H. Oda van Amay, weduwe

Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.

Rechtstreeks vertaald uit de oudste Vita — Vita S. Odae viduae door een anonieme auteur, waarschijnlijk uit het begin van de 13e eeuw (de Bollandisten dachten aan de 10e eeuw); naar het Utrechtse handschrift (Brussel, KBR 7917, 14e eeuw), vergeleken met dat van Korsendonk (KBR 858) (Acta Sanctorum, oktober X, pp. 139-140)

LEVEN VAN DE HEILIGE ODA VAN AMAY, WEDUWE

Oda – in oudere bronnen Chrodoara – was een edelvrouw die in de 7e eeuw te Amay, aan de Maas tussen Hoei en Luik, leefde en er werd begraven in de Sint-Joriskerk.

De oudste getuige is het testament van de diaken Adalgisel-Grimo uit 634 (bewaard in een afschrift uit de 10e eeuw). Hij schenkt daarin goederen aan de Sint-Joriskerk van Amay, "waar mijn tante begraven ligt". Die tante wordt sinds de vondst van haar sarcofaag in 1977 algemeen met Chrodoara-Oda gelijkgesteld.

Die sarcofaag, met het opschrift SCA CHRODOARA ("de heilige Chrodoara"), dateert uit de eerste helft van de 8e eeuw en is gemaakt voor de verheffing van haar relieken. In de 12e eeuw noemt de Vita van de heilige Lambertus door Nicolaus haar de weduwe van Boggis en een tante van Lambertus.

De Vita hieronder is geschreven door een anonieme auteur, waarschijnlijk in het begin van de 13e eeuw; de Bollandisten dachten nog aan de 10e eeuw. De schrijver maakt van Oda een koningsdochter en de moeder van de heilige Arnulfus van Metz. Die stamboom is legendarisch: Arnulfus leefde een eeuw vroeger. De vertaling volgt de tekst van de Acta Sanctorum, naar het Utrechtse handschrift (Brussel, KBR 7917, 14e eeuw), vergeleken met dat van Korsendonk (KBR 858).

1. De roemrijke dienares van Christus Oda was een dochter van een machtige koning van de Franken. Zij droeg met recht haar naam, die "lof van God" of "lofzang" betekent. Zij was gehuwd met Boggis, een zeer voorname hertog van Aquitanië.

Zij volgde de gelofte en het voorbeeld van Joachim en Anna, de ouders van de roemrijke Maagd Maria, de Moeder van de Heer. Al haar tijdelijke bezit verdeelde zij in drie delen. Het eerste deel schonk zij ruimschoots voor de bouw van kerken en voor wie God dient. Met het tweede deel hielp zij de zieken en de behoeftigen. Het derde hield zij voor eigen gebruik.

Met eigen handen naaide zij kleren voor de armen. Zij liet hen dopen en hief hen zelf uit de heilige doopvont; zo werd zij hun doopmoeder, en deed zij hun des te liever goed.

Ook voor arme doden maakte zij met eigen handen lijkkleden. Zij raakte hen zelf aan en droeg hen ten grave.

De armzalige hutjes van de armen bezocht zij heel vriendelijk, hoe ver ze ook lagen en hoe modderig of ruw de weg ook was, en zij bracht er heilzame troost. Zo verdiende zij een drievoudig loon: door de moeite van de tocht, door het medelijden van haar hart en door de gaven die zij uitdeelde.

Door deze en andere goede werken was zij geliefd bij God en de mensen. Haar hele huishouden vereerde haar, alle gelovigen hielden van haar, en wie in nood verkeerde, prees haar als een moeder en voedster.

2. Na enkele jaren stierf haar man, de roemrijke hertog, in de belijdenis van het ware geloof en gesterkt met het levenbrengende Brood. Hij verliet dit licht en kwam met de rechtvaardigen in de woning van het eeuwige leven.

Na de dood van haar man bleef de zalige Oda een heilige weduwe. Zij legde een gelofte af en wilde voortaan in onthouding leven.

Het gebied van haar vorstendom liet zij uitstekend besturen door betrouwbare mannen. Haar onderdanen hielp zij altijd en overal, in elke nood en ellende.

Naast haar woning liet zij een gasthuis bouwen, waar zij de armen en zieken met grote liefde verzorgde. Tweemaal per dag, 's morgens en 's avonds, bezocht zij zelf de armen van haar gasthuis, en blij gaf zij hun wat zij nodig hadden.

Terwijl zij zo uitblonk in deze en andere deugden, werd haar geliefde zoon, de eerbiedwaardige Arnulfus, volwassen. Op raad van de groten droeg zijn moeder hem het bestuur van het gebied over, zoals zijn vader het hem had nagelaten.

De zalige Arnulfus kreeg in zijn jeugd een zoon, hertog Ansegisus, en werd later tot bisschop van Metz gekozen. Hertog Ansegisus trouwde met Begga, de dochter van vorst Pepijn en de zeer geliefde zus van de roemrijke maagd Gertrudis. Uit haar kreeg hij hertog Pepijn.

Hertog Pepijn kreeg Karel; Karel kreeg Pepijn, eerst hertog en later tot koning gezalfd. Koning Pepijn kreeg Karel de Grote, die door paus Leo tot keizer van de Romeinen werd gewijd.

3. Zo was de zalige Oda getooid met de glans van grote koningen die het christelijk geloof beleden: Clovis was haar voorvader, Childebert haar vader en Dagobert haar broer. Maar nog meer werd zij bij God en de mensen verheerlijkt door haar zeer heilige zoon Arnulfus en door de heilige keizers en koningen die uit haar geslacht voortkwamen. De zalige Oda was ook de tante van de zalige Hubertus, bisschop van Luik.

Op een dag had zij al haar voedsel aan de armen uitgedeeld. Toen kwam de Heer zelf, in de gedaante van een arme jongeman met een blij en vriendelijk gezicht, en vroeg haar om onderdak in de naam van Christus.

Toen zij de zoete naam van Christus hoorde, keek zij de jongeman blij aan en ontving hem heel vriendelijk. De jongeman ging naast de eerbiedwaardige vrouw zitten en vroeg haar op te staan en hem iets te eten te geven.

Zij stond op en ging naar de mand, waarvan de dienaren haar hadden gezegd dat er geen eten meer in zat. Maar zij vond hem tot de rand gevuld met brood en ander voedsel.

De jongeman nam het eten van de vrome vrouw aan, dankte haar en sprak heel vriendelijk tot haar: "Vandaag heb je Mij zelf gevoed, op andere dagen mijn ledematen. Weet daarom dat de vreugde van het eeuwige leven voor je klaarligt. En door de genade van je Verlosser zal er overvloed zijn om te geven aan wie je in dit leven om hulp vragen, en aan wie bij je wonen."

Na deze woorden verdween de jongeman uit haar ogen. Toen de maaltijd voorbij was, gingen de knechten en dienstmeiden naar de kelders, zolders en schuren. Zij zagen dat die zo vol lagen met graan, meel, brood en ander voedsel, dat er niets meer bij kon.

4. Enkele jaren later werd haar lichaam door haar strenge vasten en haar nachtwaken door een zware ziekte uitgeput. Door een goddelijke openbaring wist zij dat haar einde nabij was.

Op raad van dienaren van God ruilde zij uit liefde voor Christus al haar aanzien en haar tijdelijk bezit volledig in voor geestelijke goederen. Vurige dienaars en dienaressen, gehoorzaam aan een heilige regel, stelde zij aan om in haar plaats God te dienen door de behoeftigen te helpen.

Toen zij de band en de last van de aardse zorgen van zich had afgelegd, was zij als het ware vrij voor God. Zolang zij nog leefde, bad zij zonder ophouden. Zij ging de kerken rond, sprak vermaningen en zoete woorden, en hield niet op de wet van de Heer te overwegen.

Blij in de hoop, geduldig in de beproeving, met een onwankelbare geest en een rustig gelaat verheugde zij zich in de Heer. Geduldig wachtte zij op de laatste dag van haar overgang, die God haar had geopenbaard. Zij haastte zich van de gevangenis naar het koninkrijk, van verdriet naar vreugde, van duisternis naar licht, van de dood naar het leven. Hoewel zij met het lichaam nog in de wereld was, trachtte zij elke dag met haar geest naar de eeuwige deugden over te gaan.

Zij groeide door voortdurend gebed en legde zich bijzonder toe op boete en vasten. Bovendien kleedde zij haar tengere lichaam ruw, in een boetekleed van haar. In dit leven zocht zij geen enkele verlichting, maar was zij altijd op het eeuwige gericht.

Toen haar laatste dag gekomen was, liet zij priesters en andere gelovigen bij zich roepen. Zij biechtte, ontving met zuiver geloof en grote vroomheid het lichaam van de Heer en werd met de heilige olie gezalfd. Zij vroeg alle aanwezigen voor haar te bidden, opdat zij uit dit leven het hemelrijk zou bereiken.

Daarna liet zij al haar bezit, haar huisraad en alles wat zij had, aan de armen van Christus uitdelen. Alleen een eenvoudige tuniek hield zij, waarin zij begraven wilde worden.

5. Daarna bad zij het Onzevader en de Geloofsbelijdenis van de apostelen en lag zij daar vol vreugde. Haar ogen waren op de hemel gericht, en zij zag Jezus Christus te midden van de heilige engelen, die haar heel liefdevol riep naar de eeuwige verkwikking.

Dankend beval zij met vrome stem en ziel alle aanwezigen aan de Heer aan. Zij gaf haar geest in de handen van de Heer en stierf, alsof zij zacht insliep, op de tiende dag vóór de kalenden van november (23 oktober).

Veel mensen uit de omgeving hoorden van haar dood en kwamen naar haar uitvaart. De zieken en armen die zij tijdens haar leven placht te voeden, weenden en treurden, omdat zij een zeer lieve moeder hadden verloren.

Haar lichaam werd door gelovige handen waardig opgebaard. Het leek niet dood, maar alsof zij sliep, en het verspreidde een heerlijke geur, als kaneel en balsem.

De priesters en de andere dienaren van Christus legden het lichaam van de zalige vrouw op een baar. Met psalmen en gebeden droegen zij het naar de kerk die zij met eigen middelen had gebouwd, tot lof van haar Schepper en ter ere van de zeer voortreffelijke martelaar Joris. Hem had zij uit bijzondere liefde ook op veel andere plaatsen met zulke kerken vereerd, en in deze kerk had zij geschitterd.

Na de uitvaartdienst werd het volk uit de hele streek samengeroepen, en zij legden het lichaam van deze trouwe dienares heel waardig neer in een graf van steen.

6. Na haar dood heeft de Heer van allen, die zij oprecht had liefgehad en uit wiens liefde zij onophoudelijk de schare armen had gevoed, zijn dienares in deze wereld verheerlijkt, tot zijn lof en tot troost van zijn gelovigen. Want Hij schonk genezing aan zieken die door allerlei kwalen waren getroffen.

Daarom wordt Christus terecht door allen geloofd, die zijn heiligen glorierijk kroont in de hemel en hen op aarde vaak wonderbaar maakt door krachten en wondertekenen.

Zoveel tekenen en wonderen heeft de Heer door haar verdiensten willen verrichten, dat blinden het zicht en doven het gehoor terugkregen, kreupelen weer konden lopen en velen weer konden spreken. Ook wie zwak was, werd gezond, verheugde zich over Gods troost en werd gesterkt naar lichaam en ziel.

Daarom gelooft men niet ten onrechte dat zij gekroond is met een eeuwige en onvergankelijke kroon. Als weduwe die zich aan God had gewijd, diende zij de Heer met het zaad van haar aalmoezen, met waken en met veelvuldig gebed in de kerk, en zij blonk uit in elk goed werk.

Door de vele wonderen werd haar naam beroemd in de omliggende gewesten. Toen behaagde het de Allerhoogste dat haar heilig lichaam uit de aarde zou worden verheven, om haar naam kerkelijk te vieren en haar met passende waardigheid te eren voor het oog van het volk en de Kerk.

Want omdat deze dienares van God, Oda, tijdens haar leven verschillende kerken voor de dienst van God had laten bouwen, wilde de Heer dat de kerken die zij met haar bezittingen had begiftigd, de glorierijke relieken van haar lichaam, uit de aarde overgebracht, zouden bewaren. Zo zouden zij hun Schepper danken, tot geloof en kennis van wie na hen komen, en in naam en gedachtenis van Oda vrome oden ("lofzangen") zingen.

7. Op bevel van Florebertus, de eerbiedwaardige bisschop van de Kerk van Luik, kwamen daarom geestelijken bij haar graf samen. Het volk van de hele streek stroomde van overal toe, om de zegen van de heilige vaders te ontvangen en de heilige relieken, die uit de aarde zouden worden overgebracht, met waardige verering en eerbied te eren.

De vaders gaven het volk hun zegen en kwamen met gebed en psalmgezang bij de sarcofaag. Zij namen de bovenste steen weg die op het heilige lichaam lag. Zo vonden zij in het stenen graf, dat stevig en ongeschonden was, de heilige en eerbiedwaardige relieken, die een zeer zoete geur verspreidden.

Deze overbrenging vond plaats op de zevende dag vóór de iden van juli (9 juli), tot lof en eer van onze Heer Jezus Christus.

De vaders met kerkelijk gezag lieten de kerken die door de ijver en de arbeid van Oda, de roemrijke dienares van God, waren gebouwd, met haar relieken versieren. Haar lichaam lieten zij op het hoogaltaar van de kerk van Amay plaatsen, waar zij begraven was. Zij lieten op elke plaats de goddelijke dienst uitbreiden, en in de kerken van de heiligen in de omliggende gewesten ter gedachtenis van de heilige Oda lofzangen voor God zingen.

Zo werden de relieken met grote vroomheid ook in andere kerken zeer waardig bijgezet. En God der goden wordt geloofd in de oden van de heilige Oda, met glorie en eer, Hij die haar groot heeft gemaakt door haar deugden en haar heeft gekroond met eeuwige glans.