H. Mummolinus (Mommelinus), bisschop van Noyon en Doornik
Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.
Rechtstreeks vertaald uit de oudste Vita — Oudste Vita (BHL 6026), door een anonieme auteur geschreven op het einde van de 9e eeuw (L. Van der Essen, Étude critique, 1907, pp. 380-384; W. Levison, MGH SRM V, p. 742). Oudste bewaarde handschrift: Saint-Omer, Bibliothèque d'agglomération, ms. 716, vol. 7 (oude signatuur vol. 5), fol. 132v-134v (abdij van Clairmarais, ca. 1175-1195). De langere Vita in de Acta Sanctorum (oktober VII) is een latere bewerking uit de 11e-12e eeuw
LEVEN VAN DE HEILIGE MUMMOLINUS (MOMMELIN), BISSCHOP VAN NOYON EN DOORNIK
(Vertaald uit het oudste bewaarde handschrift: Saint-Omer, Bibliothèque d'agglomération, ms. 716, vol. 7 (oude signatuur vol. 5), f. 132v–134v, uit de abdij van Clairmarais, ca. 1175–1195. In het handschrift volgt deze Vita meteen op die van de heilige Wulfram.)
Explicit vita sancti Wlfranni. Incipit vita sancti Mummolini confessoris, cuius festivitas est XVII kl. novembris. [Hier eindigt het leven van de heilige Wulfram. Hier begint het leven van de heilige belijder Mummolinus, wiens feest valt op de zeventiende dag vóór de kalenden van november (16 oktober).]
1. In de tijd dat koning Lotharius, de zoon van koning Lodewijk, de alleenheerschappij over het rijk van de Franken voerde, trokken drie godvrezende mannen, namelijk Mummolinus, Bertinus en Bertrannus, weg uit de stad Konstanz, die grenst aan de provincie Mainz. Zij kwamen naar deze streken om daar door het woord van de prediking zonen voort te brengen, die zij als winst konden aanbieden aan God, de hoogste Huisvader.
De heilige Bertrannus en Bertinus kozen de zalige Mummolinus tot hun vader; aan hem onderwierpen zij zich in nederige toewijding, en hem eerden zij met liefdevolle genegenheid. Toen zij in het begin ijverig het woord van het leven door Gallië uitzaaiden, sloten zich veel godvrezende mannen bij hen aan. Die werden door de zalige Mummolinus van de morgen tot de avond gevoed met het voedsel van het eeuwige leven.
Ook de edelen van het paleis legden voor een tijd hun dienst aan de koning neer en stroomden naar hen toe; hun ingetogen levenswandel namen zij zich tot voorbeeld voor een rechtschapen leven. En omdat zij verlicht werden door de glans van de veelvuldige vermaningen van de zalige Mummolinus, overdachten zij met zorg niet alleen de vergankelijke dienst aan een aardse koning, maar ook het wezen van het hemelse leven.
De eerbiedwaardige man hield hun immers vaak dat woord uit het evangelie voor: dat de wereld met al haar begeerte zal vergaan, maar dat het koninkrijk van de Heer in eeuwigheid zal blijven. Met deze en andere onderrichtingen uit de Schrift bewerkte hij lange tijd de harten van de mensen en spoorde hij velen aan naar het eeuwige vaderland te streven. Want wat hij met het woord predikte, bracht hij meteen daarna door zijn voorbeeld in praktijk.
Zo kwam het dat hij door het volk met wonderbare genegenheid werd bemind en door de clerus met nederige onderdanigheid werd geëerd, en dat het telkens herhaalde gerucht over zijn uitzonderlijke levenswandel tot de oren van koning Lotharius doordrong. Toen de koning vernam hoe heilig hij was, liet hij hem terstond voor zich verschijnen en vroeg hem met de grootste zorgvuldigheid uit welk land hij afkomstig was en uit welk geslacht hij stamde.
Maar om niet door de herinnering aan zijn adel tot enige vorm van hoogmoed bewogen te worden, verzweeg hij zijn afkomst en noemde hij alleen de provincie waar hij geboren was.
"Ik ben van geboorte," zei hij, "afkomstig uit de stad Konstanz, die bij de Rijn ligt. Onder de heilige Eustasius, abt van het klooster van Luxeuil en leerling van de heilige Columbanus de Ier, de zeer vermaarde strijder van Christus, heb ik lange tijd het monnikenleven geleid. Maar nu heb ik het passend geacht om met slechts twee metgezellen mijn vaderland te verlaten, om mij zo de verdienste van een ware pelgrimstocht te verwerven."
Na deze woorden werd de man van de Heer Mummolinus met zijn metgezellen door de koning met eer ontvangen, en lange tijd werd hij met de grootste zorg in het paleis van de koning gehouden.
2. Na een lange tijd gingen de genoemde mannen, om het woord van het leven wijd en zijd te verspreiden, naar de heilige Audomarus, toen bisschop van Terwaan, om zijn metgezellen in de prediking te zijn. Zo zouden zij van God verdienen om in de eeuwige vergelding deelgenoten van gelijke heerlijkheid te worden. De heilige Audomarus ontving deze dienaren van God met vreugde en bracht onmetelijke dank aan de almachtige God, die hem zulke helpers voor de verkondiging van het evangelie had toegezonden.
Deze mannen waren immers volmaakt in het katholieke geloof en onderlegd in de kerkelijke tucht en in de goddelijke Schrift. Korte tijd daarna besloot de heilige Audomarus samen met deze zalige mannen, aangespoord door de goddelijke genade, in de naam van God een klooster te stichten als woonplaats voor monniken. Door de gave van de goddelijke barmhartigheid was daarvoor een geschikte plaats voorhanden.
3. Er was namelijk een machtig man, Adroald genaamd, zeer rijk aan de ijdele rijkdommen van deze wereld. De zalige Audomarus had hem van de dwaling van het heidendom tot het katholieke geloof bekeerd en hem met heel zijn huisgezin gedoopt. Adroald nu versmaadde met wijs beleid de bedrieglijke rijkdommen van deze wereld, en omdat hij geen zoon had, schonk hij een groot deel van zijn erfgoed met al zijn veelsoortige bezit aan God en aan de zalige Audomarus: namelijk het landgoed dat bekendstaat onder de naam Sithiu.
Op dat landgoed had de zalige Audomarus, nog vóór de komst van de genoemde mannen bij hem, een kerk gebouwd op de plek waar nu zijn eigen lichaam in vrede rust. Toen deze dienaren van God bij hem waren aangekomen, stond hij hun toe woningen voor monniken te bouwen waar het hun maar goed leek.
De heilige mannen Mummolinus en Bertinus begonnen dus met hun overige metgezellen in Christus een klooster te bouwen op een plaats die tot op heden het Oude Klooster heet. Maar nadat zij daar enkele jaren hadden verbleven, wilden zij op ingeven van de goddelijke genade een andere plaats kiezen. In vertrouwen op de barmhartigheid van de Heer vonden de zaligen een volmaakt plan.
Eerst stapten zij in een boot, zonder stuurman of roeier en zonder enige zorg voor eten of drinken. Terwijl zij heen en weer voeren over het uitgestrekte meer dat aan hun woonplaats grensde, smeekten zij de almachtige Heer hen ongedeerd te leiden naar de plaats die zijn barmhartigheid voor hen had bereid. Zij zeiden tegen elkaar dat zij niet van dat meer aan land zouden gaan, tenzij hun bootje een geschikte haven bereikt had.
Toen gebeurde het dat zij, volgens de volgorde van het psalter, het volgende vers zongen: "Dit is mijn rustplaats tot in eeuwigheid; hier zal ik wonen, want ik heb haar verkozen." De barmhartige Heer, die overal bij zijn dienaren aanwezig is – want de Heer is nabij allen die Hem aanroepen –, bracht na enige tijd de boot waarin de genoemde zalige mannen zich bevonden, daar aan land.
Toen verlieten zij, terwijl zij nog steeds dat vers zongen, zonder dralen de boot en gingen blij aan land, want zij erkenden ook dat die plaats hun door de Heer was gegeven.
4. Daarna begonnen zij, met de instemming en de raad van de zalige Audomarus, hun liefdevolle vader, in de naam van God aan de rivier de Agmona (de Aa) het klooster te bouwen dat naar het genoemde landgoed Sithiu werd genoemd. Toen van alle kanten godvrezende mannen naar deze dienaren van God toestroomden, stelde de zalige Audomarus Mummolinus aan het hoofd van de menigte monniken.
Vanaf die tijd begon hij aan het heilige kloosterleven, en hij spande zich in om dagelijks langs de treden van de nederigheid op te klimmen naar de hogere toppen van de vroomheid. De levensweg die hij eenmaal had ingeslagen, trachtte hij met de schreden van het geloof af te leggen; vergetend wat achter hem lag, strekte hij zich met de Apostel uit naar wat voor hem lag.
Bij elke trede dacht hij aan het vers: "De heiligen zullen gaan van kracht tot kracht", om te komen tot wat volgt: "de God der goden zal gezien worden in Sion." Daarom legde hij zich, meteen vanaf zijn professie, zo'n harde tucht op dat hij na lange en aanhoudende vasten zijn door het vasten uitgeputte lichaam verkwikte met gerstebrood vermengd met as en met water aangelengd met tranen.
Gesterkt door dit voedsel diende de toegewijde strijder van Christus de Heer dag en nacht met waken en gebeden. De eer van deze soberheid sierde hij als dienaar van God met grote nederigheid, hij koesterde haar met ware liefde en vergrootte haar door de prediking van het woord van God.
Als een goede landbouwer rukte hij met de ploegschaar van het evangelie de doornen van de zonden uit de akker van de Heer, en hij bevloeide de dorre harten met de hemelse dauw van het eeuwige heil. En na zijn bevloeiing schonk de goddelijke goedheid onder het volk een rijke groei van het geloof.
Daardoor werd de genoemde man van God Mummolinus bij allen geëerd en geliefd. Want wat hij met de mond predikte, toonde hij door zijn voorbeeld, en de levensweg die hij anderen met woorden wees, liep hij zelf als eerste met daden af.
5. Wat het volk hem ook uit vrije wil als loon voor zijn prediking aanbood, hij haastte zich alles onder de armen te verdelen. Hij vond het onwaardig om in dit tegenwoordige leven aan de dag van morgen te denken, hij die ernaar hunkerde de rijkdommen van het eeuwige leven te ontvangen. Daarom deelde hij uit wat de mensen hem aanboden, om te ontvangen wat God had beloofd.
Een gelukkige ruil: wie het kleine en vergankelijke blijmoedig had uitgedeeld, zou het grote en eeuwige gelukkig ontvangen. Want hij was een zeer ijverige trooster van de armen, een gastheer voor vreemdelingen, een verdediger van weduwen, een vader voor kinderen onder voogdij en voor wezen.
Zo kon met volle waarheid het getuigenis van de allerheiligste Job op hem worden toegepast: "Ik was een oog voor de blinde en een voet voor de kreupele, een vader voor de wezen, en de rechtszaak die ik niet kende, onderzocht ik zeer zorgvuldig."
Daarom stroomden van alle kanten zieken naar hem toe; hij ontving hen met een blij hart en schonk hun door zijn heilige gebeden het geneesmiddel van de troost. Hij schrok ook niet terug voor melaatsen of lijders aan elefantiasis, maar omarmde hen als broeders en verzorgde hun gewonde ledematen met baden.
Niet alleen verkwikte hij wie bij hem kwamen met lichamelijk voedsel, maar hij hield ook niet op hen te sterken met de geestelijke troost van de heilige prediking. En zoals hij overal een geschikte trooster van de ellendigen was, zo vreesde hij niet een strenge tuchtmeester van de hoogmoedigen te zijn. De enen richtte hij op met zachtmoedige goedheid, de anderen drukte hij neer met de berisping van een strenge vermaning.
Sterk als hij was, vreesde hij de toorn van de aardse macht niet, want de vrees voor de goddelijke macht sterkte hem innerlijk volkomen. De dreigementen van de rijken achtte hij gering, om omwille van God voor de waarheid uit te komen. Hij was geen riet dat door de wind heen en weer bewogen wordt, zodat de bries van menselijke lof of laster hem aan het wankelen zou brengen.
Integendeel, staande op de burcht van de vaste waarheid, achtte hij het naar het woord van de Apostel gering door een menselijke mond geoordeeld te worden. Hij bewandelde de koninklijke weg en week niet af naar rechts uit vrees voor de machtigen, noch naar links door de vleierij van de pluimstrijkers.
Daarom won hij in deze provincie een groot volk voor de Heer, zijn God, en verwierf hij daar blijvende eer. Toen zijn volk zijn vrome toewijding in Christus zag, begon het hem des te aandachtiger te eren en hem veel aan te brengen als aalmoes. Maar hij, vol als hij was van liefde voor God en de naaste, schonk dit alles tot ondersteuning van de armen en besteedde het vooral aan het vrijkopen van gevangenen.
Want sommigen, die door het bedrog van de duivel heimelijk in de ketenen van de zonden geboeid waren, maakte hij los door de aansporingen van zijn onvermoeide prediking. Anderen, die gebukt gingen onder wereldse gevangenschap, kocht hij vrij door geld te schenken. Zo konden de eersten, geestelijk vrijgemaakt, zich verheugen in de Heer, en de laatsten, bevrijd van lichamelijke slavernij, zich tot de Heer bekeren.
6. Zo werd de heilige Mummolinus, vol geestelijke genade, jong van jaren, sterk in het geloof en onderworpen aan de strikte tucht van de regel, te midden van de scharen monniken volmaakt gevormd. Door het ingeven van de goddelijke genade was hij geliefd bij alle soldaten van Christus die in het genoemde klooster woonden.
Hij was namelijk kuis naar geest en lichaam, vol gehoorzaamheid en nederigheid, onderlegd in de goddelijke wetenschap, vol liefde en zachtmoedigheid, getuchtigd door de vasten van een strikte soberheid en waakzaam in talrijke nachtwaken. Want hij wist dat er geschreven staat: "Zalig de dienaars die de Heer bij zijn komst wakend zal vinden."
7. De zalige dienaar van God Mummolinus predikte immers aan hen die onder zijn hoede stonden de geboden van de Heer en van de apostelen, en gaf hun dagelijks door zijn eigen strikte levenswandel en zijn vrome daden een groot voorbeeld van een goed leven. Zo vervulde hij wat geschreven staat: "Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken." En dit opdat hij niet, naar het woord van de Apostel, terwijl hij anderen predikte, zelf verwerpelijk zou blijken.
De milde Vergelder van goede werken zag de onvermoeide strijd van zijn soldaat Mummolinus tegen de ingevingen van de duivel – want de ogen van de Heer zijn op de rechtvaardigen gericht, en zijn oren op hun gebeden –, en Hij zag ook zijn grote zorg voor de schapen die hem waren toevertrouwd. Daarop verheerlijkte Hij hem met tekenen en wonderen.
8. Intussen ging de man van God Eligius, bisschop van de stad Noyon, na vele wonderen te hebben verricht, in vrede en vol van dagen heen naar de Heer. Omdat de faam van de goede werken waarin Mummolinus uitblonk, niet alleen in de Germaanse maar ook in de Romaanse taal tot aan de oren van koning Lotharius doordrong, werd hij in diens plaats tot bisschop aangesteld, voor de zorg van het herderlijk bestuur.
In dat ambt zaaide hij het goddelijke woord in de harten van de gelovigen, genas hij de kwalen van zielen en lichamen, kocht hij gevangenen en geboeiden vrij en droeg hij boven alles zorg voor weduwen en behoeftigen. Zo bestuurde hij naar behoren het volk dat de Heer hem had toevertrouwd.
Daarom stroomden van alle kanten mensen naar de man van God toe die door allerlei ziekten waren uitgeput, en hij genas hen met het geneesmiddel van zijn heilige gebeden. Allen die met welke ziekte ook naar hem kwamen, en wie door welk verdriet ook benauwd en bedroefd was, liet hij gezond en blij naar huis terugkeren. In het huis van het heil kon de ziekte niet lang blijven: hoe dichter zij naderde, hoe sneller zij week.
Het is niet mijn bedoeling zijn wonderen elk afzonderlijk bij name te verhalen, maar de heiligheid van zijn leven in weinig woorden samen te vatten. Anders zou de veelvoudige faam van de tekenen die door hem zijn verricht, door de traagheid van mijn onwelsprekendheid eerder verduisterd dan geprezen worden; die wonderen laat ik over aan geleerder mensen. Laat het mij volstaan alleen te vertellen op welke wijze die heilige ziel deze tegenwoordige wereld verliet.
Zesentwintig jaar lang had hij het volk van die stad, dat de Heer hem had toevertrouwd, naar behoren bestuurd. Toen riep hij op de dag van zijn roeping – de dag waarop hij het lang verlangde geluk zou ontvangen en hoopte verenigd te worden met Christus, die hij altijd had liefgehad – zijn leerlingen bij zich en zei:
"Ik weet het, mijn kinderen, ik weet dat mijn einde niet lang meer uitblijft en dat ik mijn Koning, naar wie ik lang heb verlangd, spoedig zal zien. Moge Hij voor mij, zijn dienaar, even genadig zijn als Hij voor zijn heiligen begerenswaardig is!
Maar u, mijn zonen, maak buiten de muren, vóór de poort van de burcht, een kist gereed voor mijn arme lichaam. Laat het daarin bijgezet worden, niet met overbodige zorg, maar zoals het nodig is, opdat het daar bewaard blijft tot die dag waarop dit vergankelijke zal worden veranderd in onvergankelijkheid en dit sterfelijke zich zal bekleden met onsterfelijkheid."
Want het was toen nog niet de gewoonte de doden binnen de muren van de steden te begraven, omdat men zegt dat een stad geen stad van de doden is, maar van de levenden.
"En bereid u met alle zorg voor, geliefden, opdat die dag, die nu voor mij nadert, u bereid vindt wanneer hij voor u komt. Ik ga de weg van heel de wereld. Moge de Redder van de wereld mij toch genadig zijn en mij nu beschermen tegen de vijand, Hij die mij van de vijand heeft verlost; en moge ik Hem, die ik in dit tegenwoordige leven als trooster had, terugvinden als schenker van het eeuwige leven."
Toen de leerlingen dit van hun vader hoorden, baadden zij in tranen; toch volgden zij zijn aanwijzingen. Zij vonden hout en pasten het aan het trouwe stoffelijk overschot, het lichaam van hun vader, aan. Het werk dat zij hadden volbracht, besproeiden zij met hun geween, en zij vulden het bijna eerder met bittere tranen dan met de ledematen van hun vader. En zo goed als zij konden, stelden zij een passende sarcofaag op de plek die hun vader vooraf had aangewezen.
9. Terwijl de kinderen intussen voor hun vader de droeve laatste diensten voorbereidden, verteerde een hevigere ziekte de vader, en in zijn verkilde lichaam bleef nauwelijks nog een laatste adem over. Toch hield hij niet op met de plicht van het gebed en de dienst van de goddelijke lof. En terwijl hij zich met de heilzame teerspijs van het lichaam en bloed van Christus op zijn reis voorbereidde, gaf hij te midden van dankzegging en woorden van gebed de geest.
Hij werd door zijn leerlingen in het graf gelegd op de plaats die hij zelf had aangewezen. Toen kwamen de clerus van de genoemde stad en de zeer vrome omwonenden samen en voltrokken de uitvaart van zo'n groot vader. Zo beschikte God het, opdat de zonen getroost zouden worden en de glorie van de vader zou worden getoond.
De soldaat van Christus werd, zoals wij al zeiden, begraven naast het klooster dat lang tevoren door zeer heilige mannen ter ere van de twaalf apostelen was gesticht. Op die plaats werd een gemeenschap van nonnen ingesteld om God en zijn heiligen te dienen. Ter ere daarvan is daar thans een basiliek gebouwd, die tot op de dag van vandaag de naam van de heilige Mummolinus draagt.
Daar hoort men door Gods gave dankzij de relieken van zijn dienaar dikwijls van nieuwe wonderen die er geschieden. Zo wordt het geloof van wie bidden openbaar, worden de verdiensten van de man van God getoond en wordt in zijn dienaar de lof van Christus gevierd, zoals gezegd is: "Looft de Heer in zijn heiligen."
In die dagen werden door dezelfde dienaar van God vele en ontelbare wonderen verricht. Want allen die gekomen waren, blinden, doven, mensen met verdorde ledematen, stommen en wie door demonen gekweld werden, werden in volle gezondheid hersteld, met de hulp van onze Heer Jezus Christus, die met de Vader en de Heilige Geest leeft en heerst, God, toen en nu en in de oneindige eeuwen der eeuwen. Amen.
Explicit vita sancti Mummolini. Incipit vita sancti Galli confessoris, cuius festivitas est XVII kl. novembris. [Hier eindigt het leven van de heilige Mummolinus. Hier begint het leven van de heilige belijder Gallus, wiens feest valt op de zeventiende dag vóór de kalenden van november (16 oktober).]