H. Faraïldis (Veerle) van Gent

Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.

Oudste Vita Pharaildis uit Acta Sanctorum — Vita prima (BHL 6791), late 11e eeuw, vermoedelijk kort na de reliekentranslatie van 1073

HET LEVEN VAN DE HEILIGE PHARAILDIS — PROLOOG VAN DE AUTEUR

Een waarachtige uitspraak spoort ons aan te begrijpen dat een brandende lamp onder de korenmaat maar weinig licht aan de omstaander verschaft. Daarom hebben wij op goddelijke vermaning besloten de geschriften over de zalige maagd Pharaildis, die nog bijna helemaal verborgen zijn, voor wie ze niet kent te ontsluiten. Opdat de trage harten van de toehoorders, geraakt door onze woorden, zouden ontvlammen in het vuur van de goddelijke liefde. Maar omdat een lange reeks woorden zowel toehoorders als lezers doorgaans verveelt, hebben wij besloten bondig uit te leggen wat wij de verstandigen wilden meegeven. Want een bondige rede spoort een trage geest aan.

2. Een kwaadspreker kan wel de wonderen van deze aan God gewijde maagd voor een verzinsel houden, zoals een praatzieke tong vaak iets verzint. Maar laat het hem dan duidelijk zijn dat dit niet apocrief is of uit verzinsels samengesteld. Immers, het geloofwaardige getuigenis van de oude Vaders bevestigt dit, en men vindt het ook terug in sommige heel oude boeken. Wat voor de mens onmogelijk lijkt, wordt door de werking van de goddelijke genade, omwille van de verdiensten van de heiligen, mogelijk gemaakt. Want er staat in het Evangelie geschreven: Als iemand geloof heeft als een mosterdzaadje en tegen deze berg zegt: Verplaats u vanhier, dan zal hij zich verplaatsen. Daarom hoeft het niemand te verwonderen dat wat de natuur niet toelaat, aan de verdiensten van de heiligen wordt toegeschreven. Dat gebeurt om het geloof der christenen te versterken, of om het ongeloof der ongelovigen uit te roeien.

Hoofdstuk I — De afkomst van de heilige Pharaildis; haar heilige jeugd

3. Om voor iedereen duidelijk te maken uit welk geslacht de maagd stamt, moeten we meteen bij het begin haar afkomst vermelden. Wie hoort dat zij van koninklijken bloede was, zal zich niet verwonderen dat zij na haar dood van het lage naar het verhevene is opgestegen. Want vóór haar dood was zij van het verhevene naar het lage afgedaald, toen zij een huwelijk met koningen en keizers versmaadde. Op gezag van de ouden hebben wij vernomen dat koning Theodoricus, die over Lotharingen en over heel Gallië heerste, een tweeling had, rijk aan kracht, bezit en macht. De Vaders schrijven aan diezelfde koning nog een derde dochter toe: Pharaildis. Wij kennen haar meer om haar geloof en vroomheid dan om haar wereldse rang.

4. Zij liet haar koninklijke afkomst voor wat ze was en wees de vele koningen en keizers af die naar haar hand dongen. Zo vervulde zij het gebod van het Evangelie: Wie niet vader of moeder verzaakt, en alles wat hij bezit, omwille van mijn naam, kan mijn leerling niet zijn. Dat gebod bewaarde zij diep in haar hart. Nog in het huis van haar ouders wijdde zij zich aan een ongeschonden maagdelijkheid, en zo goed als een jong meisje dat kon, begon zij te studeren. Hoe ijverig zij ook naar kennis streefde, zij vergat nooit wat geschreven staat: Het begin van de wijsheid is de vreze des Heren. Niet uit slaafse angst, maar met de eerbied van een kind diende zij God, en zij probeerde het woord van de Apostel waar te maken: Er is geen vrees in de liefde, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten. Zo wijdde zij zich al op jonge leeftijd zowel aan de dienst van God als aan de studie.

5. Als koningsdochter droeg zij de kostbaarste kleren en werd zij elke dag met koninklijke pracht getooid. Toch werd zij daar niet hoogmoedig van. Zij deelde rijkelijk aalmoezen uit aan de armen, in het geheim of openlijk. Zonder het Evangelie al goed te kennen, deed zij toch wat het zegt: Wanneer u een aalmoes geeft, laat uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet. En: Verberg de aalmoes in de schoot van de arme, en zij zal voor u bidden. Gesterkt door zulke voorbeelden diende zij, met Gods genade, liefdevol en met volle inzet.

Hoofdstuk II — Zij bewaart haar maagdelijkheid in het huwelijk

6. Ten slotte kwam de faam van de koningsdochter koningen en keizers van dichtbij en veraf ter ore. Velen trokken naar het paleis van de koning om haar hand te vragen. De koning beloofde zijn dochter aan een van hen, al was het tegen haar wil. Na de verloving durfde de maagd de wil van haar vader niet uit te stellen of te weerstaan.

7. Zo trouwde zij met een zeer edele man. Maar zij bleef God dienen, zoals zij zich al had voorgenomen. Zij weigerde haar maagdelijkheid op te geven en bewaarde de zuiverheid van haar lichaam. Toen zij na het bruiloftsmaal 's nachts de bruidskamer binnenging, ging zij meteen met hem naar bed. Maar door Gods genade doofde zij het vuur van de begeerte, in zichzelf én in hem, met dit gebed:

Allerhoogste Vader van alle dingen, Koning, licht en oorsprong der dagen, door wiens bevel het raderwerk van deze tijd bestaat: aan wie zij welgevallig zijn die de maagdelijkheid eerbiedigen, geef uw dankbare dienstmaagd de maagdelijkheid te beoefenen.

Zo bad zij, en Gods hand doofde het vuur van de begeerte, in haar en in hem. Haar hele verdere leven werd zij nooit meer door begeerte gekweld. En telkens als haar man gemeenschap met haar zocht, lukte het hem niet, door haar gebed.

8. Midden in de nacht, of bij het hanengekraai, wachtte zij niet eens op het luiden van de klok. Zij ging, met weinig of geen begeleiding, naar het klooster. Bijna dertig jaar hield zij dat vol, zonder ooit te verslappen in dat goddelijke vuur. Zij dacht aan het Evangelie: Wie volhardt tot het einde, die zal gered worden. En: Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom kijkt, is het niet waardig. Hoezeer haar man zich ook verzette, zij bleef onvermoeibaar naar de kerk gaan.

Hoofdstuk III — Haar man slaat haar wreed en wordt eerst met ziekte, dan met de dood gestraft

9. Omdat zij zo vaak 's morgens vroeg het huis uit ging, begon haar man haar ten onrechte te verdenken. Hij dacht dat zij overspel pleegde en sloeg haar elke dag zonder maat. Uitgeput door dit onrecht bad zij in tranen:

Christus, Zoon van God, ik bid U, laat ik U niet gering zijn, laat U om mijn dienstbaar gebed bewegen, goedertieren Zoon van God: neem mijn vrome geloften aan. Tref hem met ziekte of pest, die mij deze wrede slagen toebrengt, en mij, terwijl hij mij slaat, tracht te vernietigen.

Het was geen wraakzucht. Het was de gloed van de geestelijke genade die haar de kracht gaf om vol te houden.

10. Kort daarna zat haar man op jacht achter een dier aan, toen zijn paard ten val kwam. Door Gods wraak brak hij zijn beenderen en zijn arm, beschadigde hij zijn neus en was hij bijna dood. Het hele volk treurde. Zij zelf durfde echter niet te treuren om wat God als straf had gestuurd. Een heel jaar lang was hij ziek, en hij ontsnapte maar net aan de dood.

11. Toen hij hersteld was, wilde hij opnieuw gemeenschap met haar. Maar de maagd hield stand. Zij weigerde, want zij had haar maagdelijkheid aan God alleen gewijd. Daarop begon hij haar opnieuw te slaan, elke dag weer. Toen zij het niet langer kon verdragen, liet zij de wraak aan God over, want er staat geschreven: Aan Mij de wraak, Ik zal vergelden, zegt de Heer. God trof Guido met een ziekte; hij kwijnde lang weg en stierf. Zo kon de razernij van de goddeloze Guido de standvastigheid van de heilige Pharaildis niet langer verstoren. Het ging zoals David zegt: Ik zag de goddeloze hoog verheven als de ceders van de Libanon; en ik ging voorbij, en zie, hij was er niet meer; ik zocht hem, en zijn plaats werd niet gevonden.

Hoofdstuk IV — De dood en de wonderen van Pharaildis

12. Toen haar man gestorven was, liet de dienares van God het huwelijksbed voor wat het was en nam zij zonder aarzelen de sluier van de weduwe aan. De kuisheid die zij in haar huwelijk had bewaard, wilde zij ook als weduwe zorgvuldig bewaren. Want in het rijk van God zal de een dertigvoudig, de ander zestigvoudig en weer een ander honderdvoudig loon ontvangen. Als maagd die haar maagdelijkheid voor altijd aan God alleen had gewijd, wilde zij de honderdvoudige erekrans verdienen. Daarom spande zij zich voortdurend in om te doen wat Paulus in zijn brief schrijft: Loopt zo, dat gij de prijs moogt behalen. Want ieder die in de wedstrijd strijdt, onthoudt zich van alles.

Zo bracht zij haar hele leven door met de werken van barmhartigheid: zij waakte, bad en vastte, bezocht de zieken, verzorgde wie gekweld werden, deelde aalmoezen uit en deed, zo goed als een mens dat kan, de zes werken van barmhartigheid.

13. Om de grootheid van Gods macht te laten zien, heeft God in zijn goedheid omwille van haar verdiensten een uitzonderlijk en gedenkwaardig wonder gedaan. Op een winterdag ging zij, met de trage stap van de ouderdom, naar de akker waar zij tarwe had gezaaid. Daar trof zij een zwerm vogels aan. Sommigen noemen ze feles, anderen miletae, het volk noemt ze gantas. Met een stok dreef zij ze als huisdieren naar huis. Daar sloot zij ze, als een kudde schapen, op in de schaapskooi. Zij liet niet toe dat er ook maar één gewond of gedood werd, en hield ze tot de volgende dag ongedeerd.

Maar toen zij 's avonds of 's morgens naar het klooster was gegaan, doodde een van haar knechten, buiten haar weten, een van de vogels en at hem op met een paar huisgenoten. Toen Pharaildis, de maagd van de Heer, uit het klooster terugkwam en aan de vogels dacht, liet zij er geen enkele slachten. Zij beval ze allemaal ongedeerd vrij te laten. Toen ze vrijgelaten waren en onbevreesd rondliepen, zoals ganzen of kippen, merkte de zalige maagd dat er één ontbrak. Misschien miste een vogel zijn maatje, misschien klopte het aantal niet, misschien zag zij het door een ingeving van God. Zij zocht ijverig uit waar hij gebleven was, en van een jongen uit het huis hoorde zij dat hij gedood en opgegeten was.

Wat moet ik nog meer zeggen? Zij liet de beenderen en de veren van de vogel bij zich brengen en verzamelde wat er nog te vinden was. Op een wonderbaarlijke manier voegde zij alles weer samen, bracht de vogel die al helemaal dood was weer tot leven, en liet hem terugvliegen naar zijn gewone weide.

14. Na dit en andere wonderen is zij, bijna negentig jaar oud, in de naam van Christus, onze Heer en God, uit deze wereld heengegaan. Als wij zouden proberen te vertellen welke wonderen zij vóór en na haar dood heeft gedaan, zouden wij, denk ik, eerder woorden tekortkomen dan stof.