H. Mono, kluizenaar en martelaar te Nassogne

Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.

Rechtstreeks vertaald uit de oudste Vita et Passio — Vita et Passio S. Mononis door een anonieme auteur, uit het lectionarium van Nassogne; de kortste en oudste van de twee levens, door de Bollandisten vermoedelijk in het begin van de 11e eeuw gedateerd (Acta Sanctorum, oktober VIII, pp. 367-368)

LEVEN EN LIJDEN VAN DE HEILIGE MONO, MARTELAAR, DOOR EEN ANONIEME AUTEUR (Acta Sanctorum, oktober VIII, 18 oktober, pp. 367-368; uit het handschriftelijke lectionarium van Nassogne, vergeleken met het handschrift van Utrecht, het Brabantse Hagiologium van Rood-Klooster en de uitgave van Surius)

1. Zeer geliefde broeders, telkens wanneer wij op waardige wijze het leven of de dood van de heiligen gedenken, wier kostbare gedachtenis een zoete geur verspreidt, geloven wij dat de vrucht van het heil ons in onze ellende te hulp komt. Daarom willen wij, met de genade van Christus de Heer, de afkomst, het leven en de martelpalm beschrijven van onze allerheiligste patroon, de voortreffelijke martelaar Mono. De Heer, die alle goeds geeft, heeft hem in het bijzonder voor ons, zwakke mensen, bestemd. Wij zullen het verhalen zo goed als onze schrale woorden het toelaten.

2. Lezing II. Deze heilige kwam uit het westen van de wereld, uit Scotia. Dat land heeft vele heiligen als stralende sterren naar alle delen van de wereld uitgezonden. Zo de kostbare belijder Furseus, die Péronne met vreugde bezit, met zijn zeer eerbiedwaardige broer Ultanus, en hun broer Follanus, over wie de burcht Fosses zich verheugt. Zo ook de heilige Bertuinus, de heilige Fredegandus en de luisterrijke belijder Eloquius, die het klooster van Waulsort vereert, en zeer vele anderen, wier aantal en namen in het boek van de hemel geschreven staan.

Mono diende God als een onoverwinnelijke soldaat met nachtwaken. Toen hij op een keer zijn ledematen even liet rusten, verscheen hem een bode uit de hemel met deze woorden: "Mono, trouwe dienaar, de allerhoogste Heer van de hemel beveelt u zonder dralen naar Gallië te gaan. Zoek daar, in het woud dat de Ardennen heet, zorgvuldig de plaats die Fridier heet, waar de bron Nassonia zachtjes doorheen stroomt. Daar zult u de rustplaats van uw lichaam vinden, tot de dag van het laatste oordeel. Die dag is verschrikkelijk voor de zondaars, maar zal de rechtvaardigen toelachen, en dan zal hij u ook het loon voor uw arbeid geven."

3. Lezing III. De man Gods schrok van dit visioen. Hij vroeg dat het, als het van God kwam, hem een derde keer zou verschijnen, en dat gebeurde ook meteen. Nu de engel hem zekerheid had gegeven, nam hij mee wat hij onderweg nodig had en vertrok. Onderweg zong hij dit psalmvers: "Uw wegen, Heer, maak mij bekend, en leer mij uw paden; want Gij zijt mijn God, mijn Redder, en op U heb ik gewacht de hele dag" (Ps. 24, 4-5). Maar eerst wilde hij de graven van de apostelen Petrus en Paulus in Rome bezoeken, om daarna, met hun hulp, onder een goed voorteken de plaats te bereiken die hem was opgedragen.

In die tijd keerde Johannes, zaliger gedachtenis, met de apostolische zegen al over de Alpen terug naar het bisdom Tongeren. Hij werd om zijn eenvoud het Lam genoemd, en zijn vaderlijk erfgoed was het dorp Tihange bij de burcht Hoei. Onderweg ontmoette hij Mono, die toen al diaken was. Hij hoorde van hem waarom hij op reis was en wat hij daarna wilde doen, en gaf hem zijn zegen. Zo werden zij heel trouwe vrienden. Johannes had in zijn haast om verder te reizen zijn bisschoppelijk pallium achtergelaten, en hij vroeg Mono het op de terugweg mee te brengen. Het staat vast dat dat ook gebeurd is.

4. Lezing IV. Met ons geringe talent willen wij kort aanstippen hoe groot Mono daarna was in de dienst van die bisschop. Hij hield bijzonder van mildheid, waakte de nachten door in onafgebroken gebed, vastte op lofwaardige wijze en zette zich ijverig in voor de vrede. Hij beminde God boven alles en was altijd bereid zich naar zijn naaste te buigen. Wat zal ik nog meer zeggen? Al wat men in dienaren van God kan prijzen, groeide in hem elke dag overvloediger. Zijn gezellen zagen dat, en in plaats van er beter van te worden, werden zij er juist slechter van.

Maar de rechtvaardige man Gods vergat intussen het nachtelijke visioen niet dat God hem had geopenbaard. Met toestemming van de bisschop zocht hij de plaats op die de hemel hem had aangewezen. Hij maakte haar zo goed als hij kon vrij van stronken en doornstruiken, en bouwde er een bidplaats, waar plechtige gebeden tot God zouden opstijgen. Terwijl hij daaraan werkte, schonk de overvloedige barmhartigheid van Christus hem een lieflijke steun: een varken wroette in zijn bijzijn een ijzeren klok uit de grond. Mono was zeer blij met dit geschenk en zag erin een teken dat de Heer Jezus het begonnen werk zegende. Al gauw ging het nieuws, dat nooit stilstaat, rond. Het bracht niet weinig heidenen ertoe zich bij de man Gods aan te sluiten. Met hun hulp en hun arbeid bouwde hij een kleine kerk, arm aan wereldse rijkdom, maar vol hemelse kracht.

5. Lezing V. Zijn verdiensten werden steeds groter, en veel zieken die daar hun gaven brachten, werden volledig genezen. Daarom was de vijand van het menselijk geslacht, die zich in vele gedaanten vertoont, bovenmate bedroefd. Hij kon niet verdragen dat deze rechtvaardige man die woeste plek zo met de naam van Christus veredelde. Angstig overlegde hij wat hij zou doen om het begonnen werk te stoppen. Ten slotte, ontstoken door de fakkel van de nijd, riep hij sluipmoordenaars bij zich die zijn wil deelden: rovers die hem al lang wreed gehoorzaamden. Zij konden slecht verdragen dat een man vol heiligheid in de schuilplaatsen van hun wouden woonde. Zonder dralen stormden zij met hun verderfelijke bende tierend op hem af en brachten de heilige van God op wrede wijze om het leven.

Zo werd hij een glorierijk martelaar. Hij liet de wereld en haar begeerten achter zich en geniet nu van onvergankelijke vreugde. Met de engelen aanschouwt hij het verlangde aangezicht van de allerhoogste Vader, samen met de koren van de profeten, de apostelen, de martelaren, de belijders en de maagden.

De mensen uit de omgeving waren hier diep door getroffen. Zij waren intens bedroefd dat de dienaar Gods door een dodelijke wonde was geveld, en lieten hun verdriet de vrije loop in stromen van tranen. Toch werden zij ook vervuld van een onmetelijke vreugde, want door de wil van Christus de Heer hadden zij nu in hun streek een zeer waakzame patroon en beschermer. Zeer velen kwamen naar de plaats van de kostbare martelaar. Zij gaven hem een glorierijke uitvaart, versierden zijn graf aan alle kanten en maakten er een onvergelijkelijke schat van: het lichaam van deze onoverwinnelijke getuige van God werd, zoals het paste, met schitterende versieringen geëerd.

6. Lezing VI. Hoeveel weldaden God daarna vanuit deze plaats heeft geschonken aan zieken – kreupelen, blinden, verlamden, koortslijders en zeer velen met andere kwalen – dat kunnen onze woorden niet zeggen.

Na verloop van tijd kwam koning Pepijn, zaliger gedachtenis, in die eerbiedwaardige streek jagen. Men vertelde hem dat daar het lichaam rustte van de martelaar Mono, die beroemd was om zijn wonderen en gezondheid schonk aan wie erom vroeg. Hij hoorde van de wonderen en zag de tekenen die de genezen zieken daar als getuigenis hadden achtergelaten, tot lof en eer van God. Toen wierp hij zich ter aarde, vereerde het graf en bad zoals het hoorde. Bovendien schonk hij de koninklijke muts die hij droeg, versierd met goud en edelstenen. Ook droeg hij de tienden over die hij tussen de Ourthe en de Lesse bezat. Een deel daarvan bezit het kapittel van Nassogne tot vandaag; het andere deel is het kwijtgeraakt door de listen van kwaadwillige rovers.

De genoemde heilige bisschop leefde toen nog, als voorbeeld voor wie na hem kwamen. Hij betreurde dat de dienaar Gods, die hem zo trouw had gediend, zo uit het midden van de mensen was weggerukt en onverwacht de loop van dit vergankelijke leven had voltooid. Hij stelde geschikte priesters aan uit de burcht Hoei en het dorp Amay. Zij zouden elkaar per week afwisselen en bij het lichaam van de martelaar de Mis opdragen. Dat duurde tot er door de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus uit de geestelijkheid van de bisschop kanunniken werden aangesteld. Zij zouden dag en nacht lofzangen zingen voor de Heer en voor zijn glorierijke martelaar Mono. Ook zouden zij bidden voor het welzijn van het rijk der Franken, en vooral voor het leven van koning Pepijn, door wiens vrijgevigheid onze kerk begiftigd en gebouwd is. Dat alles met de hulp en de bijstand van onze Heer Jezus Christus, die met de Vader en de Heilige Geest leeft en heerst in de eeuwen der eeuwen. Amen.