H. Piatus (Piato) van Doornik

Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.

Rechtstreeks vertaald uit het oudste handschrift — Handschrift: Cambridge, Corpus Christi College, MS 9 (11e eeuw, Worcester), fol. 74r-77r — het oudste bewaarde handschrift van de Passio

De Passio van de heilige Piatus wordt hier gegeven zoals zij staat in het oudste bewaarde handschrift, rechtstreeks vanuit het perkament vertaald: Cambridge, Corpus Christi College, MS 9 (11e eeuw, Worcester), fol. 74r–77r. Het handschrift heeft geen proloog en geen indeling in hoofdstukken; de lopende kop luidt Vita sancti Piatoni. Een jongere getuige uit Cîteaux (Dijon, Bibliothèque municipale, MS 642, 12e eeuw) vertelt hetzelfde verhaal en wordt hier niet afzonderlijk herhaald.

CAMBRIDGE — Corpus Christi College, MS 9, fol. 74r–77r (11e eeuw)

De eerbiedwaardige Piatus werd dus geboren in het gebied van Benevento, uit een aanzienlijke familie. Zijn ouders waren zeer rijk, zowel aan geld als aan uitgestrekte bezittingen.

De zalige Piatus was bovendien, in de bloei van zijn jeugd, innemend en zeer knap onder al zijn leeftijdgenoten. Hij was verstandig in zijn woorden, wijs in zijn gedrag, standvastig in zijn raad, scherp van geest, mooi om te zien en vriendelijk in de omgang. En wat nog belangrijker is: vanaf zijn vroegste jeugd brandde hij zo van liefde voor het hemelse vaderland, dat hij alles verachtte waarop het leven van stervelingen zijn gunst richt. Hij zette zich in uit verlangen naar het onsterfelijke leven.

Zijn kinderjaren werden immers gevoed met alle deugden waarmee men het hemelse koninkrijk verwerft.

Naarmate hij ouder werd en zijn verlangen naar een godvruchtig leven steeds sterker werd, verlangde hij geen enkele aardse eer of waardigheid. Hij hield zijn geest gericht op de vrees voor én de liefde tot de Schepper van alles. Hij was daarbij zo vrijgevig dat hij alles wat hij bezat, op één eenvoudig kledingstuk na, uitdeelde aan armen en behoeftigen.

Diocletianus, die eens aan het hoofd van de Romeinse staat stond, was tot heerser over de hele wereld gekozen. Toen hij zag dat alle provincies door de aanmatiging van bepaalde lieden in onrust raakten, stelde hij Maximianus Herculius, zijn vroegere medestrijder, aan als Caesar om met hem de last van het bestuur te delen. Hij stuurde hem naar Gallië tegen Alamandus en Elianus, die in opstand waren gekomen en onder de naam Bagaudae uit slaafse overmoed de wapens hadden opgenomen. Als versterking voor zijn leger gaf hij hem het Thebaanse legioen uit het Oosten mee.

Dit legioen telde 6.666 mannen, sterk van geest en goed bewapend. De soldaten hadden volgens de oosterse traditie de gebruiken van de christelijke godsdienst aangenomen. Zij stelden het heilige geloof boven alle moed en wapens.

Toen Caesar Maximianus iedereen in zijn leger wilde dwingen tot de hierboven genoemde militaire eed, merkte hij dat dit legioen zich daaraan had onttrokken.

Plotseling vervuld van woede stuurde hij soldaten om het legioen terug te brengen tot de heiligschennende verplichtingen van zijn eed.

In datzelfde legioen waren Mauritius bevelhebber, Exuperius vaandeldrager en Candidus senator. Zij stonden zo ver boven hun medesoldaten dat zij hun bevelen eerder uit liefde en gelijkwaardigheid dan uit militaire dreiging lieten opvolgen.

Maar wij laten de roemrijke overwinningen van dit allerheiligste legioen nu rusten. Het verloop van ons verhaal vraagt dat wij verdergaan met de glorierijke strijd en de wonderbaarlijke daden van de zalige Piatus: hoe hij, als kostbare getuige van de Heer, door een gelukkig levenseinde als een onoverwinnelijke strijder de listen van de oude vijand overwon.

De allerzaligste Piatus verliet dus de stad Rome en ontving van de zalige Dionysius het priesterambt. Onverschrokken haastte hij zich naar de stad Doornik.

Op datzelfde moment ging de heilige Dionysius naar Parijs en koos de heilige Quintinus voor de stad Amiens. Zo zou ieder van hen in zijn eigen stad door zijn voorbeeld en onderricht de vrucht van goede werken aan Christus de Heer opdragen.

Zodra de heilige Piatus het gebied van Doornik was binnengegaan, begon hij het Evangelie van Christus te verkondigen, dat de Heilige Geest welwillend in zijn hart had gestort. Met zijn prediking wilde hij de mensen, die naar het beeld van God zijn geschapen, bevrijden van de verering van demonen. Zo zouden zij met een zuiver hart de ene God, Schepper van hemel en aarde, aanbidden, de ene ongeschapen Vader aanroepen, belijden dat de Zoon alleen uit de Vader is geboren, en geloven dat de Heilige Geest uit beiden voortkomt.

Met zulke woorden onderrichtte de allerzaligste Piatus het volk:

“Allerdierbaarste zonen, onoverwinnelijke soldaten en strijders in de goddelijke strijd: u bent zo lange tijd onderworpen geweest aan de boeien van de oude vijand. Nu u uit deze ellendige slavernij bent bevrijd, moet u inzien — al is het laat — dat Christus, de Zoon van God, voor uw verlossing door de schoot van de heilige en onbevlekte Maagd is gekomen.

Want als het water van het heilige doopsel u van de afgodenverering heeft gereinigd, zult u aan de eeuwige dood kunnen ontsnappen. Dat gebeurt wanneer het eeuwige licht de duisternis van uw hart heeft verdreven en de heerlijkheid van het doopsel u tot erfgenamen van de hemelse heerlijkheid heeft gemaakt.”

Terwijl de heilige man zich zo aan dit vrome onderricht wijdde en het volk van Christus van zijn dwaling afbracht, keek hij even op en zag hij in de verte zijn vervolgers aankomen.

Toch hield hij niet op met preken. Hij spoorde het volk met zijn vermaningen nog heilzamer aan en zei:

“Zie, broeders en allerliefste zonen, onze Heer Jezus Christus wil mij nu al belonen voor mijn inspanningen. Mijn lichaam, dat sinds mijn jeugd voortdurend door arbeid vermoeid is, zal nu met de vrucht van het martelaarschap overgaan naar de eeuwige palm.”

“Blijf dan, allerliefste zonen, zeer standvastig in de prediking die u hebt ontvangen. Laat noch de angst voor machthebbers, noch de bedreigingen van rechters, noch een misleidende liefde voor dit leven u ooit van het eeuwige leven afhouden. Laat de verdienste van de kudde volgen waar de standvastigheid van de herder is voorgegaan.”

Na deze woorden hief de allerheiligste Piatus zijn ogen ten hemel en strekte hij zijn reine handen naar de hemel uit. Uit alle macht zei hij:

“Ik dank U, Heer Jezus Christus, Verlosser van de wereld, omdat U mij hebt willen roepen tot de waardigheid van Uw getuigenis. U hebt mij deelgenoot willen maken van Uw allerzaligste martelaren Dionysius, Quintinus, Lucianus, Crispinus en Crispinianus, en van de vele anderen die om Uw naam hebben geleden.

Reken mij daarom, Heer Jezus Christus, tot hun getal en maak mij tot eeuwige erfgenaam van Uw koninkrijk.”

Na deze woorden verliet hij de hierboven genoemde stad Doornik en zette hij onverschrokken zijn weg voort. Zo wilde hij zijn moed in daden omzetten en zijn levensloop voltooien in het goddelijke mysterie van zijn martelaarschap.

Terwijl de heilige Piatus met zijn metgezellen de dienst volbracht die aan de almachtige God gewijd was, kwamen de goddeloze vervolgers aan die door de zeer boosaardige Maximianus waren gestuurd.

Zij grepen onmiddellijk de heilige man van God en zijn metgezellen. Voor de ogen van de allerzaligste Piatus gaven zij bevel hen met het zwaard te doden.

Nadat zij waren gedood en door het vergieten van hun bloed als waardige martelaren aan Christus waren toegewijd, spraken zij de allerheiligste Piatus woedend en verontwaardigd aan:

“Ben jij die man die met je toverkunsten het volk verleidt, zodat zij niet offeren aan de heilige goden en de bevelen van de onoverwinnelijke keizers verachten?”

De heilige Piatus antwoordde:

“Ik ben geen tovenaar, maar ik ben door hemelse weldaden onderricht. Ik toon het volk van Christus de weg van de waarheid. Ik leer hun hoe zij mijn Heer Jezus Christus, die met een altijd vaderlijke liefde over Zijn schepping heerst, met onberispelijke tred moeten volgen. Zo worden zij tot het hemelse licht geroepen en uit hun duisternis bevrijd.

En wanneer zij erkennen dat de Zoon van God voor hun verlossing naar de aarde is gekomen, moeten zij de bijgelovige afgodendienst verachten. Zij moeten alleen voor Hem hun hart in aanbidding buigen, die voor het heil van allen aan het kruis wilde worden genageld.”

Daarop antwoordden de dienaren:

“Hoe kun jij spreken over een God die volgens jou gekruisigd is?”

De heilige Piatus antwoordde:

“Uw ongeloof en uw dove en bezoedelde oren zijn het niet waard het geheim van de hemelse en allerbarmhartigste Koning te horen. Toch zal ik voor de menigte die hier aanwezig is kort uitleggen hoe God, die vóór alle eeuwen bestaat, en waarlijk mens, aan het einde der tijden gekruisigd wilde worden.

God de Vader is niet verwekt; God de Zoon is alleen uit de Vader verwekt; God de Heilige Geest komt uit beiden voort: drie Personen, maar één substantie. Hij heeft geen begin van ontstaan gehad en kan niet door een einde van de tijd worden begrensd.

Alles wat zichtbaar en onzichtbaar is, is door Zijn wijsheid gegrondvest. Daarom koos Hij, bewogen door medelijden met de menselijke overtredingen, de heilige Maagd uit, uit wie Hij aan het einde der eeuwen geboren zou worden. Zo zou Hij, terwijl Hij in Zijn goddelijke natuur onzichtbaar bleef, zich in onze natuur zichtbaar maken. Hij werd gehoorzaam tot de dood, ja, tot de dood aan het kruis.

Terwijl God onlijdelijk bleef, droeg de mensheid die Hij had aangenomen voor allen het kruis. Zo zou de genade nog groter worden waar de schuld groter was.

Want als de Zoon van God niet ook de zoon van de mens had willen worden, zouden de zondaars niet tot vergeving zijn gekomen en zouden de ongelukkigen niet naar de hemelse wereld zijn overgegaan.”

Terwijl de allerzaligste Piatus dit en nog meer verkondigde, werden de soldaten door hun woede steeds feller opgehitst, en zij zeiden:

“Je hoge leeftijd had je moeten aansporen om tot bezinning te komen over de ijdelheden die je nu nog bedreigen. Maar omdat je bezeten bent door buitensporige ijdelheid en je praatzucht je naar een zinloze dood voert, vertel ons je naam en je afkomst.”

De heilige Piatus antwoordde:

“Mijn lichamelijke ouders hebben mij Pius genoemd. Maar in het water van de heilige wedergeboorte van het doopsel werd ik door de heilige mond van de priester Piatus genoemd, en zo sta ik bekend.

Van welke staat ik ben, is duidelijk: volgens de zalige Apostel ben ik iemand voor wie het leven Christus is en het sterven winst. Want ik ben met Hem begraven in de doopvont; ik volg de voetstappen van Hem door wiens bloed ik opnieuw ben gevormd.”

Toen zeiden de soldaten:

“Dit is precies wat wij zeiden: je bent een verleider, een belediger van de goden en een opstandeling. Je houdt niet op allerlei ijdele dingen te zeggen, en je weet niet hoe je je afgeleefde ouderdom te hulp moet komen.”

De heilige Piatus antwoordde:

“Wat ik zeg, kunt u niet met uw oren opnemen en ook niet in uw geest vasthouden. Want het ongeloof van uw hart heeft u verblind, en uw vorst Maximianus, die u heeft gestuurd, wordt beheerst door eeuwige blindheid en duisternis.”

De soldaten verdroegen deze belediging van de keizer niet en grepen hem. Met gebonden handen sloegen zij hem neer.

Hoewel zij hem zeer zwaar geselden en hem stevig geboeid vasthielden, werd de heilige man niet door angst geschokt en niet door lichamelijke pijn overwonnen.

Hij vertrouwde op de Heer en hield zijn zwakke ledematen met jeugdige kracht overeind. Met hetzelfde gelaat en dezelfde geest bleef hij volharden, en hij was niet bang om de naam van Christus luid te belijden:

“In Christus, de Zoon van God, geloof ik met mijn hart, en ik blijf Hem met mijn mond loven.”

Toen trok een van de soldaten zijn zwaard. Piatus had zijn heilige hals al gereedgehouden, en de soldaat hakte zijn kostbare hoofd af.

Toen het lichaam van de heilige man levenloos neerlag, zagen de soldaten en de grote menigte dat er uit de hemel een licht over het heilige lichaam straalde. Tegelijk met het licht klonk er een stem die zei:

“Goed gedaan, goede dienaar Piatus, jij die op aarde niet bent teruggeschrokken om je bloed voor Mij te vergieten. Verheug je nu met de heiligen in de hemelse woonplaats. Kom naar de woning die in de hemel voor jou is bereid. Kom met de martelaarspalm. Ontvang wat beloofd is: wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en wat het menselijk verstand niet kan bevatten. Geniet van de gemeenschap met je broeders, de martelaren.”

Dit gebeurde omstreeks het derde uur van de dag, op de Kalenden van oktober — 1 oktober —, terwijl alle gelovigen zich verheugden en grote lofzangen zongen in den hoge.

Maar door Gods raadsbesluit — Hij beproeft Zijn heiligen met mate en verheerlijkt hen zonder maat — kwamen de mannen van die plaats, die door de vermaning van de allerzaligste Piatus waren bekeerd, vol godsvrucht.

Zij wikkelden het lichaam van de heilige in zuivere linnen doeken met geurige kruiden en begroeven het in een graf waarin, naar het scheen, nog niemand was gelegd.

Wie op die plaats vroom komt bidden en de heilige Piatus aanroept als voorspraak voor zijn zonden, zal zonder twijfel krijgen wat hij vraagt.

Toen zij het heilige lichaam van de man van barmhartigheid begroeven, gingen hun neuzen open en roken zij de geur van engelen, die door de Heer waren gestuurd voor de begrafenis van de heilige man.

Zij zeiden tegen elkaar:

“Wat betekent dit toch? Nooit eerder hebben onze neusgaten zo'n geur geroken. Wij worden er zo door vervuld dat wij geloven dat het ons aan niets goeds meer kan ontbreken.”

Hoe meer zij erover spraken, hoe sterker de geur hen verkwikte.

Toen wierpen zij zich op de grond en riepen met grote vrees en toewijding van het hart:

“Wij geloven dat U, Christus, de Zoon van God, met de Vader en de Heilige Geest in de hemel regeert, zoals wij van Uw heilige martelaar Piatus hebben geleerd.”

Op datzelfde uur kwamen ongeveer 5.000 mannen tot geloof, en zij dankten God. Want door de heilige Piatus waren in Gallië al meer dan 30.000 mannen tot het geloof gebracht, vrouwen en kinderen niet meegerekend.

Op dezelfde plaats bouwden zij een nieuw grafmonument.

Door zijn gebeden komen zieken en worden zij genezen; blinden krijgen het licht terug; lammen worden hersteld; mensen die door demonen worden gekweld, worden bevrijd; en de gebeden van de gelovigen worden verhoord.

De Heer heeft bewezen dat zo'n martelaar Hem waardig was, omdat hij niet bang was om voor Zijn naam het martelaarschap te ondergaan.

O gelukkige man, kuis, heilig, ingetogen en bescheiden, door wiens voorbeeld goddelozen tot het geloof worden bekeerd; om wiens verdiensten de engelen zich in de hemel verheugen; door wiens aanraking de zieken worden gesterkt; door wiens verdiensten de last van de zonden wordt verlicht.

Heel het volk viert hem met feestelijke toewijding; de machthebbers van de aarde smeken hem met gebogen hoofd aan.

Hij is nu opgenomen in de koren van de engelen en straalt met onmetelijke helderheid. Samen met de apostelen heeft hij de martelaarspalm ontvangen.

Zie, vandaag vieren wij zijn feest: terwijl wij hem jaarlijks op aarde vieren, wordt hij door de Heer in de hemel verheerlijkt.

Aan U, God de Vader, in eenheid met de Zoon en de Heilige Geest, zij heerlijkheid en de hoogste macht — U die Uw heilige martelaar zo hebt willen verheerlijken, U die leeft, heerst en regeert, nu en altijd, tot in de eindeloze eeuwen der eeuwen.

Amen.

Explicit Passio sancti Piatonis Martiris.