H. Gislenus (Ghislenus) van Ursidongus (Saint-Ghislain), Apostel van Henegouwen
Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.
Oudste Vita Gislenus, vertaald uit het handschrift (Bergen, UMONS 27/221) — Anonieme Vita geschreven ca. 898-907 door een monnik van de Cel (Saint-Ghislain), deels steunend op fragmentarische, zeer oude kloosteroorkonden en mondelinge overlevering, na de vergetelheid die volgde op de Noormanse verwoestingen van Henegouwen (ca. 881-898). Gislenus zelf overleed ca. 681. De relieken werden rond 929-930 herontdekt en in 933 kwam er, onder de heilige Gerardus van Brogne, een reguliere kloostergemeenschap tot stand (zie "Inventio et Miracula S. Gisleni", 10de eeuw). Oudste bewaarde handschrift: Bergen, UMONS, cod. 27/221, fol. 8r-23v en 28r-v (f. 28 verplaatst; f. 10-11 op papier, jongere hand) (Sint-Ghislain, ca. 1035-1075).
PROLOOG
Het lijkt mij, dierbare broeders, passend en zeer nuttig om u, al is het met onbeholpen woorden, iets te vertellen over de voorbeelden van de heilige Vaders. Maar omdat ik mij bewust ben van mijn onkunde, huiver ik om een werk aan te vatten dat de heilige Hiëronymus, onder de werking van de Heilige Geest, al heeft volbracht.
Al ben ik zo'n taak onwaardig, toch mogen wij vast geloven dat de Heer tot de mens die recht denkt en handelt heeft gezegd: "Open uw mond, en Ik zal hem vullen."
Daarom smeek ik nederig de Heilige Geest, die in de harten van de uitverkorenen woont, en roep ik met heel de aandacht van mijn geest zijn adem aan. Zoals Hij eens een redeloos dier het verstand inblies om te spreken, zo moge Hij ook mijn mond vullen met de zoetheid van welluidende woorden. Dan kan ik de harten van de toehoorders aandachtig maken en hen onophoudelijk aansporen om samen met mij de Heer met veelstemmig gezang te loven.
Maar wat kan ik, zo gering en ellendig, bijna sprakeloos, waardig vertellen over de vrienden van God, die gehoorzaam aan de geboden van de Heer onvermoeid en met heel het verlangen van hun ziel de voetsporen van Christus zijn gevolgd? Het is immers passend en rechtvaardig dat het woord dat ik begonnen ben, u nu vertelt over hem over wie ik wil spreken.
HET LEVEN VAN DE HEILIGE GISLENUS, BELIJDER VAN CHRISTUS
De eerbiedwaardige priester van God Gislenus stamde uit het Attische volk, uit ouders die in deze wereld beroemd waren en schitterden door christelijke adel. Hun wereldse praal achtte de begaafde jongen gering. Hij verheugde zich in de armoede van Christus en zocht met een edel hart hoe hij de hemelse Koning kon behagen.
Hij werd toevertrouwd aan leermeesters in de vrije kunsten en raakte daarin volledig onderlegd. Daarna legde hij zich toe op de wijsbegeerte in Athene, de edelste stad van de Grieken, de stad die alle volken in hun talen de bloesems van alle welsprekendheid heeft geschonken.
Toen hij in deze wereldse wetenschap ruimschoots onderricht was en er niets van ware goddelijkheid in vond waarmee hij de duisternis van de onwetendheid kon verdrijven, vertrouwde hij zich toe aan de leraars van de Heilige Schrift.
Zo groeide hij op van kind tot man. Het leek hem misschien niet welgevallig genoeg aan God om zich alleen uit eigen vrije wil in de dienst van de Almachtige te binden; beter leek het hem zich te onderwerpen aan de regels van oversten. Hij trad dus in een klooster en onderhield er als monnik standvastig de regel van de heilige Basilius.
Daar verzamelde hij, als een wijze bij, in de diepste kamer van zijn geest de honing van allerlei deugden. Aan groot en klein gaf hij het voorbeeld van nederigheid en grote gehoorzaamheid. Vervuld van de gave van de deugden kon hij immers met de Psalmist zeggen: "Hoe zoet zijn uw woorden voor mijn gehemelte, Heer, zoeter dan honing en honingraat voor mijn mond."
Zo, omkranst met de nectar van de gerechtigheid, werd de eerbiedwaardige Gislenus tot de kerkelijke wijdingen bevorderd. Toen hij priester was geworden, ontstond in zijn hart een onuitsprekelijke liefde voor God en de heiligen, en hij dacht na over hoe hij zich door de voorbeelden van de rechtvaardigen van vroeger kon laten onderrichten.
Terwijl hij dit met een eenvoudig hart overwoog, herinnerde hij zich dat de allerheiligste martelaar van Christus Dionysius eertijds uit Athene was vertrokken en naar Rome was gegaan om de apostelvorsten Petrus en Paulus te bezoeken, die al als martelaren ten hemel waren opgestegen. Aangevuurd door het voorbeeld van deze getuige van God, en op vriendelijke aansporing van de abt en van alle broeders, verliet hij het klooster en trok hij naar Rome om er te bidden.
Daar verbleef hij zeer lange tijd in gebed tot God en bij de heilige plaatsen. Toen werd hij door een goddelijke stem vermaand naar Gallië te gaan, de gouw Henegouwen op te zoeken en daar een plaats die Ursidongus heet, aan de rivier de Haine. Daar moest hij een bidplaats bouwen ter ere van Petrus en Paulus en, God dienend, het einde van zijn leven afwachten.
Verheugd door dit visioen trok hij naar de provincies van Gallië, niet ongelijk aan de grote aartsvader tot wie, volgens het getuigenis van de oude Schrift, gezegd werd: "Trek weg uit uw land en uit uw familie, en kom naar het land dat Ik u zal tonen."
Met zijn twee leerlingen Lambertus en Bellerius trok de voortreffelijke vader Gislenus door Gallië en Francië, overal door steden en streken, en kwam ten slotte in de gouw Henegouwen. Toen hij daar alle dorpen en kloosters had gezien, hoorde hij uit de wijdverspreide faam veel wonderbaarlijks vertellen over de zalige bisschop Amandus.
Hij ging dus naar hem toe. Zij groetten elkaar en spraken samen over de dingen van God, en daarna liet de eerbiedwaardige bisschop Gislenus gaan. Zo kwam Gislenus aan op de plaats die Castralocus heette. Hij meende dat dit de plaats was die God hem had aangewezen, en begon met alle kracht doornen, distels en al het schadelijke met wortel en al uit te roeien, omdat hij er een cel wilde bouwen om God te dienen.
In die tijd regeerde de roemruchte koning Dagobert over het hele Frankenrijk. Hij verbleef toen voor de jacht in de gouw Brabant. Toen hij op een dag daarvoor door de wildernis langs de Haine trok, joegen de honden een grote berin op. In snelle vlucht bereikte zij de plaats waar Gislenus aan zijn zware arbeid bezig was, en verborg zich onder de kleren van de heilige die aan een boom hingen. De honden, die haar op de voet volgden, durfden haar zelfs niet te naderen.
Ook de jagers kwamen vermoeid aan. Toen zij zagen dat de honden niet dichterbij durfden te komen, keerden zij zich bijna tegen de dienaar van God en zijn leerlingen. Zij vielen hen aan met woorden en stokken en noemden hen tovenaars en boosdoeners, door wier betovering de honden verlamd zouden zijn en het dier niet durfden te grijpen.
Intussen kwam de koning zelf erbij. Hij gebood zijn mannen te bedaren, wendde zich tot de man van God Gislenus en zei: "Zeg ons wie u bent en wie de mannen bij u zijn, en waarom u onze honden met toverspreuken hebt geschaad."
De zalige Gislenus antwoordde hem onbevreesd: "Wij hebben uw honden helemaal niet gekwetst. Het wild dat u zoekt, ligt daar; als het u behaagt, koning, neem het, want wij hebben het helemaal niet nodig. Wat wij nodig hebben, is de barmhartigheid van God." De koning merkte de hemelse kracht in de man op en trok zich met zijn honden terug, terwijl het dier in de schaduw van de neerhangende kleren bleef liggen.
Terwijl de heilige Gislenus zich met de zijnen weer aan het werk zette, stond de berin op. Zij greep de mand van de heilige man waarin het gewijde gerei zat dat hij bij de plechtige vieringen van de mis gebruikte, en liep er stapvoets mee weg. Toen de zalige man dit zag, zuchtte hij diep en zei: "O God van onmetelijke goedheid, sta mij, ellendige, bij; geef terug wat U mij door vijandige rijken heen hebt bewaard."
Met deze woorden zette de zalige Gislenus met de zijnen de achtervolging in van het dier met de mand in de muil. En zie, een grote adelaar kwam naar hem toe gevlogen en bood zich aan als gids voor de heilige. Aan de trage vlucht van de adelaar, die telkens op hem wachtte, begreep hij dat die om hem uit de hemel was gekomen.
Hij volgde hem zonder aarzelen tot in de open velden, waar de adelaar weer hoog de lucht in vloog. Daar vroeg hij aan de herders die hij er aantrof of zij een dier hadden gezien dat iets droeg en door het dichte struikgewas wegliep. De herders zeiden: "Kijk, het haast zich vóór u uit en draagt iets als een kledingstuk in de muil."
Toen de goede man dit hoorde, liep hij het dier achterna en vond het in een struikgewas dat toen Ursidongus heette – zo genoemd omdat diezelfde berin daar haar jongen placht te verzorgen; nu heet het Cella. De jongen hielden de mand die hun moeder had aangebracht in muil en poten en speelden ermee.
Nadat hij het gewaad onbevlekt had teruggekregen, gebood de heilige Gislenus het dier en haar jongen, in Gods naam, onmiddellijk terug te keren naar de afgelegen bossen en voortaan in die gouw mens noch vee meer kwaad te doen. De berin trok zich op het woord van de heilige terug en heeft nadien in die streek niemand meer kwaad gedaan.
O u, die veel slechter bent dan de wilde dieren, en – helaas! – niet alleen de woorden van de heiligen, maar zelfs die van de Almachtige veracht! Zie, de vrome en zachtmoedige man gebiedt, en het wrede en woeste dier gehoorzaamt. Mens, voor wie alles geschapen is, let hierop: onderwerp u aan de Schepper, en heel de schepping zal u gehoorzamen. Maar laten wij dit nu laten rusten en alles in volgorde vertellen.
Blij om het heilige gewaad en om de plaats die God hem had bestemd, nam de eerbiedwaardige Gislenus bijlen en houwelen ter hand en begon met zijn gezellen de plaats te ontginnen en struiken en doornen met wortel en al uit te trekken. Toen de grond van alle schadelijke bomen was gezuiverd, besloot hij eerst een basiliek te bouwen ter ere van de heilige apostelen Petrus en Paulus, zoals God hem had bevolen.
Deze lofwaardige balling was immers getooid met de bloemen van alle kennis: waakzaam in gebed, uitmuntend in gastvrijheid, voortreffelijk in soberheid, mild voor de armen en ten volle versierd met de genade van alle deugden. Daarom – zoals de Apostel zegt: "Wij zijn de goede geur van Christus" – verspreidde de faam van zijn heiligheid zich onder het volk en bereikte zij de zetel van de goede bisschop Autbertus.
Deze heilige bisschop wilde dat gerucht niet zomaar geloven, want hij wist dat er geschreven staat: "Geloof niet iedere geest, maar beproef de geesten of zij uit God zijn," en ook: "Beproef alles, behoud wat goed is," en wat volgt. Daarom liet de bisschop van Kamerijk, de heilige Autbertus, hem door een bode bevelen zonder talmen zo snel mogelijk voor zijn zetel te verschijnen.
Graag gehoorzaamde hij aan het bevel van de bisschop en hij ging op weg naar de stad. Toen hij, terwijl de zon haar schaduwen over de aarde liet vallen, in het dorp kwam dat Racemus heet, vond hij na lang en veel zoeken een man die hem onderdak gaf.
Die nacht rustte de heilige daar. Toen hij 's morgens wilde vertrekken, vroeg zijn gastheer hem: "Vader, zoals ik het inschat, zijn de werken die u doet God welgevallig. Daarom smeek ik u nederig dat u na uw gesprek met de bisschop weer bij ons terugkomt." De heilige Gislenus weigerde dat niet.
Toen hij in de stad Kamerijk was aangekomen, werd hij voorgesteld aan de heilige bisschop Autbertus, die hem vroeg: "Zeg ons, broeder, waar komt u vandaan, en wat is uw staat?" De heilige Gislenus antwoordde:
"Van afkomst ben ik Griek, van waardigheid christen. In Athene ben ik geboren en opgevoed, en door het doopsel van Christus herboren. Na naar Rome te zijn gegaan, ben ik op Gods bevel naar dit land gekomen. In de gouw Henegouwen, aan de rivier de Haine, op de plaats die Ursidongus heet, werk ik met mijn handen, omdat ik voor God een bidplaats wil bouwen ter ere van de apostelen Petrus en Paulus. Ik wilde uw heiligheid opzoeken om verlof te vragen om voort te zetten wat begonnen is, maar uw genade, die mij heeft ontboden, is mij voor geweest."
De goede bisschop overwoog de woorden van de rechtvaardige man, vond er niets verkeerds in en kreeg hem lief. Hij zegende hem en liet hem gaan met het verzoek het begonnen werk van God te voltooien, en hij beloofde het te komen zegenen zodra hij hoorde dat het klaar was.
Zo keerde de terecht vereerde Gislenus terug en kwam hij bij zijn trouwe gastheer in het dorp Racemus. Maar diens vrouw lag zwaar ziek na een bevalling. Daarom liet de godvrezende gastheer de heilige man, zoals het paste, in een ander huis verblijven.
Toen de ziekte van zijn vrouw nog erger werd, snelde de man haastig naar de heilige, het gezicht vol tranen, en zei: "Dienaar van God, kom mijn vrouw te hulp, die op sterven ligt. Weiger niet Gods goedheid te bidden voor haar, nu zij haar laatste adem uitblaast."
Bewogen door zijn tranen zei de dienaar van God met profetische stem: "Leg alle droefheid af, man, want wanneer u thuiskomt, zult u uw vrouw gezond aantreffen, met een pasgeboren zoon."
De man keerde, hoewel nog bedroefd, onmiddellijk naar huis terug en vond een dubbele vreugde: zijn vrouw was gezond, zoals hij de leerling van Christus met eigen stem had horen zeggen. De heilige Gislenus hief het kind zelf uit het heilige doopvont.
Voor zulke grote weldaden, die de zalige profeet hem van Godswege had geschonken, droeg de man alles wat hij in het dorp Racemus bezat over aan zijn goede peetvader, ten behoeve van de heilige apostelen Petrus en Paulus, voor wie Gislenus een bidplaats bouwde. Teruggekeerd voltooide de getuige van God daarna in Cella de basiliek die hij begonnen was.
Lange tijd later reisde koning Dagobert langs de cel van de heilige. Omdat de weg ernaartoe door de moerassen moeilijk begaanbaar was, nam de heilige wijwater, een wierookvat met wierook en het heilige Evangelie, en haastte hij zich de koning tegemoet. Hij wist immers dat er geschreven staat: "Wees om de Heer onderdanig aan ieder menselijk gezag, hetzij aan de koning als de hoogste."
Toen de koning de heilige profeet zag, herkende hij hem en vroeg: "Wat wilt u, geliefde van God?" De heilige zei: "Ik ben een balling en vreemdeling, mijn heer koning, en ik ben uit een ver land naar deze streken gekomen, namelijk uit Athene, de edelste stad van de Grieken, en dat op Gods bevel."
"Nu smeek ik u met aandrang dat u ons plaatsje iets van uw koninklijk bezit wilt schenken, zodat zij die daar God dienen er enig levensonderhoud van hebben en onophoudelijk voor het welzijn van de koning kunnen bidden tot Christus, de eeuwige Heerser."
De koning luisterde graag naar het verzoek van de heilige Gislenus. Hij schonk aan de heilige apostelen Petrus en Paulus het plaatsje dat nu Cella heet, met alles wat er in de omtrek aan bossen, wateren en andere nuttige zaken lag, en bovendien het dorp Hornutum met al zijn toebehoren. Nadat hij dit met een blij hart en naar recht had geschonken, ging de koning verheugd verder.
Door deze koninklijke steun nog meer bemoedigd, legde de lofwaardige man Gislenus zich nog vuriger toe op de dienst van God, en dankte hij Hem die alles met goedgunstig bestuur volbrengt.
Toen de bidplaats voltooid was, vroeg de goede herder Gislenus de heilige bisschoppen Autbertus en Amandus om te komen en haar met hun bisschoppelijk gezag te zegenen. De eerbiedwaardige bisschoppen deden dit eerbiedwaardig, onder grote toeloop van volk.
In die tijd leefde aan het hof van koning Dagobert ook een edelman, Madelgarius genaamd, die later Vincentius werd genoemd. Zijn vrouw, een bloedverwante van de koning, heette Waldetrudis. Deze Madelgarius kwam door Gods ingeving en de vermaningen van de heilige bisschoppen tot inkeer. Hij ontving uit de handen van de heilige Autbertus de tonsuur en sloot zich nederig op in Altusmons, onder de regel van de heilige Benedictus, die hij gelukkig tot het einde toe onderhield.
Zijn vrouw, de zalige Waldetrudis, leefde verder in de wereld en bestuurde op edele wijze de kinderen en landgoederen die haar man haar had toevertrouwd. Opdat de vrouw van zo'n man niet door de wereldse bezigheden zou worden misleid, werd de priester van de Heer Gislenus door een goddelijke stem onderricht haar te bezoeken en haar met zoete woorden tot het goede aan te sporen, zodat zij de praal van de wereld zou opgeven en het voorbeeld van haar man zou volgen, die nu in onthouding leefde.
De heilige ging dus naar haar toe en spoorde haar overvloedig aan met liefdevolle en hemelse lering. Toen de dienares van Christus Waldetrudis het onderricht van de voortreffelijke vader Gislenus had gehoord, zei zij dat zij helemaal niet in de glorie van de wereld wilde leven, maar niet wist waar of hoe zij zich aan de dienst van God moest binden.
Na zulke heilige vermaningen zag de dienares van God Waldetrudis in een visioen hoe zij de kerk binnenging die in het dorp Buxutum staat. En zie, de heilige bisschop Gaugericus keek haar blij aan en reikte haar een kelk vol uitstekende wijn, terwijl hij zei: "Doe wat u doet, want wat u doet, behaagt God en mij."
Door dit visioen begon de volgelinge van Christus, als most die in de zak gist, door de genade van de Heilige Geest getroffen, te branden voor de dienst van God, en zij zei met de Psalmdichter tot haar hemelse Bruidegom: "Hoe heerlijk is uw kelk, die dronken maakt!"
Toen zij dit visioen in alle eenvoud aan enkele van haar dienaressen had toevertrouwd, spraken die er onderling spottend over, zoals zulke mensen doen, en zo kwam het ter ore van het onedele volk. Het woord van de Heer verbiedt dat, waar Hij in het Evangelie zegt: "Werp uw parels niet voor de zwijnen." Want zoals zwijnen beschimpt het domme en onedele volk de woorden en werken van de rechtvaardigen en lacht het ze uit, als met geknor.
Zo begonnen sommigen, terwijl de gemeenschappelijke vijand onkruid zaaide, lasterlijk over de dienares van Christus te spreken, anders dan de zaak was. De dienares van God, nog onervaren in het geloof, was daarover ontsteld; maar door een vermaning van een engel in haar slaap onderricht, legde zij onmiddellijk haar nutteloze droefheid af.
Daarna kwam de heilige Gislenus opnieuw bij haar. De heilige vrouw vertelde hem het visioen dat zij had gezien; dat zij het in eenvoud van hart aan haar dienaressen had verteld; dat velen haar daarom ten onrechte hadden belasterd; maar ook dat zij door het bezoek van een engel in een visioen was getroost.
Toen de heilige Gislenus dit had gehoord, zei hij nederig tot haar: "Zo'n geheimvol visioen van God had u moeten toevertrouwen aan geestelijke mannen, die u op waardige wijze hadden kunnen onderrichten, niet aan wereldse vrouwtjes die aan de wereld zijn toegewijd. Stel dus niet langer uit wat ik u al zo vaak heb aangeraden, maar keer u met heel uw geest naar de dienst van God."
"Ik zal u tonen wat u moet doen. Toen ik voor het eerst in deze streken kwam en zocht waar ik kon wonen en God dienen, vond ik een berg. Hij is bebost, maar als hij ontgonnen wordt, is hij geschikt voor wie God willen dienen. Koop hem, als u kunt, en bouw er woningen voor uzelf en voor wie u volgen." En hij bracht haar erheen en toonde haar de plaats.
De plaats beviel de heilige Waldetrudis. Op raad van de heilige Gislenus stuurde zij een bericht naar de eerbiedwaardige Hildulfus, wiens vrouw Aja een bloedverwante van de heilige was, met het verzoek om op de berg die haar getoond was een huis voor haar te bouwen, waarin zij dag en nacht haar Schepper kon dienen.
De eerbiedwaardige Hildulfus kwam, zeer blij met deze opdracht, kocht de plaats van de eigenaars en bouwde op de top van de berg een al te hoog en prachtig huis. Toen de dienares van God het huis kwam bekijken dat voor haar was gebouwd, schrok zij terug voor de pracht ervan: als arme dienares van Christus wilde zij niet in een hoogmoedig huis wonen.
De hemelse Bouwmeester zag haar nederigheid en zond de volgende nacht een hevige storm met hagel, die dat huis helemaal omverwierp. Toen Hildulfus hoorde wat er gebeurd was, keerde hij naar de plaats terug. De heilige vrouw toonde hem, zoals zij het van de heilige Gislenus had gehoord, de plaats die de heilige was begonnen te ontginnen. Daar werden de schadelijke bomen met wortel en al gerooid, en werd opnieuw een huis voor haar gebouwd op de flank van de berg, met een bidplaats ter ere van de heilige apostelen Petrus en Paulus.
De heilige priester van God Gislenus, in alles de wijste raadgever van de heilige Waldetrudis, spoorde haar daarna aan naar de goede bisschop Autbertus te gaan, om door zijn gezag het kleed van het onschuldige leven te ontvangen; en dat deed zij graag. Na het ontvangen van de heilige sluier wijdde zij zichzelf en al het hare meteen aan het leven met God, en gaf zij overal aan velen het voorbeeld van haar heiligheid.
Toen de glorierijke vader Gislenus zag dat zij in haar heilig voornemen in alles gesterkt was, verheugde hij zich zeer, omdat hij met eigen ogen zag wat hij al lang voor haar had gewenst. Verder vermaande de heilige de heilige vrouw om ook haar zuster, het jonge meisje Aldegundis, net als zichzelf voor God te winnen, en ook haar dochters Aldetrudis en Madelberta niet te verwaarlozen, maar ze aan God toe te wijden.
Zo wijdde de goede Aldegundis zich, door goddelijke ingeving, op aandringen van de heilige Waldetrudis en onder het onderricht van de goedertieren vader Gislenus, aan de dienst van God in het klooster van Melbodium, dat haar misschien uit de erfenis van haar vader en moeder was toegevallen, tegenover haar nicht de heilige Gertrudis.
Nadat de maagd Aldegundis daar een bidplaats en andere woningen had gebouwd, ging zij haar zuster bezoeken op de berg in Castrilocus. Uit medelijden met de armoede van haar zuster probeerde zij haar over te halen die plaats te verlaten en naar de hare te komen, die groter was en beter voorzien van dienaren en dienaressen.
De heilige Waldetrudis antwoordde haar: "Ik verkies het om al mijn levensdagen op deze plaats, hoe arm ook, God te dienen, liever dan te gaan waarheen u mij drijft. God zal immers nooit toelaten dat ik van honger omkom. 'De rijken,' zegt de Psalmist, 'zijn arm geworden en hebben honger geleden, maar wie de Heer zoeken, zullen aan geen goed gebrek hebben.' Van deze plaats zal ik genieten zolang ik leef; de goddelijke goedheid heeft haar mij door haar dienaar Gislenus geschonken. Keer dus terug naar uw gemeenschap, lieve zuster, en leid haar volgens de regel." Zij ging dan ook heen en vertrok, met God als gezel.
In die tijd voltooide de heilige bisschop Amandus de loop van zijn arbeid en gaf hij zijn geest, beladen met hemelse rijkdommen, terug aan de eeuwige Koning. De heilige maagd Aldegundis zag in een visioen hoe hij door de Koning der koningen, de Heer, met een hemelse kroon werd gekroond.
Dit visioen wilde zij aan geen van de meisjes die bij haar leefden vertellen. Zij zond een bode naar de man van God Gislenus met het verzoek haar samen met haar zuster te komen bezoeken. Toen zij kwamen, ging de heilige maagd hun tegemoet tot de plaats die Meinrivus heet. Zij groetten elkaar en spraken jubelend over de hemelse dingen. Toen vertelde de goede Aldegundis hun het visioen.
De eerbiedwaardige Gislenus zei tot haar: "Omdat u, jonge maagd, verdiend hebt de Heer te zien terwijl Hij de ziel van zijn vriend kroonde, weet dan zeker dat dit u niet getoond werd om hem die gekroond werd, maar om uzelf, die nog in de strijd staat. Ik weet dat het einde van uw tegenwoordig leven nabij is. Daarom vraag ik u: blijf standvastig in het werk van God, en smeek zijn goedheid dat Hij u een beproeving zendt, waardoor u, nog meer gezuiverd, samen met de heilige Amandus voor eeuwig beloond mag worden."
De heilige maagd volbracht het woord van het Evangelie: "Wie zijn leven in deze wereld haat, zal het bewaren voor het eeuwige leven." Zij vroeg de Heer om beproevingen en mocht die ontvangen: in haar rechterborst ontstond kanker. Zij had deze beproeving vurig lief, omdat zij wist dat ze haar tot heil zou strekken als zij ze geduldig verdroeg; en dat deed zij tot het einde toe.
Terwijl de twee zusters met de heilige belijder Gislenus zeer zoete woorden wisselden, besloten zij in gemeenschappelijk overleg dat de cel van de man van God voor altijd verbonden zou zijn met het klooster van de goede Aldegundis – en zo is het tot op vandaag gebleven.
Zij bepaalden ook dat de abten of abdissen van het klooster van Melbodium de abt en de broeders die in de cel van de heilige Gislenus wonen in alle noden zouden bijstaan, en een brug zouden bouwen waarover het gelovige volk naar die plaats kon gaan om te bidden. Zoals bekend is de weg naar die cel immers door de moerassen onbegaanbaar. Wat hier gezegd wordt, werd bevestigd door een oorkonde van koning Karel de Grote, ten tijde van Elefans, abt van diezelfde plaats.
Intussen keerden de heilige Gislenus en de goede Waldetrudis terug en kwamen zij in het dorp Framereias, dat de heilige vrouw had gekocht. Zij gaf er een deel van aan de heilige man en zei: "Ontvang, dienaar van God, een deel van mijn bezit, waarvan u met uw gezellen kunt leven." Daarna keerden zij elk naar huis terug.
Niemand kan uitdrukken hoe groot de liefde was tussen de heilige Gislenus en de dienares van God Waldetrudis, en hoe zij die bewaarden tot op hoge leeftijd. Door hun ouderdom konden zij elkaar niet meer bezoeken. Daarom besloten zij samen om in het dorp Quaternio een bidplaats te bouwen ter ere van de heilige martelaar Quintinus, en daar kwamen zij gewoonlijk samen om met elkaar te spreken.
Ook deze bidplaats droeg zij over aan de heilige Gislenus, ten behoeve van de heilige apostelen Petrus en Paulus, om er de armen te verzorgen. Die had de herder om de liefde van Christus liever dan goud en topaas, omdat hij op de dag van het laatste oordeel die honingzoete stem van de Heer wilde horen: "Wat u gedaan hebt aan een van mijn geringsten, hebt u aan Mij gedaan."
Er is veel, ja ontelbaar veel dat het volk over deze allerheiligste man Gislenus vertelt, of dat in zeer oude oorkonden nauwelijks te ontcijferen is. Daarin vindt men wel hoe volhardend hij was in het gebed, toegewijd aan heilige nachtwaken, opvallend door soberheid, tevreden met de schamelheid van de armoede, bemind door de behoeftigen en vervuld van alle deugden van God.
Toen de Koning der eeuwen besloot hem voor de strijd van zijn arbeid de palm van de eeuwige glorie te schenken, verliet hij, vol van dagen en van genade, de wereld, die hij uit vrees voor God moedig had overwonnen. Hij gaf zijn geest, vermoeid door de dienst van God, terug aan zijn Schepper, die leeft en heerst in de eeuwen der eeuwen.
Zijn leerlingen begeleidden eerbiedig zijn zalige uitvaart en begroeven zijn allerheiligst lichaam met grote eer in de basiliek van de allerzaligste apostelen Petrus en Paulus. Daar worden door de voorspraak van zijn waardige verdiensten goddelijke weldaden verleend, tot lof en glorie van onze Heer Jezus Christus, aan wie met de Vader en de Heilige Geest eeuwigheid, majesteit en heerschappij toekomen door alle tijden. Amen.
Op die plaats rustte het lichaam van de heilige Gislenus vele jaren lang, totdat de grote koning Karel de plaats ter bewaring gaf aan een abt uit zijn familie, Elefans genaamd, met de opdracht de bidplaats waarin deze heilige rustte hoger en mooier op te bouwen.
Toen ze met meer luister was herbouwd, vroeg deze edele abt de bisschop van Kamerijk, Halitgarius, om te komen en ze naar katholiek gebruik te wijden. De bisschop kwam en zei dat ze niet gezegend mocht worden zolang het lichaam van een heilige of relieken van heiligen erin bleven.
Na samen overleg te hebben gepleegd, hieven zij de gebeenten van de zalige op, droegen ze buiten de bidplaats en verborgen ze achter de apsis en het venster van het altaar; abt Elefans wilde ze nadien weer naar binnen brengen. Zo werd de basiliek gewijd ter ere van de apostelvorsten Petrus en Paulus en van de andere heiligen, op de achtste dag vóór de kalenden van augustus (25 juli), ten tijde van koning Lodewijk, de zoon van de roemruchte Karel.
Toen de abt daarna de bisschop vroeg wat er met het allerheiligste lichaam moest gebeuren, zou de bisschop geantwoord hebben: "Laat de heilige daar rusten, totdat het Gods goedheid behaagt zijn verdiensten aan alle mensen duidelijker te openbaren." Zo rustte het stoffelijk overschot van de heilige daar vele jaren, door de herhaalde invallen van de heidenen en de nalatigheid van de heren, totdat de plaats weer een verlaten wildernis werd.
[[INKLAP]] Noten bij de vertaling
Handschrift. Vertaald uit het oudste bewaarde handschrift: Bergen (Mons), UMONS, cod. 27/221, f. 8r–23v en f. 28r–v (Sint-Ghislain, 11e eeuw). Twee bijzonderheden: f. 10r–11v zijn latere papieren vervangingsbladen in een veel jongere hand; dat gedeelte (van "beter leek het hem" tot "in Gods naam") is dus niet het oorspronkelijke perkament. En het vervolg van f. 21v staat op een verplaatst blad, nu f. 28; de vertaling volgt de juiste leesvolgorde.
Plaatsnamen. Het handschrift gebruikt de oude namen: Castralocus/Castrilocus = Bergen (Mons); Ursidongus/Cella = Saint-Ghislain; Racemus = Roisin; Hornutum = Hornu; Altusmons = Hautmont; Melbodium = Maubeuge; Buxutum = Boussu; Framereias = Frameries; Quaternio = Quaregnon.
Data. De Vita geeft geen jaartallen. Volgens de Bollandisten stierf Gislenus omstreeks 681 en werd de basiliek mogelijk in 818 gewijd. Met "de heidenen" zijn de Noormannen bedoeld (invallen in Henegouwen ca. 881–898).
De berin en de adelaar. De Bollandisten noemen deze episode "naar fabel riekend"; de tiende-eeuwse schrijver van de Inventio liet haar weg. Zij staat echter in het handschrift en is daarom volledig vertaald.
[[/INKLAP]]
[[INKLAP]] Na de Vita: de terugvinding van de relieken
Juist deze vergetelheid bracht omstreeks de eeuwwisseling een monnik van de Cel ertoe deze oudste Vita op te tekenen, deels steunend op fragmentarische, zeer oude kloosteroorkonden – de Vita spreekt zelf van oorkonden die "nauwelijks te ontcijferen" zijn – en op de mondelinge overlevering.
Enkele decennia later, omstreeks 929–933, beschreef een anonieme leerling van abt Gerardus van Brogne, de hervormer die de abdij nieuw leven inblies, in een afzonderlijk werk, de "Inventio et Miracula S. Gisleni", hoe de vergeten relieken werden teruggevonden: eerst door een visioen aan de blinde Becherus, die bij het graf zijn gezichtsvermogen terugkreeg, en daarna aan de leek Wineradus, die op 30 september (feest van de aartsengel Michaël) de opgraving verrichtte.
Vijftien dagen later werden de relieken, onder gezag van bisschop Stephanus van Kamerijk en zijn aartsdiaken Gilbaldo, plechtig overgebracht; talrijke genezingen van blindheid en doofheid volgden. Rond 933 werd hier, op initiatief van abt Gerardus, een reguliere monniksgemeenschap gesticht – dezelfde Gerardus die op 3 oktober 959 zelf als heilige zou sterven in Brogne. Op 21 augustus 938, tijdens de opstand van hertog Gislebert tegen koning Otto, verwoestte een brand het klooster, maar de crypte met de relieken van Gislenus bleef midden in de vlammen ongedeerd.
Van Gislenus' twee leerlingen, de priesters Lambertus en Bellerius, die hem van Athene tot in Henegouwen hadden vergezeld, is weinig meer bekend dan dat zij hem in deugd navolgden en trouw bleven; hun gebeente rust samen met dat van hun meester in de kerk van Saint-Ghislain. De Acta Sanctorum vermelden hen op 9 oktober, samen met hun meester.
[[/INKLAP]]