om te kunnen zeggen wie hem had gedood. Want God wilde in zijn goedheid niet dat iemand ten onrechte van zijn moord zou worden verdacht.

Terwijl hij daar halfdood op de grond lag, keerde zijn paard zonder ruiter terug naar de stal waar het gewoonlijk stond. De vrome moeder van de jongen zag het bebloede paard. Door een ingeving van God begreep zij meteen dat haar zoon door zijn peetvader was gedood. Onmiddellijk ging er een groot geweeklaag op. Vader en moeder treurden om hun zoon, het hele huis jammerde, en een luide klacht steeg op naar de hemel.

Toen het geween wat bedaard was, ging de vader met de mannen van het huis op zoek naar zijn zoon. Door de duisternis van de nacht konden zij de plek waar de halfdode jongen lag niet vinden. Ten slotte bracht het paard dat hij had bereden hen erheen. Zij vonden hem bijna al gestorven.

In deze daad van die misdadige moordenaar herken ik de afgunst van Kaïn, de eerste broedermoordenaar. Kaïn en Abel waren broers naar het vlees; deze twee waren broers naar de geest. Van de rechtvaardige Abel lezen we dat hij zijn broer Kaïn nooit met woord of daad kwaad heeft gedaan. Zo heeft ook de heilige Gerulfus zijn geestelijke vader nooit enig kwaad gedaan.

Kaïn werd door afgunst de moordenaar van Abel, en de afgunst van deze man doodde de onschuldige Gerulfus. Want door de afgunst van de duivel is de dood de wereld binnengekomen. Die afgunst verdreef ook de eerste mens uit de gelukzaligheid van het paradijs, en Kaïn heeft, net als deze moordenaar, de hemelse zaligheid verspeeld. Toch lijkt de ongerechtigheid van deze beul nog erger. Van zijn boete horen we niets, terwijl het berouw van Kaïn in het boek Genesis te lezen staat, en men daarom gelooft dat hij rust geniet in de hemel. Maar laat ik dit laten rusten en verder vertellen.

Zo goed als hij nog kon, vertelde de heilige martelaar Gerulfus zijn vader dat zijn peetvader hem had gedood. Hij vroeg ook dat men zijn lichaam naar het klooster van Truncinias zou brengen om het daar te begraven. Tot heil van zijn ziel moest men het stuk grond dat hem toebehoorde aan het altaar van de heilige Maria schenken, en zijn paard aan de clerici die daar God dienden.

Terwijl hij stervend deze woorden sprak, gesterkt door het Lichaam en Bloed van Christus, verliet hij dit tranendal. Juichend steeg hij op naar de hemel, verenigd met de menigte van de heilige martelaren. Met hen geniet hij de glans van de hemelse deugden, jubelend en lovend de Koning van de engelen, die hem waardig had gekeurd in hun roemrijke gezelschap te zijn. [De roemrijke getuige van de Heer stierf op de elfde dag vóór de kalenden van oktober (21 september).]

Maar de vader van de zalige martelaar Gerulfus hield uit wereldse hebzucht het land dat hij aan de heilige Maria had beloofd. Hij liet het eerbiedwaardige lichaam van zijn zoon naar zijn eigen woonplaats brengen en begroef het daar in de basiliek van de heilige Radegundis. Daar ontvangen velen, door de genade van de almachtige God, allerlei genezingen wanneer zij met volkomen geloof zijn hulp inroepen. Blinden, doven, stommen, kreupelen, bezetenen en allen die door allerlei kwalen worden geplaagd, komen daar bidden en keren genezen terug, verlost van hun pijn. Vaak ontstaken daar kaarsen vanzelf, zonder gewoon vuur. Zo toonde Christus, het ware licht, dat Hij hem in woningen van licht bewaarde, en dat het volk hem moest vereren, die Christus, de zon van de gerechtigheid, door het schijnsel van de kaarsen verheerlijkte.

Nog voordat bisschop Rangarius, de zevende na bisschop Heliseus, van deze wonderen had gehoord, gingen er drie geestelijken van het klooster van de heilige belijder Bavo naartoe. Zij waren verblind door duivelse afgunst en bedwelmd door blinde woede. De goddelijke en onuitsprekelijke goedheid had het graf van het allerheiligste lichaam uit de aarde omhoog laten komen. Deze geestelijken probeerden het weer in de aarde te stoppen, veel dieper dan het eerst had gelegen.

O gemene afgunst, wat doet u? Alles wat de Schepper liefheeft, probeert u neer te halen. Maar u glijdt zelf weg, en u die iedereen tot vallen aanzet, zult zelf nooit opstijgen. U hebt onze eerste ouders in het paradijs een kuil van verderf gegraven. U hebt ook deze geestelijken overgehaald de schat te verbergen die de Schepper in zijn voorzienigheid openbaar wilde maken. Zij volgden die goddeloze ingeving, maar bezorgden zichzelf daarmee eeuwige schande en verwarring. Zo is uw boze belofte: wie u gehoorzaamt, trekt u mee naar de hel, en al in dit leven bezorgt u hem smart en schande. Zo verging het ook deze ongelukkigen, over wie ik nu vertel.

De hemelse Koning liet deze gruweldaad immers niet ongestraft. De eerste van hen verloor zijn rechteroog, omdat hij de roemrijke Rechtvaardige niet had willen zien. De tweede viel van zijn paard, brak zijn heup en werd met veel pijn naar huis gebracht, omdat hij het de anderen misgunde dat zij de heilige plaats bezochten. De derde verspreidde, terwijl de anderen erbij stonden, tot zijn eigen schande een vreselijke stank, en trok zich beschaamd terug. Hij had het lichaam van de heilige man, dat zoeter geurde dan alle balsem, behandeld als het rottende lijk van een gewone ongelukkige.

Dit alles deden zij, denk ik, omdat zij vreesden dat de plaats en de eer van hun eigen patroon, de heilige Bavo, zouden afnemen, terwijl de roem van de heilige Gerulfus, die zij dwaas benijdden, elke dag groeide. Dwaas en traag van hart om te geloven, begrepen zij niet dat deze twee, zoals alle heiligen, niet jaloers zijn en niet verdeeld. Want om hun rechtvaardige verdiensten zijn zij bij God, die de ware vrede is en van beiden één heeft gemaakt. Verenigd in liefde leven zij met Hem in de eenheid van zijn liefde, en zonder einde delen zij in de onschatbare glans van de hemel.

Hoofdstuk II — Hoe het lichaam van de heilige na verschillende verschijningen naar Truncinias (Drongen) werd overgebracht; de wonderen; slotwoord van de auteur

Na verloop van tijd zag de Heer van alle mensen genadig dat zijn allerdierbaarste martelaar, de heilige Gerulfus, onopgemerkt in zijn graf lag. In zijn barmhartigheid wilde Hij de stervelingen eindelijk tonen hoe groot zijn verdienste bij Hem was. Dat maakte Hij bekend door de volgende tekenen.

Op aanwijzing van Gods goedheid verscheen de martelaar Gerulfus in een nachtelijk visioen aan Lambertus, priester van die plaats. Herhaaldelijk vermaande hij hem zijn lichaam weg te halen van de plek waar slechte mensen, op aanstichting van de vijand van het menselijk geslacht, het oneervol hadden begraven. Hij moest het overbrengen naar het klooster van Truncinias, waar hij tijdens zijn leven had gevraagd begraven te worden. Maar Lambertus nam dat bevel niet ernstig en stelde het lange tijd uit.

Toen de heilige hem keer op keer opnieuw vermaande, durfde hij het niet langer te verzwijgen. Nederig vertelde hij het aan zijn leermeester, de priester Gonterus. Hij vertelde hoe de heilige zich had verwaardigd hem te verschijnen, wat hij had bevolen te doen met zijn allereerbiedwaardigste lichaam, en dat hij niet één of twee keer, maar vele keren aan hem, geringe mens, was verschenen.

Gonterus, de priester van God, was zeer blij met dit wonderlijke verhaal en dankte de almachtige Heer van harte. Hij kondigde voor zijn parochianen een vasten van drie dagen aan en spoorde allen aan de barmhartigheid van de Schepper te smeken, opdat hij de bevelen van de martelaar waardig en juist zou kunnen uitvoeren. Met raad en zegen van zijn eigen bisschop, de eerbiedwaardige Eirardus, ging hij op weg. Vele priesters en geestelijken gingen mee, en een grote menigte mannen en vrouwen. Zij kwamen naar de basiliek van de heilige Radegundis, waar het heilige lichaam, zoals ik al zei, tegen zijn eigen wil begraven lag. Daar hieven zij de kostbare schat op. Onder psalmgezang en lofzang droegen zij hem met grote eerbied, zoals het hoorde, naar het klooster van Truncinias. Daar zetten zij hem eerbiedig bij in de basiliek van de heilige Moeder Gods Maria. Juichend dankten zij de Heer en zegenden Hem, omdat Hij hun zo'n grote patroon had geschonken.

De heilige martelaar had deze plaats tijdens zijn leven liefgehad. Daarom had hij stervend zijn vader dringend gevraagd hem daarheen te brengen. Maar de vader werd door zijn eigen hebzucht tegengehouden en vervulde de wens van zijn goede zoon niet. Hij was, denk ik, dat heilige werk niet waardig, en het bleef bewaard voor een ander, waardiger iemand. De vader stelde uit wat zijn vrome zoon had gevraagd, omdat hij het land te graag wilde houden. De priester deed graag wat zijn medebroeder hem had gevraagd. Beide vaders, de lichamelijke en de geestelijke, waren dus in zeker opzicht tekortgeschoten. De een had hem gedood. De ander had de begrafenis uitgesteld die hij, op ingeving van de Verlosser, had willen geven.

Naar de plaats waar het gezegende lichaam eerst had gerust, kwam een man die in al zijn ledematen verlamd was, vooral in zijn voeten. Hij bad lange tijd de barmhartigheid van de Almachtige om genezing, en met heel zijn hart smeekte hij de heilige Gerulfus om hulp. Gods goedheid kwam hem te hulp: de heilige martelaar bad voor hem, en hij kreeg de genezing die hij zocht.

Ik zie hierin het wonderbaarlijke werk van de heilige apostelen Petrus en Johannes weerspiegeld. Bij de poort van de tempel in Jeruzalem genazen zij de man die daar vele dagen kreupel had gelegen, en richtten hem op terwijl velen toekeken. Toch zie ik een verschil tussen deze twee verlamden. Die man zocht als jood lichamelijk levensonderhoud. Deze man vroeg als christen niet om voedsel, maar om het herstel van zijn ledematen. De eerste viel de voorbijgangers lastig om zijn maag te vullen. Deze smeekte met tranen niet iemand die in het graf lag, maar iemand die met Christus regeert.

Ik wil in deze twee nog iets diepers zien. De kreupelheid van de jood staat voor het volk van zijn geslacht, dat niet recht wandelde in de wet van de Heer en Hem niet met vaste tred wilde volgen, die gezegd heeft: "Ik ben de weg; wie mij volgt, wandelt niet in de duisternis, maar zal het licht des levens bezitten." De verlamming en kreupelheid van de christen staat voor het volk dat door de doop van Christus herboren is, maar met zijn zinnen gehecht blijft aan de begeerten van deze wereld. Het wil met het oor van het hart niet horen: "Zalig de onbevlekten op de weg, die wandelen in de wet des Heren." Kreupel zijn ook zij die de kerken van God niet bezoeken, die de zieken en gevangenen niet opzoeken, en die andere goede werken traag doen, niet met rechte maar met geveinsde stappen. Maar laat ik terugkeren naar mijn verhaal.

Een andere keer kwam een man die door een demon bezeten was, Otfridus genaamd, naar de gedachtenisplaats van de heilige martelaar Gerulfus. Met Gods hulp en door de tussenkomst van de heilige martelaar werd hij van de boze demon bevrijd, en blij en volkomen gezond keerde hij naar huis terug.

Laat de vorst van de demonen dus niet over ons heersen, hij over wie de Heer zegt: "De vorst dezer wereld komt, en vindt in mij niets van het zijne." Laten wij met heel ons hart de hulp van de heiligen zoeken. Laten wij hun voorbeeld van geduld volgen, en hun lessen van nederigheid en liefde, zodat wij met Gods hulp in hun gezelschap mogen komen. Want de vijand van het menselijk geslacht strijdt onophoudelijk tegen de kinderen van Adam, en hij woedt vooral tegen wie hij iets goeds ziet doen. Hij probeert alle christenen weg te houden van het vaderland van de heiligen, waaruit hij onze voorouders uit afgunst heeft verdreven. Laten wij dus dapper strijden in de renbaan van dit leven, zodat wij de onvergankelijke kroon van de Heer mogen ontvangen. Laten wij met heel ons hart de hulp van de heilige martelaar Gerulfus zoeken. Hij zal ons in zijn goedheid troosten, zodat wij de aanvallen van de vijand kunnen weerstaan. Nu ga ik, met Gods hulp, verder met wat overblijft.

Nog een andere keer kwam een priester, Teutfridus genaamd, die zwaar aan koorts leed, in grote nederigheid naar de gedachtenisplaats van de martelaar Gerulfus. In tranen bad hij dat de martelaar hem in zijn barmhartigheid in zijn ziekte zou helpen en hem de genezing zou geven die hij zocht. Hij die anderen hielp, zou ook hem, ellendige, willen genezen. Terwijl hij bad, kwam hij op de gedachte een drank te maken van het stof van het graf van de heilige, in de overtuiging dat het hem zou helpen. Hij mengde het stof met water en dronk het op. De koorts verdween volledig, en gezond en blij keerde hij naar huis terug.

Bij het graf van deze gezegende gebeuren elke dag in stilte nog vele andere tekenen. Ze vallen niet in de smaak bij onverstandige mensen. Want er zijn mensen die zijn als redeloze dieren. Zij missen het verstand dat de Verlosser bedoelde met het woord "man", toen hij tegen de Samaritaanse vrouw zei: "Roep uw man, en kom." Dat wil zeggen: gebruik uw verstand, zodat u kunt begrijpen wat ik u zeg. Alleen door het verstand verschillen wij van de redeloze dieren, die niet kunnen onderscheiden wat goed of kwaad is. De heiligen doen immers wonderen naar buiten toe, opdat men des te sterker in hen zou geloven.

Dwazen en onnozelen bespotten liever boosaardig wat zij aan goeds bij rechtvaardigen zien, dan het nederig te loven. Zo volgen zij de zieke leer van de farizeeën. Die wezen de allerrechtvaardigste wijsheid van de Verlosser af en berispten Hem met praatzieke uitleggingen, misleid door de dwalingen van hun eigen leermeesters. Maar de heiligen en rechtvaardigen doen niets zonder Gods hulp. Christus zegt immers tot zijn leerlingen: "Zonder mij kunt gij niets doen." Als de uitverkorenen dus niets doen zonder God, dan onteren zij die hun wonderbaarlijke daden bespotten, op schaamteloze wijze God zelf.

Laten wij daarom, zo goed als wij kunnen, alle heiligen de eer bewijzen die hun toekomt, zodat wij door hun voortdurende voorspraak de eeuwige Koning gunstig mogen stemmen. Zie, geliefde broeders, wij hebben een eerbiedwaardige patroon. Laten wij de Heer en de heilige martelaar Gerulfus eren met waardige diensten en lofzangen. Laten wij niet twijfelen aan zijn heiligheid en niet mank gaan in zijn dienst, want velen zijn door hem genezen. Hij is een roemrijke martelaar en triomfeert met de engelen in de hemel. Met de psalmist kunnen wij ook van hem zeggen: "Zeer geëerd zijn uw vrienden, o God, zeer versterkt is hun heerschappij."

Men moet ook weten dat deze gezegende martelaar, zoals hij zelf had gewild en gevraagd, naar het klooster van Truncinias werd overgebracht op de achtste dag vóór de iden van oktober (8 oktober). Een menigte eerbiedwaardige mensen deed dat, en zij loofden en zegenden de almachtige God in den hoge. Hij had hun in zijn onuitsprekelijke goedheid de verborgen en begeerde schat geschonken: de allerheiligste Gerulfus, roemrijke martelaar. Christus omarmt en verheerlijkt hem in het hemelse rijk, met de Vader en de Heilige Geest, de heilige Drie-eenheid, God, aan wie de eer en de macht toekomen in de onsterfelijke eeuwen der eeuwen. Amen.