H. Quintinus, martelaar te Saint-Quentin (Augusta Viromanduorum)

Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.

Rechtstreeks vertaald uit de oudste Passio — Eerste Passio en Vinding (BHL 6999 e.v.): volgens de Bollandisten mogelijk geschreven door een tijdgenoot die zelf bij de vinding van het lichaam aanwezig was, dus omstreeks het midden van de 4e eeuw; oudste handschrift: Parijs, BnF lat. 5299, 9e eeuw (Acta Sanctorum, oktober XIII, 31 oktober, pp. 781-786)

LIJDEN EN VINDING VAN DE HEILIGE QUINTINUS, MARTELAAR

Quintinus was een Romein die volgens zijn Passio samen met de heilige Lucianus naar Gallië trok om het evangelie te verkondigen. Lucianus ging naar Beauvais, Quintinus bleef in Amiens.

Onder keizer Maximianus liet de prefect Rictiovarus hem gevangennemen en folteren. Hij werd onthoofd te Augusta Viromanduorum, het latere Saint-Quentin, en zijn lichaam werd in de Somme geworpen. Jaren later vond de blinde Romeinse matrone Eusebia het terug.

De tekst hieronder is de oudste Passio, met het verhaal van de vinding van zijn lichaam, naar het handschrift Parijs, BnF lat. 5299 (9e eeuw), zoals uitgegeven in de Acta Sanctorum (oktober XIII, 31 oktober, pp. 781-786). Tik op een hoofdstuk om het te openen.

[[INKLAP]] Hoofdstuk I — Quintinus komt van Rome naar Amiens. Rictiovarus laat hem gevangennemen. Wonderen, folteringen en onthoofding

1. Hier begint het lijden van de heilige martelaar Quintinus, op de dag voor de kalenden van november. In die tijd, onder keizer Maximianus, werden veel christenen vervolgd omwille van het rijk van God en het geloof in onze Heer Jezus Christus. Velen verborgen zich in de bergen en in rotsholen en kwamen daar om.

Maar de heilige Quintinus trok samen met de zalige Lucianus, die zelf ook een beproefd martelaar van God werd, van de stad Rome naar deze streek. Hij deed dat niet om aan het martelaarschap te ontkomen, maar om Christus aan ons bekend te maken en voor onze zonden te pleiten.

Toen zij in Gallië bij de stad Amiens aankwamen, kozen zij elk een plaats om te wonen. De heilige martelaar Quintinus bleef in Amiens, en de zalige Lucianus trok naar Beauvais. Zo zouden door hun tekenen en gebeden de zielen van velen gered worden.

Door het teken van het kruis gaven zij blinden het licht terug, en lamme ledematen hun vroegere gezondheid. Zij volhardden in vasten en gebed en smeekten de Heer, zoals monniken, op alle uren van de dag.

2. In die dagen brak over de hele wereld een vervolging van de christenen los. De prefect Rictiovarus vroeg keizer Maximianus om in Gallië het gezag van prefect te mogen uitoefenen. Hij kwam in de stad Basel, waar de Aare in de Rijn uitmondt, en verdronk daar veel christenen. Hun graf onder water blijft bewaard als getuigenis voor de komende wereld.

Zo liet hij overal naar christenen zoeken, en hij kwam ook in de stad Amiens. Daar hoorde hij van de faam van de zalige Quintinus: de Heer deed door hem heel veel tekenen onder het volk. Meteen liet hij hem grijpen en geketend in de gevangenis werpen.

Terwijl hij naar de gevangenis werd gebracht, zong hij psalmen: "Zij hebben tegen mij beraadslaagd. Heer, verlaat mij niet, zodat zij zich niet verheffen." Toen hij die psalm tot het einde gezongen had, zei hij opnieuw: "Heer, mijn God, red mij uit de hand van de zondaar, uit de hand van wie de wet overtreedt en onrecht doet. Want U bent mijn geduld, Heer, mijn hoop van mijn jeugd af."

3. De volgende dag liet de prefect Rictiovarus in de raadzaal een rechterstoel voor zich opstellen en beval hij de heilige martelaar Quintinus voor te leiden. Toen hij voor hem stond, vroeg de prefect Rictiovarus: "Hoe heet je?" De heilige Quintinus antwoordde: "Ik ben christen en ik belijd Christus. Maar als je echt mijn naam wilt weten: ik heet Quintinus."

Rictiovarus vroeg: "Uit welke familie ben je geboren?" De heilige Quintinus antwoordde: "Ik ben geboren in de stad Rome en ik ben de zoon van de senator Zeno." Rictiovarus zei: "Wat is er met je gebeurd? Je komt uit zo'n edele familie en bent de zoon van zo'n man. Toch heb je je overgegeven aan de meest zinloze godsdiensten, en vereer je iemand die door mensen gekruisigd werd?"

De heilige Quintinus antwoordde: "Dit is vrijheid en adel: de Maker van hemel en aarde en de Schepper van ons allen kennen." Rictiovarus zei: "Quintinus, laat de dwaasheid los waarin je gevangen zit, en offer aan de goden."

De heilige Quintinus antwoordde: "Ik ben niet dwaas, ik zoek de wijsheid. Dwaas zijn zij die jou gehoorzamen en aan de goden offeren. Zij staan niet in het geloof van de waarheid en kennen het licht van de gerechtigheid niet. Zij zitten in de duisternis en zullen in het eeuwige vuur branden."

De prefect Rictiovarus zei: "Kom nu naar voren en offer aan de goden. Want als je dat niet wilt, zweer ik bij de goden dat ik je met allerlei straffen zal treffen." De heilige Quintinus zei: "Ik zweer bij God, die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en alles wat daarin is, dat ik je straffen niet vrees. Doe maar snel wat je wilt. Mijn vlees heb je in je macht, maar mijn ziel niet. Die heeft alleen God, die haar gegeven heeft."

4. Toen werd de prefect Rictiovarus woedend. Hij liet hem uitstrekken en door vier soldaten geselen. Terwijl de heilige Quintinus gegeseld werd, sloeg hij zijn ogen op naar de hemel en zei: "Heer, mijn God, U weet alles voordat het gebeurt. Ik dank U bij de heerlijkheid van uw kracht dat ik dit om uw heilige Naam lijd.

"Maar U, Heer mijn God, geef mij, onwaardige zondaar, kracht en de hulp van uw rechterhand. Dan kan ik alle pijlen van de vijand overwinnen en, op uw bevel, de rechterstoel van de prefect Rictiovarus beschamen. Zo wordt uw Naam verheerlijkt onder de volken, uw Naam die gezegend is in de eeuwen der eeuwen." En er klonk een stem uit de hemel: "Wees moedig: Ik zal bij je zijn."

5. Toen gebeurde het dat zij die hem geselden niet meer op hun voeten konden staan. Ze dachten dat ze hem sloegen, maar zij werden juist zelf door engelen gepijnigd. Ze riepen luid tot de prefect: "Heer, help ons! Wij worden zelf door engelen geslagen en door vuur verbrand, zodat we niet meer kunnen spreken of staan."

Maar de heilige Quintinus voelde helemaal niets, want de hulp van de Heilige Geest beschermde hem. De prefect Rictiovarus zei: "Ik zweer bij de goden: hij is een tovenaar, en zijn toverkunsten zijn sterker." Toen liet hij hem in de gevangenis opsluiten en zei: "Breng hem naar een donkere plaats, waar hij geen licht ziet en waar niemand van de christenen bij hem kan komen."

Maar de heilige Quintinus zong psalmen: "Red mij, Heer, van de boze mens; bevrijd mij van de onrechtvaardige man. Zij die erop uit zijn mij te doen struikelen, beramen de hele dag strijd. Ze hebben hun tong gescherpt als slangen; addergif zit onder hun lippen."

6. De nacht daarop, toen hij in slaap gevallen was, verscheen hem in een visioen een engel van de Heer. Die zei: "Quintinus, mijn dienaar, sta op en ga midden in de stad staan. Bemoedig en versterk heel het volk, zodat zij geloven in de Heer Jezus Christus en gedoopt worden, want hun verlossing is nabij. Zo zullen de vijanden van de Heer en de prefect Rictiovarus beschaamd worden."

Toen de heilige Quintinus wakker werd, en de eerste en de tweede nachtwake voorbij waren, vond hij de plaats die de engel van de Heer hem had genoemd. Hij begon de naam van de Heer te verkondigen en te loven. Want God had zich verwaardigd zulke krachten door Jezus Christus, zijn Zoon, onze Heer, in hem aan het volk te tonen.

Hij zei tegen hen: "Broeders, luister naar mij. Keer terug van jullie slechte wegen en laat je dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Hij heeft hemel en aarde gemaakt, de zee en alles wat daarin is. Hij heeft doden opgewekt, blinden het gezicht teruggegeven en zieken genezen.

"Hij heeft de vrouw snel van haar bloedvloeiing bevrijd, melaatsen gereinigd en lammen laten lopen. In Kana in Galilea heeft Hij water in wijn veranderd, en Hij heeft ontelbaar veel wonderen getoond. Nooit heeft Hij zijn dienaren verlaten, maar Hij heeft hen uit hun nood bevrijd." Hij sprak lang tot hen, en zeshonderd mannen kwamen tot geloof in Hem.

7. De bewakers werden wakker en vonden de gevangenis gesloten, maar er was niemand binnen. Vol angst liepen ze weg en vonden hem midden in het volk, terwijl hij het woord van de Heer verkondigde. Opnieuw liepen ze vol angst naar de prefect en meldden: "Echt, de God van de christenen is groot. In Hem moet men geloven. Wij hebben Hem leren kennen door zijn dienaar Quintinus.

"Want weet dat jouw goden zwak zijn, en ook zij die jou gehoorzamen. Zij staan niet in het geloof van de waarheid en kennen het licht van de gerechtigheid niet. Zij zitten in de duisternis en zullen in het eeuwige vuur branden." Rictiovarus zei: "Zijn jullie dan ook tovenaars geworden?" Zij zeiden: "Wij zijn geen tovenaars. Wij belijden de Zoon van God, Jezus Christus, onze Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en alles wat daarin is."

Rictiovarus zei: "Jullie praten onzin. Jullie geloof is niets. Ga weg van mij, onverstandigen en dwazen van hart." Toen gingen ze weg. Daarop zei Rictiovarus, briesend en tandenknarsend: "Als ik Quintinus niet dood en zijn naam van de aarde wegvaag, zal deze lege, bijgelovige sekte velen verleiden. Dan gaat de eer van onze goden verloren."

8. Op diezelfde dag liet hij de zalige Quintinus voorleiden en zei tegen hem: "Ik schaam me om jouw adel. Jij en je ouders bezaten zulke grote rijkdom, en toch heeft een waanzin je zo gemakkelijk overvallen dat je alles achterliet. Nu lijk je arm, een bedelaar.

"Maar luister nu naar mijn goede raad. Kom naar voren en offer aan de grote goden, door wie de hemel bestaat. Dan geef ik je een hoge waardigheid en stuur ik je naar de allerheiligste keizer. Dan krijg je alle rijkdom terug die je hebt achtergelaten. Je wordt gekleed in purper en fijn linnen, je ontvangt grote eer en je wordt omgord met een gouden gordel."

De heilige Quintinus antwoordde: "Roofzuchtige wolf, dwaas en onverstandig, zonder verstand als een dolle hond! Denk je dat je de gave van God met geld kunt omverwerpen? Je rijkdom mag met jou ten onder gaan. Maar mij kun je niet afbrengen van de gezindheid die ik van kindsbeen af heb in Christus Jezus, onze Heer.

"Weet je niet, ongelukkige, dat wie in Christus bedelt niet arm is? Hij zal hier en in de eeuwigheid het eeuwige leven bezitten. Jouw macht is blind en vergankelijk, jouw eer is tijdelijk. Maar de eer van Christus, die Hij geeft aan wie Hem liefhebben, heeft geen einde en blijft eeuwig."

Rictiovarus zei: "Houd je dus vast aan dit besluit? Wil je liever sterven dan leven?" De heilige Quintinus antwoordde: "Hier is geen dood. Als ik volhard in de folteringen die jij mij aandoet, dan zal ik beginnen te leven." Rictiovarus zei: "Ik zweer bij de grote goden dat ik je snel zal laten straffen." De heilige Quintinus antwoordde: "De Heer is mijn helper; ik vrees niet wat een mens mij aandoet."

9. Toen werd Rictiovarus woedend. Hij liet hem aan katrollen folteren en met ijzeren koorden insnijden, zodat al zijn ingewanden openscheurden. Hij liet kokende olie, pek en gloeiend vet over zijn rug gieten, en bovendien hield men gloeiende fakkels tegen zijn zijden.

Toen ze dit allemaal gedaan hadden, zei de heilige Quintinus tegen Rictiovarus: "Galgenaas, geest van de duivel, zoon van de ongerechtigheid! Alles wat mij wordt aangedaan, geeft mij geen pijn maar verkwikking, zoals de dauw die uit de hemel op het gras neerdaalt." Rictiovarus zei: "Breng mij kalk, azijn en mosterd. Ik zal het in zijn mond gieten, zodat hij tenminste zwijgt en mijn volk niet langer bedriegt."

De heilige Quintinus zei: "Hoe zoet zijn uw woorden voor mijn gehemelte, Heer, zoeter dan honing en honingraat voor mijn mond." Rictiovarus zei: "Bij de grote goden Asclepius en Hippocrates, bij Jupiter en Mercurius, bij de Zon en de Maan zweer ik dat ik je geboeid naar Rome laat brengen. Daar zul je veel folteringen ondergaan voor de grote keizer, voor wie je op de vlucht bent geslagen."

De heilige Quintinus zei: "Hier en daar is God, en Hij zal jouw waanzin overwinnen. Maar ik vertrouw erop dat ik in deze provincie het einde van mijn levensloop zal bereiken."

10. Toen liet Rictiovarus zware kettingen om zijn hals leggen en gaf de soldaten bevel: "Ga en bewaak hem zorgvuldig, tot ik jullie volg." Terwijl ze vertrokken langs de weg die hun bevolen was, zong de heilige Quintinus psalmen: "Heer, maak mij uw wegen bekend en leer mij uw paden." En opnieuw: "Leid mij, Heer, op uw weg, en ik zal wandelen in uw waarheid. Laat mijn hart zich verheugen, o God, zodat het uw Naam vreest, die gezegend is in de eeuwen der eeuwen. Amen."

Zo kwam hij in een stad die Augusta van de Viromandui heet. Rictiovarus had bevolen hem daar op te wachten. Niet omdat hij van daar zou moeten terugkeren, maar omdat Christus wilde dat zijn kampioen juist op die plaats het einde van zijn levensloop zou bereiken.

11. De volgende dag kwam Rictiovarus zelf. Hij liet de heilige Quintinus voor zich brengen en sprak hem vleiend toe: "Broeder Quintinus, ik heb nog altijd geduld met je. Stem met mij in en offer aan de grote goden Jupiter en Apollo. Als je niet naar Rome wilt terugkeren, zal ik je in deze provincie grote rijkdom geven. En ik stuur een verslag naar de allerheiligste keizer, zodat hij je tot vorst en rechter over deze streek aanstelt."

De heilige Quintinus antwoordde: "Ik heb je al vaak gezegd: ik offer niet aan demonen, die hemel en aarde niet gemaakt hebben. Laten zij vergaan, en wie hen dient. Het zijn gesneden beelden, door mensenhanden gemaakt. Ze horen niet, ze hebben geen adem, ze kunnen niet lopen, en er is geen spraak en geen Heilige Geest in hen. Zoals de profeet zei: Laten wie ze maken aan hen gelijk worden, en allen die op hen vertrouwen."

Toen liet Rictiovarus een smid roepen. Die moest twee ijzeren pinnen maken die van de nek tot aan de benen reikten, en nog tien andere, om tussen de nagels en het vlees van zijn vingers te steken, zodat hij zo zou omkomen. De smid deed wat hem bevolen was. Rictiovarus liet de pinnen door de nek van de heilige Quintinus drijven. Ook liet hij gloeiende pinnen in zijn vingers steken en zei: "Maak hem dood, zodat de christenen aan deze straf een voorbeeld nemen."

12. Toen volgde Rictiovarus de raad van een zekere Honoratus, een uiterst wreed man, en liet hem ter dood brengen. Hij werd naar de plaats gebracht waar hij het einde van zijn levensloop zou bereiken. Daar vroeg hij de beul even te mogen bidden. Hij knielde neer en bad: "Heer Jezus Christus, waarachtig licht, U bent en U was vóór de grondlegging van de wereld.

"U hebt de hemel gemeten met de palm van uw hand en de aarde met uw vuist. U doet de wolken opstijgen van het uiteinde van de aarde en haalt de winden uit uw schatkamers. U roept wat niet is alsof het is. U laat uw zon opgaan over goeden en kwaden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

"Ik smeek U in uw heilige waarheid, Christus: U belijd ik, U houd ik vast, U verlang ik te aanschouwen, aan U heb ik mij met heel mijn hart en met al mijn krachten overgegeven. Ontvang mijn geest en verlaat mijn ziel niet in eeuwigheid, U die heerst, Christus, in de eeuwen der eeuwen."

Toen hij dit gezegd had, bood hij zijn nek aan de beulen aan en zei: "Doe nu wat jullie bevolen is." Ze trokken het zwaard en sloegen hem het hoofd af. Hij werd overgoten met de stroom van zijn heilig bloed.

13. Meteen kwam uit zijn hals een duif, wit als sneeuw, die de hemel binnenging. En een stem uit de hemel zei: "Quintinus, mijn dienaar, kom, ontvang de kroon die Ik voor je bereid heb. Mogen mijn engelen je ontvangen en je naar het hemelse Jeruzalem brengen."

Toen liet Rictiovarus het lichaam van de zalige Quintinus tot de nacht bewaken. Daarna liet hij het in het geheim, met lood verzwaard, in de rivier zinken en met slijk bedekken. Hij zei dat het lichaam van de zalige Quintinus geen eer of lof van de christenen mocht krijgen. Hij voltooide zijn martelaarschap op de dag voor de kalenden van november. Het water was ongeveer vijfenvijftig jaar lang het graf van zijn lichaam. Hier eindigt het lijden van de heilige martelaar Quintinus.

[[/INKLAP]]

[[INKLAP]] Hoofdstuk II — Eusebia wordt aangespoord het lichaam van Quintinus te zoeken. Het wordt door een wonder gevonden en de matrone krijgt haar zicht terug

14. Hier begint de vinding van de heilige martelaar Quintinus. Na verloop van tijd wilde God aan het volk een verborgen schat en een rijk mysterie tonen. De Heer God wekte namelijk een matrone uit de stad Rome op, Eusebia genaamd. Zij was rijk aan grote bezittingen en van edele afkomst; haar vermogen was groot, haar huishouden onafzienbaar en haar personeel talrijk.

Ze was al negen jaar blind. Toen zij de Heer vurig smeekte, verscheen haar 's nachts in een visioen een engel van de Heer. Die zei tegen haar: "Eusebia, je gebed is verhoord. Sta op en ga naar Gallië. Zoek de plaats die Augusta van de Viromandui heet, bij de rivier die Somme genoemd wordt, waar de openbare heerweg van de stad Amiens naar Laon de rivier oversteekt.

"Zoek op die plaats, en je zult onder water het lichaam vinden van de heilige Quintinus, mijn martelaar. Zodra wat verborgen lag door jou geopenbaard en aan het volk getoond is, zul je meteen je zicht terugkrijgen. Gezond van lichaam en vast van geest zul je dan met al de jouwen naar huis terugkeren."

15. Dit visioen verscheen haar twee- of driemaal. Toen twijfelde zij niet meer aan de waarheid ervan en maakte zich klaar voor de reis die de engel van de Heer haar had aangekondigd.

Ze liet haar wagen inspannen en nam alles mee wat ze onderweg nodig had: knechten, meisjes en veel personeel, om het lichaam van de zalige Quintinus te vinden. Ook lijkwaden nam ze mee om hem te begraven. Door de engel gezonden kwam ze in Gallië aan, en al snel bereikte ze wat ze verlangde: de plaats die de engel van de Heer haar in het visioen getoond had.

16. Toen kwam een grijsaard, Eraclianus genaamd, haar op de weg tegemoet. Zij begon hem ijverig te ondervragen: "Waar is de plaats of de stad die Augusta van de Viromandui heet?" De grijsaard antwoordde: "Die is al vlakbij." Zij zei: "Mijnheer, zeg mij, ik vraag en smeek je: heb je ooit een christen gekend die Quintinus heette en door de vervolgers gedood werd?"

De grijsaard antwoordde: "Ik heb er zeker van gehoord, maar het is al lang geleden dat dit gebeurd is." Eusebia vroeg hem: "Waar ligt hij?" De grijsaard antwoordde: "Dat weet ik niet, mevrouw." Zij zei: "Ik vraag je dringend, bij de Heer: wijs mij waar de openbare heerweg deze rivier oversteekt." De grijsaard wees haar de plaats en zei dat het hier was.

17. Toen stapte de matrone van haar wagen, knielde op de grond, boog het hoofd, sloeg zich met haar handen op de borst en bad: "Heer God van Abraham, God van Isaak, God van Jakob, God van de profeten, God van de apostelen, God van de martelaren, God van alle belijders! Door U zijn de elementen gemaakt, op uw wenk wordt alles bestuurd, door U breken donder, bliksem en lichtflitsen los.

"God, almachtige Vader, ik smeek U: verhoor mij, nederige zondares, zoals U Tobias en Sara verhoord hebt toen zij baden in het voorhof van hun huis. Wil mij verhoren, zoals U Mozes en Aäron verhoord hebt en hun het gebeente van hun vader Jozef getoond hebt.

"U hebt het verlangen van de zalige Helena vervuld en haar de verborgen schat getoond. Toon mij zo ook het eerbiedwaardige pand van hem die om de heilige naam van uw heerlijkheid geleden heeft. Vader van alle eeuwen, laat mij niet van deze plaats vertrekken voordat mijn ziel vindt wat zij verlangt. Laat mijn ogen uw heil zien, en laat uw Naam verheerlijkt worden onder de volken, die gezegend is in de eeuwen der eeuwen. Amen."

18. Zodra zij haar gebed beëindigd had, kwam meteen de plaats in beweging waar het heilige lichaam onder water lag. Kabbelende golven tilden het als het ware op hun rug omhoog. Toen begon het lichaam van de eerbiedwaardige man boven het water te drijven, en zijn hoofd kwam via een andere stroomgeul tevoorschijn.

Er was geen zwelling of blauwe plek aan hem te zien: hij was wit als sneeuw en geurde naar rozen en lelies, zoals de geur van een vol veld dat de Heer God gezegend heeft, en als kostbaar albast. Allen die erbij waren, zeiden bij zichzelf: "Hoe konden de hemelse krachten en de grote daden van Christus bij ons in de vergetelheid raken?"

19. Toen nam de matrone het eerbiedwaardige lichaam, wikkelde het in een rein lijkwaad en wilde het in de stad van de Viromandui begraven. Onderweg kwamen ze bij een plaats die Augusta van de Viromandui heet. Daar zetten ze hem neer, omdat ze onder het gewicht niet verder konden.

Toen de matrone begreep wat er gebeurde, begroef ze hem op die plaats en bouwde boven zijn graf een kleine cel. Als loon voor de begrafenis vielen als het ware schubben van haar ogen, en ze kreeg het licht van haar ogen terug. Ze voelde de kracht terugkeren die ze in haar jeugd gewend was. Meteen kregen allen die op dat uur ziek daar aankwamen, hun vroegere gezondheid terug.

De rivier de Somme is over een grote afstand links en rechts door moeras omgeven. De ijzeren pinnen die in het lichaam van de heilige Quintinus gedreven waren, nam de zeer gelovige vrouw mee als relieken van zijn lichaam. Ze keerde met al de haren terug naar haar provincie. Ze ontving veel gaven, en die besteedde ze aan de dienst van de armen.

Zij begroef het lichaam van de allerzaligste martelaar Quintinus op de achtste dag voor de kalenden van juli, na de glorierijke verrijzenis van onze Heer Jezus Christus. Hem komen de glorie en de eer toe, de lof en de heerschappij, in de eeuwen der eeuwen. Amen. Hier eindigt de vinding van de heilige martelaar Quintinus.

[[/INKLAP]]