H. Gummarus (Gommaar) van Lier
Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.
Rechtstreeks vertaald uit de oudste Vita — Vita door Theobaldus, geschreven voor proost Sigerus van Lier, uiterlijk 12e eeuw (Acta Sanctorum, oktober V). Oudste bewaarde handschrift: Brussel, KBR, ms. 197, fol. 127r-130r (15e eeuw); het handschrift van de Sint-Gummaruskerk te Lier dat de Bollandisten gebruikten, is verloren
LEVEN VAN DE HEILIGE GUMMARUS, BELIJDER, door Theobaldus
PROLOOG (uit de Vita in verzen)
Aan heer Sigerus, proost van Lier, wenst broeder Theobaldus het hoogste heil. Uw liefde heeft mij aangespoord de stijl te veranderen van het Leven van de heilige Gummarus, dat wat boers leek. Hoewel dat zo was, en ik er ook zo over dacht, wilde ik toch niet meteen op uw verzoek ingaan. Niet omdat ik de moeite uit de weg ging, maar omdat ik bedacht dat sommigen er anders over denken dan wij. Toen u het mij opnieuw vroeg, verontschuldigde ik mij nogmaals, maar met verontschuldigingen kwam ik niet verder.
U drong zo vasthoudend aan, en ik wilde geen vriend kwetsen voor wie ik niet alleen mijn bezit en mijn moeite, maar ook mijzelf overheb. Daarom stemde ik ten slotte toe. Ik ging aan het werk en heb, met behoud van de inhoud, de stijl veranderd, vooral omdat ik begreep dat uw hart brandt van vrome en oprechte toewijding aan de heilige Gummarus. Ik heb er ook voor gezorgd een heldere zaak niet in duisternis te hullen: een eenvoudige stof vroeg om een eenvoudige stijl.
Maar zorg er, mijn broeder, voor dat u mij niet blootstelt aan de tanden van de afgunst en de beten van de kwaadsprekerij, alsof ik overbodig een nieuw werk over het oude heen leg. Aan hen vraag ik vergeving, om vrede smeek ik. Ook zoek ik bescherming bij het recht en vraag ik dat zij niet oordelen over wat niet onderzocht is. Laat de afgunst ophouden, bid ik, laat de kwaadsprekerij verstommen.
Als ik gedwaald heb, als ik te ver ben gegaan, dan heeft de vroomheid gedwaald, dan heeft de liefde gedwaald: ik heb immers gehoorzaamd aan een vriend die het mij vroeg. Ik weet wel: wie de traagheid van de luiheid door de gloed van de ijver heeft afgeschud en zijn ogen met de oogzalf van de rede heeft bestreken, zal dit niet met een dreigende blik bekijken. Hij zal de oude slaap niet verkiezen boven nieuwe waakzaamheid.
Ontvang dus het geschenk van uw vriend, een werkje over uw Vader en Patroon: omdat u hem liefhebt, zult u ook omarmen wat over hem gezegd wordt. Ware liefde wekt immers geen afkeer, maar doet het verlangen juist groeien. Daarom is in verzen herhaald wat eerder in proza was uiteengezet. Zo kunt u zich bij de heilige Gummarus nu eens verheugen in de effen vlakte van het proza, en dan weer dansen op de voeten van de verzen.
HOOFDSTUK I — De heilige Gummarus wordt te Emblem geboren, huwt, volgt het leger van Pepijn, sticht een bidplaats voor de heilige Petrus en Paulus, en gaat, vermaard door wonderen en deugden, heen naar de Heer
1. De heilige Gummarus stamde uit een edel geslacht en werd geboren en opgevoed in Emblem, een dorp in de Rijngouw. Hij begon met een heilige jeugd, legde zich daarna toe op nog heiliger strevingen, en voltooide zijn levensloop met een allerheiligst einde. Van de wieg af was hij aan God toegewijd, en hij groeide even sterk in deugd en geloof als in lichaam en leeftijd. Hij keerde zich af van ijdelheid en spel, en verlangde met zijn hart naar de hemel, die hij zijn vaderland noemde. Wat moet ik nog veel zeggen over het begin van zijn heiligheid? Hij tuchtigde zijn lichaam met vasten en waken, en gaf gul aalmoezen.
2. Toen de heilige Gummarus zo de bloesems van het goede voortbracht, brachten zijn ouders hem naar het koninklijk hof. Hij was het immers waard om met de groten van het rijk om te gaan en de zaken van het rijk te behartigen. Pepijn had in die tijd de hoogste macht in het rijk, en hij nam hem op. Maar de heilige Gummarus diende liever God dan de koning; hij was liever een gewoon man dan dat hij aan het hof verbleef.
Hij bedacht bij zichzelf dat hij als het ware ver van de kust was weggevoerd, de stormen en wervelwinden van de wereld in. Daar lopen de legers van de ondeugden te hoop: de hoogmoed heerst, de hebzucht lokt, de afgunst bijt, de wellust brandt, en al zulke dingen bestrijden het leger van de deugden. Door zijn ijver won hij niet alleen de gunst van de koning, maar werd hij ook zeer geliefd bij al diens groten. Zijn woorden waren met wijsheid gekruid. Al zijn werken behaagden God en de mensen, en binnen korte tijd werd hij met een hoog ambt geëerd.
3. Ik wil nu kort iets kleins vertellen over de heilige Gummarus, maar vol van grote vroomheid. Onder dwang van de koning, en niet uit begeerte, was hij getrouwd met een vrouw die Grimmara heette en die in haar zeden ver van hem verschilde. Want zoveel als hij overvloeide van zachtmoedigheid en barmhartigheid, zoveel vloeide zij over van goddeloosheid. Toen hij zich op bevel van de koning gereedmaakte om op veldtocht te gaan, liet hij haar het gezag na over zijn huis en zijn hele huishouding. Hij drukte haar op het hart hoeveel zachtmoedigheid zij tegenover de ondergeschikten moest tonen, en vertrok.
Maar zij, wreed van hart als een wild dier, begon tegen de hunnen tekeer te gaan. Zij beschuldigde hen valselijk, alsof zij nalatig waren en hun vastgestelde schulden niet betaalden, en zij minachtte hun diensten. Onder dat voorwendsel nam zij hun ossen af en al hun kleine bezit. Zij liet hun niets dan armoede en zwoegen, niets dan het naakte leven en de uiterste ellende. En toch eiste zij zonder erbarmen alles wat haar vroeger altijd betaald werd.
Omdat zij van hun ossen beroofd waren, gingen zij zelf onder het juk zoals trekdieren. Jammerend en zuchtend trokken zij de beladen wagens tot aan haar huis. Let nu op het hart, niet van een vrouw, maar van een wreed beest: nadat zij hen van hun bezit had beroofd, liet zij hen hard slaan en beval zij hun hoofdhaar af te scheren.
4. Na negen jaar werd het leger ontbonden en keerde het naar huis terug; ook de heilige Gummarus keerde terug naar zijn huis. En zie, bij een beekje dat Diepenuorth heet, zag hij een van zijn knechten een wagen trekken: zwaar geslagen, het hele hoofd kaalgeschoren en bitter wenend. Bewogen door medelijden ging hij naar hem toe en zei: 'Broeder, wie heeft u zo zwaar verdrukt? Wie heeft uw haar afgeschoren? Waarom huilt u en hebt u zo'n groot verdriet?'
Omdat de man uit vrees voor de wreedheid van zijn meesteres niet wilde antwoorden, zette Gummarus hem met veel dreigementen onder druk, tot hij de waarheid uit hem had geperst. Toen de vrome vader, de heilige Gummarus, van de wreedheid van zijn vrouw hoorde, zuchtte hij diep en beval de man met hem terug te keren. Maar die durfde uit vrees niet terug te gaan, tot zijn heer hem er met geweld toe dwong.
Vooraf waarschuwde de heilige man allen die bij hem waren: 'Als ik het huis binnenkom, zal ik vragen mij iets te drinken te geven. Als zij de drank afkeurt, laten wij hem dan juist prijzen, zodat zij beschaamd staat en rood wordt van schaamte.' Toen hij het huis binnenkwam, snelde de hele huishouding hem tegemoet. Jammerend riepen zij dat zij zwaar geslagen waren, onrechtvaardig beroofd en op alle manieren ellendig verdrukt.
Toen hij dat zag, werd hij in zijn hart ontroerd. Hij wendde zich tot zijn vrouw en zei: 'Moge God u in verwarring brengen, zoals u ons in verwarring hebt gebracht. Wij moeten goed doen aan allen, maar vooral aan de huisgenoten van het geloof. Of iemand slaaf is of vrij, wij zijn allen één in Christus. Spaar dus uw dienaren, stel een grens aan uw wreedheid.' Nog in hetzelfde uur liet hij al het vee van de weide terughalen en aan ieder teruggeven wat hem toebehoorde.
Daarna ging hij zitten en liet, alsof hij dorst had, drinken brengen. Toen het bier werd gebracht en rondgeschonken, keurde de vrouw het met haar gewone sluwheid af. Maar de heilige Gummarus en allen die met hem gekomen waren, prezen de drank juist, zodat zij beschaamd moest zwijgen. Hierna liet hij een grote en overvloedige maaltijd aanrichten, voor vrijen en slaven gelijk. Zo verzachtte hij ieders hart met vaderlijke troost, en stuurde hen blij naar huis terug.
5. Zo richtte de heilige Gummarus zich steeds meer op God. Hij wilde zich aan heiliger strevingen wijden, zoals het alle goede mensen past om van deugd tot deugd voort te gaan. Zijn geest verhief zich boven het aardse en vergankelijke, en met heel zijn verlangen snakte hij naar het hemelse, om de God van de goden te zien in Sion.
Lijkt het u niet dat dit voornemen in zijn heilig hart leefde? 'Tot nu toe hebben wij een aardse koning gediend; voortaan moeten wij de Koning van de koningen dienen, God. Het is weinig om door de moeite van de huidige krijgsdienst vergankelijke beloningen te ontvangen; het beste is door een heilig leven eeuwige gaven te verdienen. Deze wereld moet verworpen worden, want zij gaat voorbij, en al haar glorie verdort als gras. Als toegewijd soldaat treed ik dus in het legerkamp van de hoogste Keizer. Hem volg ik, hem heb ik lief, hem blijf ik standvastig trouw.'
Daarom beval hij zich aan God en ging op reis naar Rome. Enkele van zijn buren gingen met hem mee. Let nu op een heuglijk en nieuw wonder. Op de eerste dag van de reis, nog niet ver van huis, sloeg hij zijn tent op bij de rivier die de Nete heet. Hij liet ook een zeer mooie boom die vlakbij stond omhakken, omdat die nodig was om de tent op te zetten.
6. Meteen kwam de eigenaar van die plek erbij, een boer, woedend en tierend van scheldwoorden. Hij viel allen aan, spaarde niemand en beschuldigde iedereen. Toen wendde hij zich tot de heilige Gummarus en overstelpte hem met harde woorden: 'Waarom bent u mijn akker binnengevallen? Kijk naar uw lastdieren, kijk naar uw tenten! U behandelt het bezit van anderen alsof het van u is: alles laat u afgrazen, alles vertrapt u, alles haalt u neer.
Wat heb ik met u te maken, Gummarus? Wat heb ik u misdaan? Ik heb u niet beledigd en niemand van de uwen kwaad gedaan. Als u mij van geen enkele zonde kunt beschuldigen, waarom vertrapt u dan een onschuldige? Maar om over de overige schade te zwijgen: dit ene doet mij het meeste verdriet, dat u deze boom hebt laten omhakken, die ik geplant en al zoveel jaren voor mijzelf bewaard heb.'
De heilige Gummarus antwoordde met een vriendelijk gezicht: 'Ik beken mijn zonde. Maar als ik u onrecht heb aangedaan, zal ik het, zoals rechtvaardig is, goedmaken: ofwel geef ik u de gevelde boom terug, ofwel betaal ik u een billijke vergoeding voor de schade. Wees gerust, bid ik u, wees alleen deze nacht gerust.' Na veel smeken stemde de boer er met moeite in toe tot de morgen te zwijgen, en hij ging weg.
Toen de nacht gekomen was en slaap en stilte allen in hun greep hielden, nam de heilige Gummarus zijn toevlucht tot zijn vertrouwde bescherming en de gewone wapens van het gebed. 'Heer,' zei hij, 'U bent ons een toevlucht geworden, een helper te rechter tijd in de nood. Wend uw aangezicht niet af van mijn roepen, en sluit uw oren niet voor onze gebeden. Als ik het niet verdien, Heer, om verhoord te worden, zie dan ten minste naar hen die bij mij zijn.
En als wij allen zo door onze zonden bezwaard zijn dat onze gebeden niet tot U opstijgen, doe het dan omwille van Uzelf, Heer, wiens goedheid geen einde en wiens gaven geen maat kennen. Laat uw heerlijkheid aan de mensen geopenbaard worden, laat uw naam door de ongelovigen geprezen worden. Laat hen weten dat ons geloof niet ijdel is, en dat het wie op uw majesteit hopen niet in de steek laat.
U dan, Heer, die alles uit niets hebt geschapen, die op de derde dag kruiden, bomen en struiken uit de aarde hebt voortgebracht: herstel de boom, gaaf zoals voorheen, en neem van uw dienaren de smaad weg die wij uit onwetendheid op ons hebben geladen.'
7. Toen hij, naast de boom geknield, gebeden had, stond hij op, nam zijn gordel, voegde de boom weer samen en bond de gordel eromheen. Een wonderlijk ding, waard om door komende generaties herinnerd te worden: de boom werd zo stevig alsof hij nooit enige schade had geleden. Nog steeds zien wij hem op dezelfde plaats staan, helemaal gezond. Wij zien alleen dat hij de sporen van de omgebonden gordel bewaart: de ongeschonden boom draagt het teken van de binding, tot eer van God en tot lof van zijn dienaar.
Toen het morgen werd, kwam de boer zoals afgesproken terug, nog kokend van de woede van de vorige dag, en herhaalde zijn verwijten over de schade. De heilige Gummarus kalmeerde hem met een vriendelijk woord en een blij gezicht. Hij nam hem bij de hand, leidde hem naar de boom, liet hem zien dat die ongeschonden was en zei: 'Kijk, mijn zoon, de boom waarover u het meeste verdriet had, hebt u terug. God heeft uw verdriet getroost, en ook de benauwdheid van ons hart weggenomen. Dank God, de gever van al het goede, door wiens goedheid u een gedenkwaardig geschenk hebt ontvangen.'
Toen de man die eerst zo ongeduldig tekeer was gegaan het teken zag, kwam hij door goddelijke ingeving tot inkeer en zei: 'Dit is een kracht van God. Het is geen mensenwerk dat een omgehakte boom in één korte nacht in zijn vroegere staat herrijst. Deze boom, die u door dit wonder hebt geheiligd, zal niet langer van mij zijn: ik geef hem aan u. En heel het gebied dat tot mijn erfdeel behoort, schenk ik u in vast bezit.' Zo sloten zij vanaf die dag een hechte vriendschap, kusten en groetten elkaar, en gingen in vrede uiteen.
8. In de genoemde nacht, de eerste van zijn reis, rustte de heilige Gummarus in zijn tent. En zie, in een visioen verscheen hem een engel van de Heer, die als een duif boven de tent stond en tegen hem zei: 'O Gummarus, bent u wakker? Waak! Want ik ben een bode, door God gezonden om u zijn geboden bekend te maken. Hij zegt u wat u moet doen, en toont u waar u moet blijven en wat voor leven u moet leiden.
U hebt besloten naar Rome te gaan en de bidplaatsen van de apostelen Petrus en Paulus te bezoeken. Maar God is overal aanwezig; zijn ogen zien op iedere plaats de goeden en de kwaden, en de Heer kent wie de zijnen zijn. Zie dus af van deze reis en luister aandachtig naar het bevel dat Hij u geeft. Niet ver van de plaats waar u ligt, is een plek die door een rivier wordt omstroomd en ingesloten, en die met bomen begroeid is.
Daar zult u de bomen rooien en een bidplaats bouwen: hier zal tijdens uw leven uw woning zijn, hier na uw dood uw rustplaats. Want wanneer u in de gemeenschap van de heiligen bent opgenomen, zal uw lichaam hier in het graf rusten. Wees standvastig van geest en leg u waakzaam toe op goede werken. Weet met volstrekte zekerheid dat u tot de gemeenschap van de engelen zult komen, en dat u voor uw tijdelijke moeite het loon van het eeuwige leven zult ontvangen.'
9. Toen deze vermaning ten einde was, ging de heilige man naar buiten en zag boven op de tent de engel in de gedaante van een duif, stralend van wonderbare glans. O zalige man, die een engel tot zich hoorde spreken, en hem zelfs met de ogen van zijn sterfelijk lichaam mocht aanschouwen! Meteen, verblijd door het wonderbare visioen, barstte hij uit in deze woorden:
'Gezegend bent U, God, die ziet naar wat nederig is op aarde. U doet op de troon van de hemelse heerlijkheid de engelen sidderen en de mensen bewonderen; U wordt door heel de schepping vereerd, en voor U buigt zich iedere knie. U zij lof en eer, U jubel en dankzegging, U het koningschap, de luister en de heerlijkheid zonder einde, in eeuwigheid. Zie, zeker gemaakt door dit visioen en onderricht door deze vermaning, zal ik niet aarzelen om op te geven wat ik begonnen ben, en het werk ter hand te nemen dat U hebt bevolen.'
Toen stak de heilige Gummarus de rivier over en betrad de plek. Hij begon bomen en struiken te kappen en te rooien, en hield niet op voordat er een zeer lieflijke vlakte was ontstaan. De gekapte bomen wierp hij in de nabijgelegen rivier, en die hoop is zo groot dat hij nog steeds tot aan de daken van de gebouwen lijkt te reiken. Waar tot dan toe het huis van vogels en wilde dieren was geweest, ontstond een woonplaats die uitstekend geschikt was voor mensen.
10. Nu volgt een korte beschrijving van die plek. De oude naam van deze nederzetting was Nivesdonck, wat het volk verbasterd heeft tot Ledo [Lier]. Aan de ene kant kijkt zij uit op Toxandrië, aan de andere kant op de Rijngouw. Tussen deze streken en de nederzetting stroomt een rivier, de Nete, die haar met haar loop insluit en van beide streken scheidt. In de kronkelende bocht van de rivier ligt zij als een eiland: aan de ene kant laat zij wie aankomt binnen over een brug, aan de andere kant laat zij wie vertrekt naar buiten over een tweede brug.
Deze rivier, de Nete, zwelt bij vloed aan en vult haar bedding, en bij eb neemt zij weer af. Toch heeft zij altijd zoet drinkwater, en daaronder voedt zij een onmetelijke overvloed aan vissen. Verder stromend loopt dezelfde rivier langs nederzettingen en langs hutten die op haar oevers zijn gebouwd. Zij bevloeit weiden, maakt akkers vruchtbaar en trekt door de schaduw van de bossen.
Wie vanuit het midden van dat eiland rondkijkt, wordt in zijn hart verheugd door een lieflijk schouwspel. Voorbij de rivier ziet men een brede en mooie vlakte, die zich wijd en zijd uitstrekt, versierd met bloemen en zeer rijk aan weiden. Rondom ziet men een geweldig bos, dat zich ver in lengte en breedte uitstrekt. Daar staan eikeldragende bomen, daar zijn weiden, daar zijn de schuilplaatsen van wilde dieren, en veel wat de mensen nodig hebben.
Wat zal ik zeggen van de vruchtbaarheid van de akkers in de omgeving? Men prijst ze boven andere, omdat zij met weinig moeite worden bewerkt en toch de grootste overvloed opleveren. In zo'n gebied gelegen, draagt deze plaats in haar midden een stenen kerk, sierlijk uitgedost, waarin de relieken van de heilige Gummarus worden bewaard: de bescherming van het hele land, de bevrijding van de mensen, een goedgunstige hoop, een vreugdevolle lof, het zekerste heil.
11. Maar laten wij nu terugkeren naar ons verhaal. Nadat de heilige Gummarus de bomen, de doornstruiken en het struikgewas had gerooid en, zoals gezegd, in de rivier had geworpen, stichtte hij daar een kerk ter ere van de heilige Petrus. Daarin waakte hij onophoudelijk in gebed, en zuchtte hij vol verlangen naar de hemelse stad en haar burgers. Zijn innerlijke ogen wendde hij niet terug naar de ijdelheid, zoals geschreven staat: 'Niemand die de hand aan de ploeg slaat en achterom kijkt, is geschikt voor het koninkrijk van God.'
Hij bestudeerde de daden van de heiligen, en vormde zijn leven naar hun voorbeeld. Hij hoorde de geboden van God, en bracht ze in praktijk. Wanneer hij naar zijn landgoed Emblem wilde teruggaan, kostte de heen- en terugweg hem geen moeite, want het lag op korte afstand daarvandaan.
Kijk, broeders, naar de tijdelijke krijgsdienst van deze man. In Emblem leidde hij het werkzame leven: hij gaf de naakten kleding, gaf de hongerigen voedsel, zorgde voor de zieken, ontving de vreemdelingen, verschafte de wezen recht, verdedigde de weduwen, en legde zich toe op zulke werken. Maar zo vaak hij zijn geest van het aardse wilde verheffen om zich in beschouwing alleen op de Schepper te richten, keerde hij terug naar zijn bidplaats.
12. Het mag niet verzwegen worden door welke heerlijke wonderkracht de heilige Gummarus uitblonk. Toen in de oogsttijd overal de mensen naar de akkers trokken, zei zijn vrouw tegen hem: 'Kijk, wij zien anderen zich naar de oogst haasten. Waarom teren wij weg in ledigheid?' En zij trok met de huishouding naar de akkers. Toen zij aan het werk waren en geen moment op adem kwamen, kregen zij hevige dorst, want de hitte was zeer groot en de zon brandde al midden op de dag.
Daarom vroegen zij even te mogen gaan om hun brandende dorst te lessen. Maar de wrede vrouw stond geen enkel uitstel van het begonnen werk toe; integendeel, zij joeg de uitgeputte mensen voort met dreigementen en bittere woorden.
Toen zij door het zware werk en de dorst al bezweken, zie, daar kwam de heilige Gummarus de akker op. Allen snelden hem wenend tegemoet, vielen hem te voet en zeiden: 'Kijk, vader, kijk, wij bezwijken. Dit werk is zwaar in zo'n hitte, en wij vergaan van de dorst. Wij hebben onze meesteres gevraagd ons even op adem te laten komen en ons met een slok water te verkwikken, maar zij heeft het ons hard geweigerd. Heb dan ten minste u medelijden, vader, en red het leven van uw dienaren.'
Bewogen door hun wenende stem zei hij tegen zijn vrouw: 'O goddeloos hart, o verdorven geest! Waarom buigt u zich niet tot barmhartigheid? Waarom sluit u uw hart voor erbarmen? U hebt geen deel aan ons, u die zo'n hart draagt. Ga weg, keer naar huis terug, gehaat door God en verfoeid door de mensen.' Zij ging meteen weg, zonder zich iets van zijn berisping aan te trekken.
Toen groef de heilige Gummarus met zijn staf in de aarde, en er brak een zeer overvloedige waterstroom uit. Allen schepten blij het water, maar zij werden meer verkwikt door het wonder zelf dan door het drinken. Nog steeds vloeit daar een bron, als getuigenis van deze heuglijke wonderkracht.
13. Zijn vrouw echter kwam, zoals gezegd, thuis en raakte in levensgevaar door een hevige, brandende dorst. De dorst had haar gegrepen als wreker van haar goddeloosheid, omdat zij eerder niet had toegelaten dat de dorstige huishouding werd verkwikt. Dat was een rechtvaardig oordeel. Wat zij niet uit medelijden had willen voelen, namelijk hoezeer zij anderen kwelde, leerde zij door ervaring toen de pijn van de dorst op haarzelf overging. Want de Heer zegt in het Evangelie: 'Met de maat waarmee u meet, zal u wedergemeten worden.'
Maar het water kon haar brand niet blussen. Het water had zijn kracht en natuur verloren, want in haar borst woonde de voedingsbodem en de brandstof van het vuur.
Toen zij voelde dat de dood haar bedreigde, stuurde zij een bode en smeekte de heilige Gummarus om zijn mildheid. Hij begreep dat zij door de goddelijke wraak werd gekweld en in de strik was gevallen die zij zelf had gespannen. Maar hij bedacht dat men geen kwaad met kwaad mag vergelden, en ging naar de zieke. Toen hij zag dat zij op het uiterste van haar leven was en bijna de geest gaf, tekende hij haar met het teken van het heilig kruis en gaf haar met eigen hand te drinken. Zij herstelde meteen van de zwakheid van het lichaam, maar bleef volharden in de zwakheid van de geest.
14. Een andere keer was de huishouding van de heilige Gummarus in Lanchem op de akker aan het oogsten, gedwongen door hun meesteres. Daar was ook een vrouw met haar zoontje, een van hen die op maandag moesten werken. Zij legde haar kindje, in doeken gewikkeld, op een schoof om te slapen, en ging van hem weg om te werken. Toen het kind in slaap gevallen was, kroop een slang in zijn mond en gleed door zijn keel naar binnen.
Intussen kwam de heilige Gummarus aan. Hij vond het kind in diepe slaap, en zag dat de slang in zijn keel was gegleden en dat de staart nog naar buiten stak. Toen greep de kampvechter van Christus haastig het houten vaatje [dolcum] waar zijn mantel bij lag, doorboorde de staart en trok de slang eruit.
Hij riep de huishouding bijeen en zei: 'Wie is de moeder van dit kind?' Toen zij bevreesd voor hem stond, zei hij: 'Waarom hebt u het kind hierheen gebracht? Waarom hebt u het niet thuis gelaten? Dank God: zie, uit de greep van wat een vijand Hij het heeft gered! Dat het leeft, is een gave van God: want wie zou blijven leven, als zo'n dood bezit van hem had genomen? De kop en bijna het hele lichaam waren in de buik gedrongen; de staart stak nauwelijks nog uit de mond.'
Terwijl allen verstomd stonden, hing hij de slang aan een stok en toonde haar hun steeds opnieuw. Toen de moeder hem zei dat een klein kind niet veilig is zonder zijn moeder, werd hij door barmhartigheid bewogen. Hij bepaalde voor al de zijnen dat iedere vrouw die een zuigeling had, op maandag van alle dienst vrijgesteld zou zijn.
15. In diezelfde tijd leefde er een man, Rumoldus, die door de hemelse genade met haar ingeving was vervuld. Hij doodde de verleidingen van de ondeugden volkomen, en steeg dagelijks op naar de toppen van de deugden. Dag noch nacht rustte hij van het goede werk; hij mergelde zijn lichaam uit met vasten en waken, en legde zich onophoudelijk toe op gebed.
Zo, met alle wapens van de deugden toegerust, verlangde hij naar het gezelschap van ieder van wie hij wist dat hij een goed leven leidde, om met hem over het eeuwige leven te spreken en zich te verzadigen aan het voedsel van de Heilige Schrift. Toen hij hoorde van de roemrijke faam van de heilige Gummarus, brandde hij van verlangen hem te zien. Ook de heilige Gummarus hoorde van zijn faam, en zocht met niet minder verlangen kennis met hem te maken.
Toen de twee stralendste lichten van die streek eindelijk samenkwamen, spraken zij niet over ijdele en vergankelijke dingen. Zij onderrichtten elkaar en spoorden elkaar aan, en proefden zo al de zoetheid van het hemelse leven. Zij wezen elkaar erop hoe groot de listen van de duivel zijn en welke wapens God daartegen heeft gegeven, welke straffen de verworpenen en welke beloningen de rechtvaardigen krijgen, hoe kort dit leven is, en aan hoeveel gevaren wij blootstaan.
Zij riepen ook de overwinningen van de heiligen in herinnering: wie voor de wilde dieren is geworpen, wie onder stenen is bedolven, wie met het zwaard is afgeslacht, wie door het vuur is verteerd. Terwijl zij grote dingen aanhaalden uit de Evangeliën en de woorden van de Apostelen en Profeten, openden zij de bron van de goddelijke Schriften en besproeiden zij de geest van wie naar hen luisterde.
16. Toen zij afscheid moesten nemen, spraken zij een dag en een plaats af om opnieuw samen te komen. Op de afgesproken dag kwamen zij elkaar tegemoet op de plaats die Stadeyke heet, en ieder droeg een dorre staf, die men archadica noemt [een herdersstaf]. Daar werden zij naar hun gewoonte met geestelijk voedsel verkwikt. Zij hadden deze plaats halverwege gekozen, omdat zij op gelijke afstand van hun beider verblijf lag.
Door goddelijke ingeving besloten zij dat zij ieder jaar met een grote volkstoeloop op deze plaats zouden samenkomen, met kruisen, reliekschrijnen en relieken van de heiligen, en daar missen zouden vieren voor het gemeenschappelijk heil. Toen dit geregeld was, wierp ieder de staf die hij droeg, en de staven bleven steken in de stam van een eik vlakbij. En hoewel zij eerst dor waren, werden zij in een oogwenk weer groen en brachten bloemen en bladeren voort, zoals velen getuigen. Door dit zekere en duidelijke teken wilde God laten weten dat dat voornemen Hem behaagd had, en dat zo'n samenkomst Hem zeer welgevallig was.
17. Toen eindelijk de tijd naderde dat God de uitgediende kampvechter uit de lichamelijke krijgsdienst tot de kroon zou roepen, begon een lichte ziekte de heilige Gummarus te vermoeien. Hij voelde dat de dag van zijn heengaan gekomen was, en hij kende niet die vrees boven alle vrees, namelijk de vrees voor de dood. Hij was immers zeker van het loon. Hij wist aan wie hij zich van zijn prille jeugd af had toegewijd en voor wie hij tot dan toe had gestreden, en dat hij als overwinnaar uit deze wereld naar Hem zou overgaan.
Getroffen door de ziekte, ging hij op zijn landgoed liggen. Hij voltooide de loop van het sterfelijk leven op de vijfde dag vóór de Iden van oktober [11 oktober], en zond zijn heilige ziel door de handen van de engelen naar de hemelse woningen. Zo geniet Gummarus, de roemrijke belijder van God, nu van het eeuwige leven. Hij verheugt zich dat hij is opgenomen in de gemeenschap van de hemelse burgers, en dat heilige koor verheugt zich dat zijn getal met zo'n medeburger is vermeerderd.
HOOFDSTUK II — Begrafenis en overbrenging van de heilige Gummarus, en enkele wonderen die na zijn dood zijn gebeurd
18. Voor de uitvaart van de heilige Gummarus was een grote menigte vrienden en verwanten samengekomen. Zij besloten eensgezind de heilige relieken bij te zetten in het genoemde Emblem, zodat hij begraven zou worden waar hij geboren en opgevoed was. Maar God wilde het anders, zoals weldra door zijn eigen openbaring bekend werd.
Want een godgewijde vrouw, Wrachilde genaamd, rustte in de bidplaats van de heilige Petrus, die de heilige Gummarus op bevel van de engel had gebouwd. Toen kwam er van God een stem tot haar, die zei: 'Laat de relieken van de zalige man worden overgebracht van de plaats waar zij begraven zijn, en laat ze bijgezet worden in de kerk die hij zelf gebouwd heeft. Dit goddelijk bevel moet u aan allen bekendmaken, zodat zij zich haasten het met alle toewijding uit te voeren.'
Toen zij wakker werd, begon zij het visioen diep in haar hart te overwegen. Zij twijfelde of zij moest geloven wat zij gehoord had, of het liever moest houden voor een begoocheling van de slaap. 'Zou ik,' zei zij, 'zo'n visioen aan iemand durven vertellen? Wie zal het geloven als ik ermee kom? Allen zullen het oude vrouwtje uitlachen, alsof zij door hersenschimmen bedrogen is; of zij zullen zeggen dat ik in vrouwelijke waanzin verzinsels heb bedacht.'
19. 'Het is dus beter te zwijgen dan woorden te spreken die op waanzin lijken.' Ook bij de tweede vermaning zweeg zij. Zij wachtte op een drievoudige vermaning, om dan met vaste stem de geboden van de hoogste Drie-eenheid te kunnen verkondigen. In de derde nacht leek de heilige Gummarus zelf bij haar te staan terwijl zij rustte, en hij sprak haar zo aan: 'Waarom bent u zo nalatig? Waarom hebt u tot dit uur gezwegen?
Geef eindelijk toe, geef eindelijk toe: sta op en maak het goddelijk bevel bekend aan alle bewoners van die plaats, dat zij mijn relieken daar opnemen en ze in Ledo bijzetten. En opdat zij met meer zekerheid weten dat u door ons gezonden bent, laat hen dit teken van mijn aanwezigheid op uw gezicht zien.' En terwijl hij dit zei, legde hij zijn rechterhand op haar gezicht. Door die aanraking werd haar huid wit, en zij hield duidelijk de afdruk van de handpalm en de vingers. 'Zie,' zei hij, 'als zij de woorden niet geloven, laten zij dan toch het teken geloven.'
Toen het morgen werd, stond de vrouw op en riep de priester en alle bewoners die er waren bijeen. Zij maakte het drievoudig bevel bekend en toonde het teken dat op haar was aangebracht. Met aandrang vermaande zij hen het gebod niet uit te stellen. Niemand durfde het aan hersenschimmen toe te schrijven, omdat het met een derde vermaning was herhaald en ook door een duidelijk teken bevestigd leek.
20. Zij gingen dus naar de plaats waar de heilige relieken begraven waren, openden het graf en probeerden ze op te tillen. Maar noch met een wagen, noch met paarden of een schip, noch met enig ander vervoermiddel konden zij ze verplaatsen. Terwijl allen verbijsterd stonden, kwam de veehoeder van de heilige Gummarus erbij, die hem had geholpen bij de bouw van de kerk die hij zelf had opgericht. Hij tilde bij de eerste poging het allerheiligste stoffelijk overschot uit het graf, en bracht het naar de rivier, waar een klaarliggend bootje het verder vervoerde.
Het schip nam de allerheiligste last op, stak vanzelf van de oever af en snelde met de grootste snelheid voort, zonder dat iemand roeide, door een duidelijk wonder: men zag het schip snel varen, maar er zat geen stuurman in. Toen die heilige last aan de oever van de genoemde nederzetting haar tocht had beëindigd, werd zij op de schouders van de dragers naar zijn kerk gebracht. Daar rustte zij, met grote eerbied begraven, veertig jaar lang. Nadat het klooster gebouwd was dat men daar ziet, werd hij met ere daarin verheven en op een hogere plaats gesteld.
Ook daar werkt onze Heer Jezus Christus tot op de dag van vandaag vele wonderen door zijn dienaar. Hij geeft de zieken de gezondheid terug, brengt de waanzinnigen tot bezinning, geeft de lammen hun gang terug en de doven hun gehoor. Hij geeft de blinden het gezicht terug, en maakt de tong van de stommen los. Ook de zielen zelf reinigt Hij van hun kwalen. Want het is zeker dat ieder die de heilige Gummarus in geloof aanroept, hem in elke nood genadig vindt. Omdat het van God zo'n schat heeft ontvangen, jubelt het volk van die plaats terecht en brengt het lof en dank aan God, die leeft in eeuwigheid.
21. Wie deze weinige dingen over het leven en de levenswandel van de heilige Gummarus aandachtig overweegt, heeft iets om zich over te verwonderen: dat hij, ongeletterd als hij was, de top van de volmaaktheid heeft bereikt. Hoe groot was in hem de zachtmoedigheid! Hoe heilig de eenvoud! Hoe welgevallig was hij God in het geloof en in al zijn werk! Wie zou betwijfelen dat hij door de tucht van de Heilige Geest werd onderwezen? Wie zou betwijfelen dat hij voor God geleefd heeft en ook in God zijn leven heeft beëindigd?
Daarvan getuigen de heerlijke wonderen die dikwijls bij zijn graf in allerlei vormen van genezing worden getoond. Vele daarvan kennen wij uit het verhaal van gelovigen; vele hebben wij in onze eigen tijd zien gebeuren. En aan de vroegere mag men niet twijfelen, want de recente bevestigen waarachtig dat zij geloofwaardig zijn.
22. Wat hier gebeurt, is dat een vrouw van goede reputatie die over de faam van de heilige Gummarus hoorde, bij zichzelf begon te overwegen om naar zijn graf te gaan en zich in zijn gebeden aan te bevelen. Zij was van de Provincie Brabant, van het landgoed Nijvel. Ze kwam dus naar de bidplaats van de heilige Petrus waar zijn relieken rusten. Toen zij die binnenging om te bidden, dacht zij erover om een deel van haar erfdeel aan de heilige Gummarus te geven voor de gezondheid van haarzelf en haar verwanten.
Ze had getuigen meegebracht. Toen zij haar handschoen nam om die, zoals de traditie was, op het altaar te leggen, kon zij die helemaal niet (van haar hand) uittrekken. Ze wilde de handschoen (nu nog altijd 'want' genoemd in het Vlaams) wegwerpen (ten teken van afstand van bezit), maar slaagde er niet in.
Allen die bij de overdracht aanwezig waren, werden getuige van dit schitterende wonder. Allen verbaasden zich, maar de vrouw nog meer dan allen. Maar zij, door God geïnspireerd, keerde in zichzelf: zij erkende haar onrechtvaardigheid en schrok hevig van de zonde waarin zij gevangen zat. Toen nam zij het deel dat zij achtergehouden had en eerst voor zichzelf hield, en schonk zo heel haar bezit aan de heilige Gummarus.
Bovendien wierp zij haar sluier af, greep haar hoofdhaar vast en bond zichzelf aan hem als zijn dienares; ze gaf zichzelf en kocht zichzelf vrij. Welnu, de heilige Gummarus bevrijdde haar uit de boeien van haar lichaam, nadat hij haar volledig onder zijn recht had gesteld. Nadien was zij ten zeerste versterkt in het geloof, en werd zij bovenmate rijk aan aardse goederen.
23. Eens, toen de zonden van de mensen waren toegenomen en zij door een hemels oordeel de gesels van de tuchtiging hadden verdiend, liet God het volk van de Noormannen, een uiterst woest volk, uit zijn woongebied optrekken. Zij kwamen per schip in de Rijngouw aan en verwoestten alles in de omtrek. Antwerpen staken zij in brand, Walcheren verwoestten zij; sommigen werden zo verstrooid dat er geen plaats was waar de rouw ophield. Over de rivier die de Schijn heet, kwamen zij bij de nederzetting Deurne, waar het klooster van de heilige belijder Fredegandus was.
Maar God, die de plaats haatte om de ongerechtigheid van haar bewoners, liet diens relieken elders heenbrengen, zodat niets de verwoesting zou tegenhouden. Toen zij waren weggenomen, alsof de muur en de torens van een stad waren neergehaald, viel het vijandelijk volk binnen. Alle gebouwen gingen in vlammen op, ook het klooster zelf verbrandde; de mensen werden deels gedood, deels als gevangenen weggevoerd. Er bleef geen huis over, er ontkwam geen bewoner. Niets bleef over dan woestenij. Vandaar trokken de Noormannen verder, over de rivier die de Dijle heet, en staken in Mechelen de kerk van de heilige Rumoldus in brand.
24. Van daar trokken zij door de bedding van de Nete en richtten hun woeste tocht op de heilige Gummarus. Maar daar streed de verdienste van de heilige man tegen de wreedheid van de vijanden. Zij wierpen vuur op het dak van het klooster, maar het vuur werd teruggedreven, stierf uit en doofde. Het vuur vergat zijn eigen kracht, zodat het huis van de heilige Gummarus ongedeerd bleef. Maar hoe meer het vuur aan kracht verloor, hoe heviger de harten van de vijanden ontvlamden. Zij gingen de kerk binnen om met eigen hand kwaad te doen, omdat het vuur hun woede niet gehoorzaamde.
Intussen stond Fredegerus, priester zaliger gedachtenis, in misgewaad aan het altaar, en droeg het offer van het Lichaam en Bloed van de Heer op voor zijn eigen heil en dat van anderen. Want toen hij van de komst van het woeste volk hoorde, zei hij: 'Voor hun bloedige handen vlucht ik niet: mijn ziel is in de hand van God. Als het Hem behaagt dat ik leef, wie zal mij dan het leven nemen? Zolang ik leefde, heb ik mijn leven aan u gewijd, heilige Gummarus.
Als zij, met uw toelating, deze plaats wegvagen, laten zij mij dan ook doden: laat dit huis in zijn val mij met zijn balken bedekken en met zijn muren mijn graf worden. Dit is mijn rustplaats voor altijd en eeuwig: hier zal ik wonen, want deze heb ik verkozen.' Met deze woorden trok hij de priesterlijke gewaden aan en ging naar voren om de Mis te vieren. En terwijl hij de hoogste Majesteit het offer opdroeg, werd hij zelf als brandoffer aan God geofferd.
Want zij kwamen, zoals gezegd, binnen, stortten zich op hem en doodden hem wreed. Zo viel hij op het altaar, een offer van de liefelijkste geur voor de Heer, en ontsliep gelukkig. Zo eerde de heilige Gummarus zijn dienaar; dit loon gaf hij hem: hij verhief hem tot de kroon van het martelaarschap en maakte hem deelgenoot van de eeuwige heerlijkheid.
Maar de goddelijke wraak trof de schuldigen zwaar. Want toen zij alles wat zij geroofd hadden, met de geboeide godgewijde vrouwen, naar het schip hadden gebracht, werden de twee koningen die erbij waren getroffen. De ene heette Reolfus, de andere Reginarius. Toen Reolfus zijn behoefte deed, kwamen al zijn ingewanden naar buiten. Reginarius werd van het licht van zijn ogen beroofd, en onderging een straf die zwaarder was dan de dood.
Want hij had altijd iets te beklagen, en droeg in zich wat hij altijd moest bewenen. Zo werd hij zelf getuige van zijn schuld, en een heraut van de majesteit van God, opdat niemand het zou wagen heilige plaatsen te schenden, of zich zou vermeten de hand te slaan aan een heilige van God.
25. Er is nog iets anders, dat God in onze dagen heeft getoond. Degene over wie ik nu ga spreken, hebben velen gezien terwijl hij op het landgoed van de heilige Gummarus verbleef en hem zeer toegewijd diende. Daarom durf ik in alle trouw te vertellen wat ik geloofwaardige personen heb horen bevestigen. Er was een jongeman, Gerolfus genaamd, die vanaf de eerste dag van zijn geboorte doof en stom was geweest. Hij stamde, naar men zegt, uit vrije ouders, uit de stad Doornik [vicus Tornicensis].
Toen hij met deze gebrekkigheid de jongelingsjaren had bereikt, ging hij door beschikking van God aan boord van een schip, kwam aan land in onze omgeving, en belandde ten slotte op het landgoed van de heilige Gummarus. Daar bezocht hij de bidplaats en diende hij ijverig in het klooster: hij droeg water aan en maakte de vloer schoon. Toen keek de heilige Gummarus naar zijn werker om en gaf hem een zeer welkom loon voor zijn arbeid. Want hij opende zijn oren, die zo lang gesloten waren geweest, en maakte ook zijn tong los, die zo lang gebonden was geweest, zodat hij duidelijk hoorde en verstaanbaar antwoordde.
De bewoners hoorden van dat wonder, en mensen van elk geslacht en elke leeftijd stroomden naar de kerk. Zij komen, kijken, spreken met hem en horen hem. 'God zij dank,' roepen allen; 'God zij dank,' zeggen zij opnieuw. Het eerste woord van de stomme was de naam van de heilige Gummarus. Eenmaal sprak hij die uit, een tweede keer, een derde keer. Hij hield zoveel van het verblijf op die plaats, dat hij zijn ouders noch zijn vaderland wilde terugzien. Hij wilde trouw blijven dienen bij hem van wie hij dat wonderbare loon voor zijn dienst had ontvangen.
26. Het is zeker dat er door de heilige Gummarus veel meer wonderen zijn gebeurd, maar zij zijn niet op schrift gesteld. En niemand mag eraan twijfelen dat voor hem die in de hemel woont en met God leeft, niets moeilijk is. En als hij heeft opgehouden wonderen te werken, dan komt dat zeker doordat er maar weinigen zijn die in geloof vragen, met toewijding zoeken en volhardend kloppen.
Laten wij dus de barmhartigheid van de hoogste Rechter afsmeken, laten wij de beproefde voorspraak van deze allergoedertierenste belijder zoeken. Moge hij voor ons het welzijn van de innerlijke mens en de gemeenschap van het eeuwige leven verkrijgen van God en onze Heer Jezus Christus, aan wie de eer is in de eeuwen der eeuwen. Amen.