H. Gurdanus (Gurdinellus), kluizenaar te Anchin, vereerd te Douai
Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.
Vertaald uit de oudste bronnen, met bronvermelding per stuk — Geen Vita bewaard (Acta Sanctorum, okt. VII, p. 1103: "Vitam nullam exstare"). Oudste bron: originele oorkonde van Gerardus II van Kamerijk, 1079 (Lille, AD Nord, 1 H 33 n° 374); daarnaast de annalen van Anchin (Auctarium Aquicinense, begonnen ca. 1113; MGH SS VI, p. 393), de kroniek van Anchin en de overlevering van Douai, zoals aangehaald in de Acta Sanctorum, oktober VII, pp. 1101-1106
GETUIGENISSEN OVER DE HEILIGE GURDANUS (GORDANIUS, GURDINELLUS), KLUIZENAAR TE ANCHIN, VEREERD TE DOUAI
[Inleiding van de redactie] Van de heilige Gurdanus is geen Vita bewaard; de Bollandisten zeggen het zelf: "In primis dolendum est Vitam nullam exstare" (Acta Sanctorum, oktober VII, p. 1103). Wat wij over hem weten, komt uit losse getuigenissen. Hieronder volgen ze in de volgorde van hun ouderdom, telkens met hun eigen bronvermelding: een originele oorkonde uit 1079, de annalen en de kroniek van de abdij van Anchin, en de latere overlevering van Douai. Daarna volgt wat de Bollandisten uit deze bronnen besluiten. Weglatingen zijn aangeduid met […]; toevoegingen van de redactie staan tussen [ ].
I. OORKONDE VAN GERARDUS II, BISSCHOP VAN KAMERIJK, 1079 [Origineel bewaard: Lille, Archives départementales du Nord, 1 H 33 n° 374; uitgegeven door J.-P. Gerzaguet, Les chartes de l'abbaye d'Anchin (1079-1201), 2005, nr. 2. Dit is de oudste bewaarde vermelding van de heilige.]
In de naam van de heilige en ondeelbare Drie-eenheid. Gerardus, door Gods genade de tweede bisschop van Kamerijk, aan alle christengelovigen: in dit leven de vrede die de wereld niet kan geven, en in het toekomstige de eeuwige zaligheid.
Twee ridders uit ons bisdom, aanzienlijk door geboorte en rijkdom, namelijk Walterus en Sicherus, hebben, door de goddelijke Geest bezield, verkozen deelgenoot te worden van de belofte van de Heer waarin gezegd wordt: "Ieder die vader of moeder of vrouw of akkers en dergelijke verlaat om mijn naam, zal het honderdvoudige ontvangen en het eeuwige leven bezitten." Zij legden dus de gordel van de wereldse krijgsdienst af, verachtten al het bezit van deze wereld en beloofden het beschouwende leven te volgen; zij wijdden zichzelf en al het hunne toe en beloofden Hem alleen voor altijd te dienen. Zij kozen de plaats die Aquacignus heet, omdat zij daar de kerk wilden herstellen waarvan zij gehoord hadden dat zij eertijds gebouwd was door de heilige Gordanius, die op diezelfde plaats een kluizenaarsleven leidde. Dit plan, door Walterus met instemming van zijn moeder en door Sicherus met instemming van zijn vrouw bekrachtigd, legden zij voor aan Ansellus. Ansellus gaf het eiland Aquaecignum met het rietland dat erbij hoort, en het dorp dat Vedretum heet en aan het eiland grenst, die hij van ons in leen hield, in mijn hand terug, en ik schonk ze voor altijd aan de kerk van Aquaecignum. […]
Sicherus en Matildis, zijn vrouw, schonken het halve dorp dat Heninel heet […], en al hun allodiaal bezit […] droegen zij over aan die kerk, die gewijd is aan de heilige Verlosser en de heilige Gordanius. […]
Dit is gedaan in het jaar van de menswording des Heren 1079, in de tweede indictie, in het zesentwintigste jaar van koning Hendrik, in het vierde jaar van het episcopaat van heer Gerardus, de tweede bisschop van Kamerijk.
II. UIT DE ANNALEN VAN ANCHIN (AUCTARIUM AQUICINENSE BIJ DE KRONIEK VAN SIGEBERTUS VAN GEMBLOERS; MGH SS VI, p. 393) [Het Anchinse gedeelte van deze annalen werd omstreeks 1113 begonnen; het werk loopt door tot 1167.]
1079. In dit jaar werd het klooster van de heilige Verlosser begonnen op het eiland dat Aquicinctus heet, door twee aanzienlijke mannen, namelijk Sicherus en Walter. Deze Sicherus had een vrouw, Mathildis genaamd, edel van geboorte maar edeler nog van zeden; zij spoorde haar echtgenoot door herhaaldelijk aandringen aan dit werk aan te vatten, vooral omdat men vertelde dat een zekere heilige Gordanius daar eertijds een kluizenaarsleven had geleid. Zo kwam het dat de genoemde mannen er vaak samen over spraken en elkaar aanmoedigden; en na beraad gingen zij naar Ansellus van Ribemont, een zeer edel man, en vroegen hem dat eiland, omdat het hem toebehoorde. Ansellus verheugde zich zeer toen hij hun verzoek hoorde en stond wat gevraagd werd zonder uitstel en kosteloos toe. Daarop haastten zij zich, zoals afgesproken, samen naar Gerardus, bisschop van de stad Kamerijk, tot wiens bisdom die plaats toen behoorde; zij legden hem uit wat zij van plan waren en vroegen hem, omdat zij zijn diocesanen waren, met hun voornemen in te stemmen. Toen de eerbiedwaardige bisschop dit gehoord had, stemde hij zeer graag toe; hij nam de grond, die Ansellus van hem in leen hield, uit diens hand terug en droeg hem met het aangrenzende rietland aan hen over. Toen zij die ontvangen hadden, begonnen zij daar een klooster te bouwen en begiftigden het naar vermogen passend uit hun eigen goederen. […]
III. UIT DE LATERE KRONIEK VAN ANCHIN (CHRONICON AQUICINCTENSE; ZOALS AANGEHAALD IN DE ACTA SANCTORUM, OKTOBER VII, p. 1103)
Het eiland Anchin behoorde, met heel veel land rondom, oorspronkelijk toe aan de kerk van Kamerijk. Maar de bisschop van Kamerijk gaf het in leen, en zo bleef het door erfopvolging in hetzelfde geslacht tot in de tijd van Anselmus de Jongere. Diens vader, de oude Anselmus, had het samen met de andere lenen van de bisschop verkregen voor zijn krijgsdienst. Toen hij bij Kassel was omgekomen, in de opstand of het verraad, ging de erfenis van oom en neef over op de jonge Anselmus.
Het is een zeer verbreide overtuiging, overgeleverd door het verhaal van de ouden, dat op dit eiland waarover wij spreken – omdat het binnen zijn omtrek vaste en ruime grond bevat – eens een zekere heilige Gordanius heeft gewoond, en dat hij er een kerkje bouwde en daar als in een woestijn een kluizenaarsleven leidde. Want inderdaad was het binnenkomen en weer vertrekken voor wie er heen wilde uiterst moeizaam, door het moeilijk begaanbare moeras dat het omringde. In datzelfde kerkje, zo vertelt men, is hij gestorven; daar werd hij begraven, en van daar werd hij door een zekere Sicherus naar Douai overgebracht. [Volgens de Bollandisten is deze Sicherus niet dezelfde als de stichter van Anchin; zie onder.]
Dat kerkje, hoe zeer oud het ook was, met afgebrokkelde muren en haast vervallen, bleef omwille van de zegen van zo'n groot man bestaan en werd de parochiekerk van een ander dorpje dat eraan grensde. De doden werden daarheen gebracht om begraven te worden; en omdat, zoals wij zeiden, de toegang moeilijk was, werd het binnenste land slechts door twee arme mensen bewoond en met de spade bewerkt.
Door de voorzienigheid van God, die zich in zijn beschikkingen niet vergist, gebeurde het toen dat twee mannen van vrije geboorte – Sicherus, met medeweten van zijn vrouw, die zelf de kuisheid beloofde, en Walter met zijn broers, die hun moeder achterlieten – het tijdelijke gingen verachten en het hemelse liefhebben, om God, door zichzelf en al het hunne te geven, vromer en vrijer te kunnen dienen. Bij hun zeer welgevallige toewijding en onderlinge liefde voegden zich enkele ridders, hun gelijken in zo grote deugd: op dezelfde wijze, met dezelfde gezindheid, hetzelfde geloof en dezelfde wil volgden zij het apostolisch leven. Zo noemde niemand in die gemeenschap iets zijn eigendom, maar zij leefden alles gemeenschappelijk en dienden elkaar, zodat je zou menen dat over hen geschreven stond: Zie, hoe goed en hoe liefelijk is het dat broeders samenwonen (Ps. 132, 1).
IV. UIT HET EIGEN OFFICIE VAN DOUAI (LEZING UIT HET ZILVEREN BOEK EN HET LECTIONARIUM VAN DE COLLEGIALE KERK VAN SINT-AMATUS; ZOALS AANGEHAALD IN DE ACTA SANCTORUM, p. 1104)
In het jaar van Christus 870, toen de vervolging door de Noormannen dreigde, brachten de broeders die te Merville God en zijn heilige Amatus dienden, het lichaam van hun patroon Amatus over naar Douai, naar een kerk die hun toebehoorde […]. Vier jaar later verkregen zij van de heilige Johannes, bisschop van Kamerijk en tevens van Atrecht, van Karel de Kale, zoon van Lodewijk de Vrome, koning van Gallië, en ook van Boudewijn, de eerste van die naam, graaf van Vlaanderen, dat zij met al hun bezittingen en voorrechten te Douai mochten blijven.
Het lichaam van de heilige Amatus werd echter kort daarna naar Soissons in Gallië weggebracht, omdat de vervolgingen door de Noormannen opnieuw oplaaiden; en toen die bedaard waren, werd het omstreeks het jaar des Heren 896 [over dit jaartal: zie onder] naar Douai in dezelfde kerk teruggebracht. In die tijd namelijk raadpleegde de geestelijkheid die de zalige Amatus diende, de koning der Franken, Stephanus, bisschop van Kamerijk en Atrecht, en Boudewijn, de tweede van die naam, graaf van Vlaanderen, over wat er met het lichaam van de heilige Amatus moest gebeuren. Er werd besloten dat het naar Douai moest worden teruggebracht, en zo is het ook gebeurd. Maar om hem eer te bewijzen, werden er de heilige lichamen bij gevoegd van de zalige Onesimus, eertijds bisschop van Soissons, en van de heilige Gurdinellus, belijder.
V. HET OPSCHRIFT OP HET DOKSAAL VAN SINT-AMATUS TE DOUAI (NAAR RAISSIUS, HIEROGAZOPHYLACIUM BELGICUM; ZOALS AANGEHAALD IN DE ACTA SANCTORUM, p. 1106)
Op de voorzijde van het koordoksaal van deze kerk, dat wij in de volkstaal 'Doxale' noemen, ziet men de vier voornoemde heiligen [Amatus, Maurontus, Onesimus en Gurdinellus] afgebeeld, met de volgende verzen in zeer oude letters:
De allerheiligste lichamen van deze vier heiligen bezit deze kerk als haar dierbare panden. De sterren houden hun zielen, gelaafd met hemelse nectar; opdat wij met hen verenigd worden, Christus Jezus, kom ons te hulp.
WAT DE BOLLANDISTEN BESLUITEN (ACTA SANCTORUM, OKTOBER VII, 1869, pp. 1101-1106)
[Samenvatting door de redactie.] Gurdanus van Anchin en Gurdinellus van Douai zijn volgens de Bollandisten één en dezelfde heilige: beide worden op 16 oktober gevierd, Anchin en Douai liggen vlak bij elkaar, en Gurdinellus (in het Frans Gourdinel naast Gourdaine) is een verkleinvorm van Gurdanus. De naam wordt in de bronnen verschillend geschreven: Gordanius in de oorkonde en de annalen van Anchin, Gurdinellus in Douai.
Over de overbrenging van zijn relieken bestaan verschillende overleveringen. Volgens de Bollandisten bracht een oudere Sicherus het lichaam eerst naar Douai, minstens twee eeuwen vóór de stichting van Anchin in 1079; de kroniek van Anchin kent twee Sicherussen die "duidelijk van elkaar verschillen". Uit vrees voor de Noormannen werden de relieken daarna naar Soissons gebracht en later naar Douai teruggebracht. Het jaartal 896, dat in de overlevering van Douai voorkomt, komt volgens de Bollandisten niet uit de handschriften van Douai, maar is via Molanus in de tekst terechtgekomen. Omdat bisschop Stephanus van Kamerijk, die het besluit zou hebben genomen, pas vanaf 900 en tot 933/934 in functie was, plaatsen zij de terugkeer naar Douai in die periode, samen met de relieken van Amatus en Onesimus.
In de marge van hun tekst plaatsen de Bollandisten het leven van de heilige vóór het midden van de negende eeuw ("ante medium sæculum IX"); in de tekst zelf stellen zij alleen vast dat hij vóór het einde van de negende eeuw al lang vereerd werd. In 1206 kregen zijn relieken, samen met die van Onesimus, een nieuw marmeren graf in de kerk van Sint-Amatus. Zij gingen verloren in 1795-1796, toen die kerk met de grond gelijk werd gemaakt; ook de abdij van Anchin is een ruïne.