H. Hiltrudis, Maagd te Liessies (Frankrijk)
Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.
Oudste Vita Hiltrudis uit Acta Sanctorum — Vita Hiltrudis, geschreven door een anonieme monnik van Waulsort (monachus Valciodorensis), begin/midden 11e eeuw
VITA VAN DE HEILIGE MAAGD HILTRUDIS, DOOR EEN ANONIEME MONNIK VAN WAULSORT (11E EEUW)
Hoofdstuk I. Proloog op het Leven van de heilige maagd Hiltrudis.
1. Op de vijfde dag vóór de kalenden van oktober [27 september] vieren wij de plechtige gedachtenis van de heilige maagd Hiltrudis. Met psalmen, hymnen en feestelijke gezangen moeten wij haar eren. Want het staat vast dat de Heer en zijn heilige engelen haar in alles eren: voor wie Christus het leven was, was sterven ongetwijfeld winst. Zij droeg haar kruis achter Christus aan. Zij verachtte de pracht van de wereld. Zij kruisigde haar vlees met zijn ondeugden en begeerten. Zij tuchtigde haar lichaam met vasten en waken, in zak en as. Zij leefde naar het Evangelie van Christus. Was zij dan niet gestorven voor de wereld, om alleen nog voor Christus te leven? Wat is zo'n leven anders dan een kruis en een martelaarschap? Voor wie zo leefde, was sterven ongetwijfeld winst. Zij ruilde immers, in een gelukkige ruil, het kleine voor het grote, het vergankelijke voor het eeuwige.
De Psalmist zegt: Wonderbaar is God in zijn heiligen. Als God wonderbaar is in zijn heiligen, die Hij zo volmaakt heeft gemaakt, dan gaat de eer die wij zulke mensen bewijzen in werkelijkheid naar Hem. Want zij zijn de tempel van de Heer en de instrumenten van de Heilige Geest, die door hen en in hen werkte. De Heilige Geest, die deze instrumenten bespeelt, is met de koren van de engelen aanwezig in de heilige tempel van Gods heerlijkheid. Daarom is het terecht dat wij haar, zo goed als wij kunnen, vieren en eren in deze tempels, door mensenhanden gemaakt.
Hierna vertellen wij over haar leven en haar levenswandel, over de daden van haar ouders en over de wonderen die de Heer om haar verdiensten heeft willen doen. Wij hebben het gehoord van betrouwbare mensen, die het van hun voorgangers hadden geleerd en ook zelf met eigen ogen hadden gezien.
Hoofdstuk II. Hoe koning Pepijn aan Wibertus het gebied van Liessies gaf.
2. In het jaar 751 na de menswording van de Heer kreeg de zeer roemrijke vorst Pepijn de alleenheerschappij over de Franken en de Germanen. Hij was daar ook geschikt voor: hij had grote kracht van geest en lichaam, was katholiek in zijn geloof en beoefende de heilige religie. Op bevel van paus Zacharias werd hij door bisschop Bonifatius als eerste tot koning gewijd. Na de dood van Zacharias kwam paus Stephanus om kerkelijke redenen naar Gallië en wijdde hij de kerk van Saint-Denis bij Parijs in. In diezelfde kerk wijdde hij Pepijn zelf, samen met al zijn nakomelingen, met een eeuwigdurende zegen. Deze koning bereikte in alles de volmaaktheid, en al zijn zaken gingen voorspoedig. Zoals het koning Pepijn paste, schitterde hij ook door de adel van zijn hoogwaardigheidsbekleders en edelen.
3. Onder hen was een graaf, Wibertus genaamd, edel van geboorte en van gedrag. Hij kwam uit een zeer edel geslacht uit de streek van Poitiers. Zijn vrouw heette Ada en kwam uit een van de voornaamste geslachten van de Franken. Wibertus werd zwaar bedreigd door vijanden. Daarom wendde hij zich tot de koning, op wiens genade hij vooral vertrouwde en door wiens vrijgevigheid hij werd geholpen. Hij vroeg hem dringend om een plaats uit het koninklijk domein, waar hij zich veilig kon vestigen, buiten het bereik van zijn vijanden.
Zoals het een vrijgevig man past, willigde de koning het verzoek in. Hij schonk hem ruime bezittingen uit zijn koninklijk erfgoed, gelegen tussen de Thiérache en Henegouwen, aan de rivier de Helpe. Het land was vruchtbaar en rijk aan vee, met veel weiden en dichte bossen, zeer geschikt voor jacht en visvangst. Het was duidelijk een koninklijk geschenk. Wat moet ik nog meer zeggen? Wibertus nam het aan en dankte voor het geschenk. Hij ging erheen om te zien wat het waard was. Hij bekeek het, zag dat het aan zijn wensen voldeed en was tevreden. Toen besloot hij er met heel zijn huisgezin naartoe te verhuizen, en dat deed hij ook.
Hoofdstuk III. Hoe Wibertus zich voornam een kerk te bouwen te Liessies.
4. Op een dag joeg hij met jagers en honden op een everzwijn. Hij haalde het in bij de rivier de Helpe, op de plaats die nu Liessies heet. Hij liet zijn blik wijd over die plaats gaan en zag hoe geschikt ze was. Toen kwam de gedachte bij hem op, niet bij toeval maar door goddelijke ingeving, geloof ik, om die plaats bewoonbaar te maken. Hij wilde er een kerk stichten en gebouwen oprichten voor de dienaren van God, zoals de ligging dat toeliet. Dat is nu nog te zien.
Hij keerde terug naar de koning, dankte hem uitvoerig voor zijn gunst en vertelde hem over zijn plan. De koning keurde het plan goed, spoorde hem aan het uit te voeren, beloofde hem zijn steun en gaf die ook. Toen keerde Wibertus terug naar zijn vrouw, de eerbiedwaardige Ada. Hij vertelde haar het plan dat God hem had ingegeven, en ook over de gunst, de instemming en de hulp van de zeer godvruchtige vorst. Beiden waren het eens over het plan en voerden het samen uit. Bij die plaats, voorheen een schuilplaats voor wilde dieren, maakten zij een woonplaats voor mensen, Liessies genaamd. Daarna begonnen zij moedig met de bouw van een bedehuis.
Hoofdstuk IV. Hoe Wibertus daadwerkelijk het klooster van Liessies bouwde.
5. Zij hadden besloten dat het een tempel van de Heer zou worden, en daarom wilden zij er een huis van gebed bouwen. Op raad van wijze en godvruchtige mannen kozen zij een plaats aan de oever van de rivier, geschikt voor de kloostergebouwen. Daar zou altijd water zijn voor wat nodig was, en binnen de kloostermuren zou er plaats zijn voor een molen, een bakkerij, een keuken, een moestuin en de verschillende ambachten. Zij berekenden de kosten en zorgden voor het geld. Zij legden de fundamenten volgens de regels van de kunst, en bij het verdere werk gedroegen zij zich als een tweede Salomo. Want Salomo was wel rijker dan zij, maar niet vromer. Het werk was niet zwak of onaanzienlijk, maar edel en stevig, met fundamenten die een edele bedoeling verrieden.
Toen het bedehuis klaar was, de muren van de kerk opgetrokken, het dak erop gelegd en het klooster, zoals gezegd, goed uitgerust, gingen zij naar de bisschoppen en abten in de omgeving. Vooral naar de bisschop van Tongeren gingen zij. Zij vroegen om relieken van heiligen voor de inwijding, en die kregen zij ook. Die bisschop schonk hun kostbare relieken van vele heiligen, vooral van de heilige Lambertus. Vriendelijk maar dringend vroeg hij hun hun bedehuis aan diens verdiensten en naam toe te wijden. Zij meldden dat aan de bisschop van Kamerijk, tot wiens bisdom het bedehuis behoorde. Hij wijdde het met de verschuldigde eer en eerbied toe aan de verdiensten en de naam van de heilige Lambertus, op de derde dag vóór de nonen van november [3 november].
Hoofdstuk V. Over Guntardus, de zoon van Wibertus.
6. Zij hadden een zoon, Guntardus genaamd. Van kinds af was hij onderwezen in de heilige Schrift en gevormd in de kloostertucht. Hij was gewend aan het monastieke leven en wijdde zich aan de overweging van de heilige Schriften. Hij wisselde gebed af met lezing en lezing met gebed. Hij was waakzaam en volhardend in nachtwaken en vasten. Men zei dat hij als monnik leefde: hij begeerde niets van de wereld en omhelsde alleen de Heer, met heel zijn hart, heel zijn ziel en heel zijn kracht. Voor hem brachten zijn zeer godvruchtige ouders enkele mensen van monastieke stand en levenswijze samen, en zij stelden hem aan als hun vader en leider.
Zolang hij in de kerker van het vlees leefde, deed hij heel nauwgezet wat hij door Gods genade was en wat zijn naam zei: een voorbeeld zijn voor wie aan hem waren toevertrouwd. Men zag Elkana en Anna uit het gebergte van Efraïm een heilige zoon voor de Heer verwekken en aan Hem opdragen. Men zag ook een tweede Samuël in de tempel van de Heer dienen. Er was geen gevaar zoals bij de priester Eli van Silo: hij wist de weerspannigen met de prikkel te straffen en de gehoorzamen met de herdersstaf naar de Heer te trekken.
Hoofdstuk VI. Over de goede zeden van de heilige Hiltrudis.
7. Zij hadden ook een dochter, Hiltrudis genaamd. Zij was mooi van gezicht, maar nog mooier door haar geloof. Zij was edel van geboorte, maar nog edeler door haar vrome levenswandel. Zoals ijzer ijzer scherpt en liefde liefde voedt, zo wedijverde de maagd met zulke gaven met de daden van haar broer. Hij was voor haar een tweede Hiëronymus, zij voor hem een tweede Eustochium.
Een vorst van de Bourgondiërs, Hugo genaamd, wilde met haar trouwen. Hij werd aangetrokken door de adel en de bevalligheid van het meisje, en ook door de lange bekendheid en vertrouwdheid met haar edele ouders. Zij spraken een dag af om te overleggen. Van beide kanten werd over het huwelijk gesproken, en haar ouders peilden de gezindheid van de maagd. Zij antwoordde hun: "Als u mij naar mijn mening vraagt, zal ik zeker zeggen wat ik denk. Al lang bemin ik boven alles alleen Christus. Aan Hem heb ik trouw beloofd, met Hem verlang ik te trouwen. Als u mijn ouders wilt zijn, als u mij als dochter wilt hebben, scheid mij dan niet van de ware Vader, van de ware Bruidegom die ik heb liefgehad. Dan erken en belijd ik u als mijn ouders en mijzelf als uw dochter. Zo niet, dan hecht ik geen waarde aan uw ouderschap, en ben ik u ook geen kinderplicht verschuldigd."
8. Haar ouders kalmeerden en zeiden dat het maar meisjespraat was, niet de moeite waard. Zij dachten dat haar mening, als van een wispelturig meisje, nog wel zou veranderen. Daarom stelden zij het antwoord uit tot de volgende dag. Zij wisten niet dat er in een vrouw een mannelijke geest kon wonen, en dat de Heer de zaak leidde.
De heilige maagd wist niet wat zij moest besluiten of doen. Zij kon haar ouders niet weerstaan en vond het een zonde hun niet te gehoorzamen. Toch brandde zij van verlangen om met de onsterfelijke Bruidegom te trouwen. Ten slotte besloot zij dit: midden in de nacht vluchtte zij, met maar een paar heel betrouwbare getuigen, naar het bos in de buurt en verborg zich daar.
De volgende dag hoorden de zeer vrome ouders dat hun liefste kind gevlucht was. Zij waren daar erg ongerust over, niet alleen om hun dochter, maar ook omdat het gezag en de vriendschap van de vorst waren geschaad. Toch droegen zij hun mensen op de zaak stil te houden. Opnieuw kwam men samen voor overleg. De ouders verontschuldigden zich: Hiltrudis had zich teruggetrokken in een binnenkamer en bleef bij haar besluit. Zij konden haar niet vermurwen, want zij had al lang voor zo'n leven gekozen. Dat wisten zij uit haar dagelijkse levenswandel, waarin geen spoor van lichtzinnigheid te zien was, en uit het getuigenis van velen. Als zij zich tegen haar voornemen verzetten, vreesden zij de toorn van God uit de hemel. En als God het waardig achtte hun kinderen tot zich te trekken, waren zij daar juist heel blij om. Zij dankten hem voor zijn aanzoek. De vroegere vriendschap kon ongeschonden blijven, als het hem beviel hun andere dochter, Berta, even edel en niet minder mooi, tot vrouw te nemen.
9. Wat meer? Beide partijen stemden toe. De ouders verloofden het meisje met de vorst, en de vorst trouwde wettig met haar. Ook zij leidde, tegen het einde van haar leven, een godvruchtig leven. Na dit kort te hebben verteld, zoals de zaak vereist, keren wij terug naar de schuilplaats van de heilige maagd. Nog vóór haar zuster Berta vertrok, riepen de ouders de heilige maagd Hiltrudis terug. Ook zij zou trouwen, maar met de onsterfelijke Bruidegom.
Hoofdstuk VII. Hoe de bisschop van Kamerijk de heilige Hiltrudis sluierde.
10. Niet veel dagen later werd zij voorgesteld aan de eerbiedwaardige Theodericus, bisschop van Kamerijk. Men vertelde hem ook hoe toegewijd de maagd was en wat zij vroeg. De bisschop was een deugdzaam man, die blij was als zielen vorderden in de Heer. Hij dankte God, keurde de toewijding van de maagd goed, sprak haar stichtende woorden toe en bad voor haar tot de Heer dat zij haar voornemen tot het einde zou volhouden. Ten slotte wijdde hij tijdens de Mis de bruid aan Christus, of liever: door hem wijdde Christus haar aan zichzelf. Hij legde haar de heilige sluier op. Hoe zij leefde nadat zij het heilige kleed van het religieuze leven had aangenomen, hebben wij aan het begin al gezegd, en wij zullen het hier kort invoegen.
11. Men zag als het ware een tweede Anna: geen weduwe, maar werkelijk verenigd met haar onsterfelijke Bruidegom en werkelijk bij Hem aanwezig. Zij verliet de kerk niet. Dag en nacht wijdde zij zich aan vasten en gebed. Zij dacht aan niets anders dan aan hoe zij haar Bruidegom kon behagen en Hem volhardend kon volgen in de geur van zijn zalving. Niemand hoorde haar ooit lichtzinnige woorden spreken of iets zeggen dat tot lachen aanzette. Niemand zag haar ooit in lachen uitbarsten. Want al was zij naar het lichaam nog jong, naar de geest was zij al oud.
Na het gebed ging zij over tot de heilige lezing, die haar broer, de eerbiedwaardige abt Guntardus, haar als het ware toevertrouwde: hij als een tweede Benedictus, zij als een tweede Scholastica. Daarna keerde zij terug tot de stille beoefening van de gerechtigheid. Als een redelijk dier herkauwde zij wat zij uit de kribbe van de Heer had gegeten, wat zij in volheid uit de heilige Schriften had geproefd. Dat deed zij op de plaats die voor haar gebed en overweging was ingericht, in diezelfde kerk, aan de noordkant, achter het bedehuis van de broeders. Zo geurde de cel van Christus zeventien jaar lang van de balsem van een vroom en rechtvaardig leven in de wereld. Zij werd een voorbeeld, niet alleen voor vrouwen, maar ook voor mannen.
Hoofdstuk VIII. Over het testament van de heilige Hiltrudis.
12. In die tijd verloren haar ouders, die God welgevallig waren, al hun andere kinderen, die zij als erfgenamen hadden bestemd. Zij stierven allen vroeg, en hun lichaampjes liggen begraven in de genoemde kerk. Zoals ik het begrijp, wilde de Heer niet dat zij door de boosheid van deze wereld bedorven werden en, weggezonken in het slijk, voor de hel zouden opgroeien. Daarom nam Hij hen weg uit het midden van de ongerechtigheid, om hun een blijvend nageslacht te geven in het land van de levenden.
Zo kwam het dat zij hun bezittingen, binnen en buiten het huis, aan hun dochter, de heilige maagd Hiltrudis, schonken: vanaf het landgoed Molhain, waar de eerbiedwaardige Ada een kerk voor de Heer had gebouwd, tot aan het landgoed Vaux. Die schenking legden zij in haar handen vast met een erfelijk testament. Zolang zij leefde, mocht zij er vrij over beschikken. Na haar dood zou alles overgaan naar de kerk van de heilige Lambertus, voor wie daar de Heer dienden.
Dat testament, verzegeld met lood, lieten haar zeer vrome ouders met een wijze blik op de toekomst met haar mee begraven, toen zij naar de hemelse woningen was heengegaan. Vele jaren later, in de tijd van keizer Hendrik, de opvolger van Otto III, opende iemand uit roekeloze nieuwsgierigheid het graf van de maagd en vond het testament. Het werd verbrand door iemand die niet bij de erfgenamen hoorde, maar bij hen die zich de bezittingen van de heilige Hiltrudis hadden toegeëigend. Hierover zeggen wij liever weinig, om bij lezers of toehoorders geen walging of afkeer te wekken. Nu vertellen wij over het heengaan van de heilige maagd.
Hoofdstuk IX. Over het heengaan van de heilige Hiltrudis.
13. Het ligt niet in de macht van de mens om over zijn eigen oordeel of leven te beschikken. Daarom liep het anders dan de vrome ouders hadden gedacht: zoals God, de Vader van alle ouders, het vóór alle tijden had bepaald. Want de aan God gewijde maagd had de goede strijd gestreden, haar loop trouw volbracht en het geloof in Christus bewaard. Spoedig zou zij haar Bruidegom tegemoet gaan en met Hem het bruidsvertrek binnengaan.
Zij werd door een lichte kwaal getroffen. Geleidelijk begon zij te verzwakken en verloor zij steeds meer van haar krachten. De kwaal werd met de dag erger, en de noodzaak van onze sterfelijkheid dwong haar het lichaam te verlaten. Haar vrome broer was met zijn monniken bij haar en sterkte haar elke dag met de heilige sacramenten. Zij beval zich aan in hun gebeden en hield niet op de Heer te bidden dat Hij haar in vrede zou opnemen. Ook haar zeer vrome ouders waren erbij, en het hele huisgezin. Het was vroom om blij te zijn, en vroom om te wenen. Zij waren blij dat zij in haar voornemen had volhard, en tegelijk betreurden zij dat zij de wereld verliet.
14. Ten slotte werd die heilige ziel bevrijd uit de kerker van het vlees. Zij ging de eeuwige tenten binnen waarnaar zij smachtte, waarover zij elke dag in haar overweging en met haar stem had gezongen: Hoe beminnelijk zijn uw tenten, Heer der heerscharen! Mijn ziel verlangt en versmacht daarnaar. Met een lamp vol olie, dat wil zeggen met de rijkdom van vrome deugden, werd zij door de heilige engelen het bruidsvertrek van de Koning binnengeleid. Zij werd voor het aangezicht gebracht van haar Bruidegom, die zij had liefgehad, die zij had uitverkoren, die zij had gezocht en altijd had begeerd.
Bij haar heengaan was er vreugde bij de engelen die over de mensen waken, en gelukwensen bij alle heiligen. Want de vorst van deze wereld vond niets van het zijne in haar. Maar er was droefheid, rouw en verdriet bij haar vrome broer Guntardus en de hele gemeenschap van broeders, bij haar vrome ouders en het huisgezin. Want ook al geloofden zij dat zij de dood had verloren en het leven had gevonden, toch viel het hun zwaar haar vrome leven te moeten missen. Zij ging ter ruste in de maand september, op de vijfde dag vóór de kalenden van oktober [27 september].
Zij maakten haar een graf, zoals het een maagd van Christus paste, naast het hoogaltaar aan de noordkant. Daar begroeven zij haar met eer, samen met het testament over het vaderlijk erfgoed dat haar was geschonken, waarover wij al spraken. Op het graf legden zij een stenen plaat met dit opschrift: HIER RUST HET LICHAAM VAN HILTRUDIS, MAAGD VAN CHRISTUS, DIE STIERF OP DE VIJFDE DAG VÓÓR DE KALENDEN VAN OKTOBER. O gelukkige maagd van Christus, wier ziel in het hemelse heiligdom is geplaatst en wier lichaam in het aardse, juist omdat zij zelf een heiligdom van de Heilige Geest was! Ook haar ouders mag ik terecht gelukkig noemen: door de kerk tot erfgenaam van hun bezittingen te maken, verwierven zij voor hun kinderen de eeuwigheid van de hemelse woningen.
DEEL II.
Hoofdstuk X. Over de begrafenis van de ouders van de heilige Hiltrudis.
15. Na het ontslapen van de heilige maagd gingen ook haar ouders, die al hun andere kinderen hadden verloren en God waardig waren, in Christus ter ruste. Hun eerbiedwaardige zoon, abt Guntardus, begroef hen in de zuidelijke portiek van het klooster, zoals het hun paste. Zij hadden die plaats zelf voor hun begrafenis gekozen. Hij legde zijn vader op een hoger rustbed en zijn moeder op een lager. Zij hadden deze rustplaats voor hun lichaam gekozen uit nederigheid: zij vonden zichzelf onwaardig om in de kerk zelf te slapen. Ook wilden zij dat wie de kerk binnenging, voor de rust van hun zielen zou bidden.
Hoofdstuk XI. Over de begrafenis van de eerste abt van Liessies.
16. De Heer had de eerbiedwaardige abt juist hiervoor bewaard: hij moest zijn broeders, zijn ouders en zijn zeer heilige zuster de laatste eer bewijzen. Daarna betaalde hij zelf zijn schuld aan de dood en zond hij zijn zalige ziel, die eeuwig zou leven, naar de hemel. Hij had zijn broeders bestuurd naar de wil van de Heer, en stervend had hij hun gevraagd hem te gedenken. In tranen om zijn heengaan legden zij zijn lichaam in het midden van het bedehuis van de heilige Lambertus. Daar worden zijn naam en zijn verdienste tot op vandaag in ere gehouden. Nog vele jaren na zijn dood bleven de orde en het religieuze leven van de monniken op deze plaats bestaan en bloeien.
Hoofdstuk XII. Over het verval van de kerk van Liessies.
17. Maar na de dood van Karel de Grote en zijn zoon Lodewijk de Vrome bestreden hun opvolgers elkaar in oorlogen. Wat in de tijd van de vroegere vorsten één rijk was geweest, werd door een veelheid van koningen toegeëigend, verscheurd en opgeëist. Zo begon de majesteit van het Romeinse rijk langzaam af te brokkelen, weg te vloeien en te verminderen. Want, zoals iemand zegt: wat over velen wordt verdeeld, wordt voor ieder minder. Overal in Gallië braken oorlogen, moordpartijen en verwoestingen uit, en de rampen stapelden zich op.
Hoofdstuk XIII. Over de verwoesting van de kerk van Liessies.
18. Toen die storm woedde en de Heer had besloten zijn volk te tuchtigen, werd het land verwoest door de Hongaren, die delen van Gallië binnenvielen. Hun tomeloze boosheid zou uiteindelijk op hun eigen hoofd neerkomen, maar korte tijd plunderden zij mateloos steden, burchten en dorpen. Zij verwoestten ze met moord en brand en spaarden ook de kerken van God niet.
Zij stormden ook op het genoemde bedehuis van de heilige Lambertus af. Daar lagen, zoals gezegd, de relieken van vele heiligen en de beenderen van de heilige maagd Hiltrudis en haar broer, en nog vele andere maagdelijke lichamen waarover wij niet hebben gesproken. Zij staken het dak in brand en deden alles om het te laten branden. Maar, wonderlijk om te zeggen: het vuur leek zijn kracht te vergeten en bereikte niets. Want de Heer wilde niet dat het huis van zijn maagden zou branden in het vuur. Hun lichamen, zijn woonplaats, hadden immers niet gebrand in het vuur van de begeerte.
Waarom zou ik lang uitweiden? Zij braken de deuren van de kerk open. Zij zetten een met salpeter ingesmeerde wijnkruik rechtop. Zij gooiden er pek, werk en droog hout op en voegden allerlei brandstof toe. Maar ook zo bereikten zij weinig. Zover de omtrek van de kruik reikte, verschroeide de likkende vlam het dak, maar verder durfde het vuur niet te gaan. Teleurgesteld door hun vergeefse moeite gaven zij het op. Zij roofden al het kerkmeubilair, plunderden het en staken de kloostergebouwen en de werkplaatsen van de broeders in brand. Zij vulden alles met rouw en jammerklachten. Zij namen vele gevangenen mee, mannen en vrouwen van alle leeftijden. Die kwamen na de overwinning op de Hongaren terug, en van hen hebben wij de stof voor dit hoofdstuk. Vanaf die tijd werd niet alleen hier, maar ook elders, door zulke rampen het monastieke leven en de orde van de monniken met de grond gelijkgemaakt en volledig vernietigd, en de kloosterlingen werden verstrooid.
Hoofdstuk XIV. Hoe de bezittingen van de kerk van Liessies in wereldlijke handen kwamen.
19. Toen die storm voorbij was, eigenden de boeren uit de omgeving zich toe wat aan de heilige Hiltrudis had toebehoord. Ieder roofde wat het dichtst bij hem lag. Wat van de kerk was, werd wereldlijk gemaakt. Want boosaardige mensen, die als het ware in hun hart zeiden: Er is geen God, voegden het bezit van de kerk bij het hunne, laat staan dat zij iets van het hunne aan de kerk zouden geven.
Hoofdstuk XV. Hoe het lichaam van de heilige Hiltrudis door wonderen beroemd werd.
20. De lamp van de Heer mocht niet langer verborgen blijven. De goddelijke goedheid wilde de mensen laten zien hoeveel verdienste zij bij Hem had. Daarom begon zij om haar verdiensten bij haar graf vele wonderen te doen. Maar door de onachtzaamheid van schrijvers en de nalatigheid van onkundige mensen zijn die in vergetelheid geraakt. Want haar rustplaats had toen geen mensen die zich daaraan konden wijden, en de slechtheid van die tijd, met zijn vele kwaad, liet het niet toe. Er kan immers geen toewijding van de geest zijn als de geest niet in rust is.
Hoofdstuk XVI. Over het opmerkelijke wonder betreffende de ouders van de heilige Hiltrudis.
21. Er was een zoon van Belial, Fragimarus genaamd, een ruiter. Van kinds af was hij doordrenkt van boze zeden en daaraan gewend. Hij roofde andermans goed, want van zichzelf bezat hij niets. Hij vreesde God niet en had geen ontzag voor mensen. Hij stierf. Terecht zeg ik dat hij stierf, want ook toen hij leefde was hij al dood voor God. Voordat de dood hem overviel, gaf hij zijn paard, waarop hij altijd uit roven ging en bloed vergoot, aan de priester van de kerk van Liessies. Zo verkreeg hij een graf in de portiek van die kerk, naast de lichamen van de eerbiedwaardige Wibertus en zijn vrouw Ada, de ouders van de heilige maagd Hiltrudis. Deze dierlijke mensen wisten echt niet dat heilige plaatsen aan goddelozen geen heil brengen, maar veroordeling, en dat er geen gemeenschap is tussen Christus en Belial.
Wat meer? Toen dit bekend werd, werd de kerk op bevel van de bisschop van Kamerijk gesloten. Het koorgezang van de geestelijken en de priesterlijke dienst werden er stilgelegd. 's Nachts hoorde men de stemmen van demonen die hun Fragimarus toeriepen om op zijn paard te stijgen. Maar uit ontzag voor de heiligheid van de plaats durfden zij hem niet mee te nemen. De dorpsbewoners die dit hoorden, waren doodsbang. Niemand durfde 's nachts zijn huis uit, hoe dringend het ook was.
De heilige maagd Hiltrudis verscheen aan de priester in een nachtelijk visioen en zei: "Dominicus" (zo heette de priester), "waarom heb je het gewaagd dat allerwalgelijkste lijk naast mijn ouders te leggen, zodat ik hen niet kan bezoeken? Weet zeker dat je niet ongestraft blijft, als je het niet weghaalt." Doodsbang werd de priester wakker. Hij was geen dove hoorder van deze dreiging. Hij beval zijn knechten het lijk weg te dragen en het buiten het kerkhof, in de oever van de Helpe, ondiep met aarde te bedekken. Zo gebeurde het. Nadat zij dat offer aan Pluto hadden weggehaald, hoorden zij de angstaanjagende stemmen van zijn dienaren niet meer.
Hoofdstuk XVII. Hoe een onschuldig meisje in de kerk van de heilige Hiltrudis de lofzangen van de engelen hoorde.
22. In die tijd was er een zekere Adelardus, eigenaar van het landgoed Liessies. Zijn vrouw heette Ermentrudis, en zij was zeer godvruchtig en trouw in gebed en vrome werken. Zij had de zorg voor haar dochtertje, Haduidis genaamd, toevertrouwd aan een meisje met een goede naam, Roberga genaamd. God kijkt niet naar de persoon: wie Hem vreest en gerechtigheid doet, uit welk volk ook, is Hem welgevallig. Op een nacht hoorde dit meisje de stemmen van engelen, die in de kerk psalmen zongen. Het gehuil van het kleine kind belette haar een beetje om goed te luisteren. Zij suste het kindje met liefkozingen en luisterde naar die zoete melodie, tot de slaap haar, half wakend, overmande.
De heilige maagd Hiltrudis stond naast het meisje, want de kamer van de vrouw des huizes, waar dit gehoord werd, grensde aan de kerk. Zij wekte haar zacht en sprak haar aan. Op de vraag wie zij was, zei zij dat zij Hiltrudis was, de bewoonster van die kerk. Zij vroeg het meisje of zij iets had gehoord. Het meisje antwoordde dat zij een zoete harmonie had gehoord, die de oren zacht streelde. "Ik weet," zei zij, "dat je het gehoord hebt, maar niet volledig: het gehuil van het kleine kind belette het. Maar luister: het kind zal ziek worden, maar niet ten dode. Niet omdat een kind van die leeftijd straf verdient, maar als getuigenis en bevestiging van de goddelijke lofzang die je gehoord hebt. Want de genezing van het kindje, kort daarna, zal getuigen dat waar is wat jij over de lofzang van de engelen vertelt." Na deze woorden verdween de heilige maagd.
Toen het de volgende dag licht werd, brak er, zoals de heilige maagd had gezegd, over het hele lichaam van het kind, van kruin tot hiel, een soort melaatse uitslag uit. Men meldde de moeder dat haar kindje zo plotseling door dit kwaad was getroffen. Toen zij zag hoe erg het eraan toe was, dacht zij dat het spoedig zou sterven. Eerst was zij verbijsterd, daarna viel zij helemaal ten prooi aan wanhoop en verdriet. Toen kwam het meisje over wie wij spraken. Zij vertelde over de lofzang van de engelen die zij had gehoord en hoe het was gegaan. Zij bemoedigde de moeder en zei haar niet bang te zijn en niet te wanhopen aan het leven van haar kind. Volgens de belofte van de heilige maagd zou het kind na korte tijd weer gezond worden. En zo gebeurde het ook.
Hoofdstuk XVIII. Over de verheffing van het lichaam van de heilige Hiltrudis.
23. De Heer heeft door zijn maagd Hiltrudis zeer vele wonderen willen doen. Als wij ze allemaal wilden vertellen, zou het daglicht van vandaag eerder op zijn dan onze woorden. Erlinus, bisschop van Kamerijk, hoorde ervan en was overtuigd. Hij kwam naar die plaats en verhief met grote eer de beenderen van de heilige maagd, met het psalmgezang van de geestelijken, met lieflijke gezangen, met wierook en kaarsen. Hij legde ze in een nieuw schrijn achter het hoogaltaar. Bij de verheffing van de heilige maagd was er evenveel vreugde als er droefheid was geweest bij haar begrafenis. Nu vloeiden er evenveel tranen van vreugde als toen van rouw en verdriet.
24. In de tijd van keizer Hendrik, toen Gerardus, een man Gods waardig, bisschop van Kamerijk was, verscheen de heilige maagd Hiltrudis aan een vrouw en zei: "Ga naar Adelardus en Ermentrudis en zeg hun dit. Het bedehuis dat mijn ouders hebben gesticht, is door de ouderdom, door verwaarlozing en door wereldse tegenspoed vervallen en dreigt in te storten. Laten zij dus niet langer uitstellen om voor mij een kerk te bouwen op de plaats van hun schuur."
Hoofdstuk XIX. Hoe de heilige Hiltrudis aan de bisschop van Kamerijk de herstelling van haar kerk openbaarde.
25. Toen zij van dit visioen hoorden, deden zij eerst alsof het maar een droom was en negeerden het. Maar na herhaalde vermaningen gaven zij toe. De eerbiedwaardige vrouw, die vuriger was in de zorg voor het heil van haar ziel, zette zich moedig aan het werk. Zij had zo veel gezag dat haar man, hoewel hij zelf niet zo met zijn heil bezig was, zich er niet tegen kon verzetten. Zij blonk immers uit door afkomst en door zeden, leefde in een kuis huwelijk en was, zoals gezegd, trouw in gebed en vrome werken. In de zorg voor dat werk toonde zij de ijver van David, die op de dorsvloer van Ornan de Jebusiet een tent voor de Heer oprichtte.
Toen het werk klaar was, stuurden zij boden naar de bisschop van Kamerijk met de vraag de kerk te komen inwijden. De bisschop, vurig van ijver in de Heer, kwam om aan hun wens te voldoen. Hij wijdde de kerk in op de vijfde dag vóór de nonen van mei [3 mei]. Hij plaatste er kostbare relieken van het lichaam van de heilige Gaugericus, en droeg er ook, met de verschuldigde eer en verering, de zeer heilzame beenderen van de heilige maagd naartoe over.
Hoofdstuk XX. Hoe de klokken van de kerk van de heilige Hiltrudis vanzelf luidden.
26. Door bepaalde onlusten op het kerkhof werd deze kerk op bevel van de bisschop gesloten, en de goddelijke dienst werd er stilgelegd. Toen de verjaardag van de inwijding naderde, werd snel een bode gestuurd om bij de bisschop gewijd water te halen om de kerk en het kerkhof te reinigen. Op de vooravond van het feest liet de bode op zich wachten. De geestelijken zwegen dus tijdens de vespers. Het volk, dat was samengekomen om te bidden, kon het slecht verdragen dat het de goddelijke lofzangen moest missen.
Wat meer? 's Nachts werden de deuren van de kerk gesloten, en men ging slapen. Maar op het uur van de nachtwake luidden de klokken in de kerk. De koster, die de kerk met de sleutel had afgesloten, snelde verbijsterd toe. Ook geestelijken en veel mensen uit het volk kwamen aangelopen, in de veronderstelling dat de bode van de bisschop terug was. De koster durfde van verbijstering niet alleen naar binnen te gaan. Maar zodra zij samen de kerk binnengingen, verstomde het geluid van de klokken. Zij begrepen dat er iets goddelijks aanwezig was, loofden de Heer en verkondigden overal zijn kracht.
Hoofdstuk XXI. Hoe de kerk dankzij de verdiensten van de heilige Hiltrudis van brand bevrijd werd.
27. In diezelfde tijd kwamen de mannen van Beaumont samen om het dorp te plunderen en in brand te steken. Zij roofden de buit, namen al het huisraad uit het dorp mee en staken ten slotte alles in brand. De huizen dicht bij de kerk brandden af, en ook de kerk zelf werd door de vlammen bedreigd. De geestelijken raakten in paniek. Zij beefden, haastten zich en liepen heen en weer, zonder te weten wat te doen of waar eerst heen te gaan. Zij gaven de kerk al op.
Ten slotte grepen twee van hen de baar waarin de beenderen van de heilige maagd lagen, om die weg te dragen, de brand tegemoet. Het vuur lekte al langs de huizen naast de kerk. Tussen twee huizen zochten de twee dragers een smalle doorgang uit de kerk, maar daar kwamen zij de brand tegen en konden niet verder. Zij konden nergens heen, niet naar rechts en niet naar links. Daarom zetten zij de baar neer, vluchtten zelf naar de drempel van de kerk en riepen tot de heilige maagd: "Als u toestaat dat u door dit vuur verbrand wordt, laten wij dat aan uw beslissing over."
Toen, wonderlijk om te zeggen, zag men het vuur als door een windvlaag teruggedreven vluchten en vanzelf verzwakken. Hij die zijn knechten ongedeerd bewaarde in de Babylonische oven, kon ongetwijfeld ook zijn maagd ongedeerd bewaren, zij die niet had gebrand in het vuur van de begeerte. Toen de rovers dit wonder zagen, hielden zij op met het in brand steken van de kerk, en de geestelijken verheerlijkten de Heer om dit wonder.
Hoofdstuk XXII. Hoe dankzij de verdiensten van de heilige Hiltrudis een jongen van de pest bevrijd werd.
28. Ik zal nog een ander wonder vertellen, dat de goddelijke Goedheid in onze tijd door de verdiensten van zijn maagd heeft gedaan. Er heerste onder de mensen een sterfte van deze aard: er ontstond plotseling zo'n koorts, dat wie erdoor getroffen werd niet meer herstelde, maar de volgende dag stierf, of zelfs nog dezelfde dag. In die nood vluchtten mannen en vrouwen van alle leeftijden naar de voorspraak van de heilige Etto, die rust in het dorp Dompierre. Enkele mannen uit het dorp Rance keerden vandaar terug en gingen onderweg langs de kerk van de heilige maagd Hiltrudis. Daar werd een jongen uit dat gezelschap plotseling door dezelfde koorts getroffen. Zijn ouders vreesden voor hem, want niemand die zo ziek werd, genas nog. Daarom namen zij hun toevlucht tot de voorspraak van de heilige maagd en vroegen haar gebed voor de jongen. Voor zijn redding beloofden zij elk jaar een offergave terug te brengen. De jongen genas van zijn ziekte. Zo liet de Heer ook hierin openlijk zien hoeveel zijn maagd met haar gebed bij Hem vermocht.
Hoofdstuk XXIII. Hoe een man dankzij de verdiensten van de heilige Hiltrudis van een epidemie bevrijd werd.
29. Het gebeurde ook dat een inwoner van datzelfde dorp door dezelfde ziekte werd getroffen en te bed lag. De zijnen verwachtten niets anders meer dan zijn dood. Toen viel hij in slaap. In zijn droom leek het alsof hem werd aangekondigd dat de beenderen van de heilige maagd kort daarna door dat dorp zouden worden gedragen. Toen hij wakker werd, geloofde hij het visioen en vertelde het aan de zijnen. Hij drong erop aan dat men hem zou aankleden en de baar tegemoet zou brengen. Eerst dachten zij dat hij ijlde. Maar toen zij zagen hoe hij aandrong, gaven zij toe.
Toen hij, gedragen door wie hem ondersteunden, uit het huis werd gebracht, hoorde men het geluid van de klokjes die vóór de baar van de heilige maagd uit werden gedragen. Terwijl de baar door de straten van het dorp trok, ging hij haar tegemoet, ging onder de baar door en deed zijn geloften. Kort daarna dankte hij de Heer en de heilige maagd, en hij was weer op krachten. Daardoor is het gebruik ontstaan dat niet alleen hij, maar alle bewoners van dat dorp tot vandaag op de sterfdag van de heilige Hiltrudis en op de wijdingsdag van haar kerk niet nalaten smeekgebeden en zeer toegewijde geloften te brengen.
30. Er is nog een ander teken van haar kracht, dat wij niet willen verzwijgen. Een vrouw uit het dorp Terlunius werd door razernij, dat wil zeggen verstandsverbijstering, getroffen. Haar familie bond haar handen vast en zette haar op een wagen, want te voet kon zij zo niet worden meegebracht. Zo brachten zij haar naar de voorspraak van de heilige maagd. Zij zetten haar neer bij de deur van de kerk, en men zocht de koster om open te doen. Men zocht hem lang en vond hem ten slotte, maar hij aarzelde om te komen. Intussen stonden zij voor de deuren van de kerk en smeekten om de genezing van de ongelukkige, en deden hun geloften aan de Heer en de heilige Hiltrudis. Toen begon zij een beetje in te dommelen. Zij tilden haar op en brachten haar naar een huis in de buurt, waar zij haar lieten slapen. Bij zieken gold dat als een teken van herstel. Toen zij wakker werd, voelde zij dat zij haar gezondheid terug had, en zo was het ook. Zij stond op met een gezonde geest, sprak met de haren, ging de kerk binnen en dankte de Heer en de heilige maagd. Zij die op een wagen was gebracht, ging te voet en vol vreugde naar huis.
Epiloog.
31. Er zijn nog andere, ontelbare tekenen van haar kracht, die de goddelijke Voorzienigheid elke dag doet, samen met wie haar liefhebben, ter ere van haar naam en tot verheerlijking van deze kostbare Lamp. Wij hebben ze zelf gezien, of gehoord van wie ze zagen. Om geen walging te wekken door overdaad, hebben wij ze weggelaten. Moge dit weinige dat wij hier hebben samengesteld, volstaan tot stichting van de verstandigen. Wij hebben dit immers niet geschreven om de heilige maagd te hulp te komen, alsof zij op zichzelf niet duidelijk genoeg zou zijn, maar om de wonderbare Heer in haar te verkondigen. Want voor een vrome en godvruchtige geest volstaat over de heiligen alleen dit: dat hun dood kostbaar is in de ogen van de Heer.
Tekenen en wonderen waren immers alleen nodig in de begintijd van de jonge Kerk, toen het geloof van de nieuwbekeerden daardoor moest worden gevoed. Nu is dat niet meer zo nodig, want vandaag belijdt van zonsopgang tot zonsondergang elke tong de naam van de Heer. Zoals de heilige paus Gregorius zegt, doen de heiligen van deze tijd niet daarom minder wonderen dan de heiligen van vroeger omdat hun verdienste bij de Heer kleiner zou zijn. Het is vandaag gewoon niet meer nodig het volk te zeggen: Ken de Heer, want allen, van de kleinste tot de grootste, kennen de Heer. En zoals hij in zijn preek over de Hemelvaart van de Heer bevestigt: wat zij lichamelijk deden, doen dezen geestelijk; wat zij zichtbaar deden, doen dezen onzichtbaar.
Als ik dan gesproken heb zoals het hoorde, dank ik U daarvoor, Christus. Zo niet, vergeef het mij, U en uw maagd. Wij smeken U, Zoon van de Maagd: laat ons uw bruidsvertrek binnengaan, in het gezelschap van de wijze maagden, U die leeft en heerst met God de Vader en de Heilige Geest, in de eeuwen der eeuwen. Amen.