H. Winnoc, Abt van Wormhout, Belijder
Translation and introduction © orthodoxconnect.be 2026. All reproductions in publications, online or otherwise, are to be requested at info@orthodoxconnect.be.
Rechtstreeks vertaald uit het handschrift — Handschrift: Saint-Omer, Bibliothèque d'agglomération du Pays de Saint-Omer, ms. 764 (Karolingisch, derde kwart 9de eeuw), f. 91r–96r — BHL 8952
De Vita sancti Winnoci behoort tot de oudste hagiografische teksten over de heilige Winnoc, de abt van Wormhout en belijder die in de zevende eeuw leefde. De tekst maakt deel uit van de traditie van de abdij van Sint-Bertijn te Sithiu (Saint-Omer), waarmee ook de verering van Winnoc nauw verbonden was.
Het hier gebruikte handschrift is Saint-Omer, Bibliothèque d'Agglomération du Pays de Saint-Omer, ms. 764, een Karolingisch handschrift uit het derde kwart van de 9de eeuw. De Vita van Winnoc staat op ff. 91r–96r. De catalogus beschrijft deze tekst als een uittreksel uit de Vita sancti Bertini van Folcard van Sint-Bertijn.
De tekst behoort tot de oudere Winnoc-traditie (BHL 8952). Voor deze uitgave staat echter het bewaarde handschrift zelf centraal: de Nederlandse vertaling volgt de tekst zoals die in het manuscript te lezen is.
SAINT-OMER — Bibliothèque d'agglomération du Pays de Saint-Omer, ms. 764, f. 91r–96r (derde kwart 9de eeuw)
Hier begint het leven of de daden van de heilige Winnoc, belijder van Christus.
De heilige Bertinus, die door tekenen en wonderen was begunstigd, stond in het klooster aan het hoofd van een grote gemeenschap van monniken. Uit allerlei streken kwamen religieuze mannen naar hem toe, door de goddelijke genade daartoe aangespoord. Zij wilden zich onder het juk van de heilige regel aan hem onderwerpen en met hem volharden in de dienst van de Heer.
Onder hen waren vier religieuze mannen uit het verre Brittannië: Danocus, Ingenocus, Madocus en Winnocus. Zij verlieten hun ouders en hun vaderland, zoals de Heer het gebiedt, en kwamen samen naar hem toe.
Zij vroegen hem of hij hen in de naam van de Heer wilde opnemen in de heilige gemeenschap van de monniken.
De zalige Bertinus zag hoe zij brandden van liefde voor de Heer, en hij herkende in hen een volkomen verlangen naar een goed leven. Hij ontving hen welwillend en nam hen zonder uitstel op in de heilige gemeenschap van de monniken.
Vastgestelde lezing: agium monachorum gregem — "de heilige gemeenschap van de monniken". Agium is hier het gesubstantiveerde onzijdige van middeleeuws Latijn agius, verwant aan Grieks ἅγιος (hagios), "heilig".
Na korte tijd zag de heilige abt Bertinus hoe verstandig deze dienaren van Christus waren. Zij onderhielden de heilige regel en waren vervuld van volmaakte liefde en ware nederigheid. Hij zag ook met hoeveel ijver zij gehoorzaamden en met hun handen werkten.
Een rijke man, Heremarus genaamd, schonk toen zijn vruchtbare erfgoed in het genoemde district aan God en aan de zalige Bertinus. Dat erfgoed heette Worumholt, en daarom draagt ook de cella* die daar ontstond die naam.
De heilige Bertinus wilde immers meer woningen bouwen voor de dienaren van God en onderkomens voor de armen van Christus, want die waren in die tijd zeldzaam in het district.
Daarom zond hij deze soldaten van Christus, samen met andere broeders die hem gehoorzaamden, naar dat district. Zij moesten er een geschikte woning voor de dienaren van God bouwen.
Zo waren deze religieuze mannen één van hart en één van ziel, naar het voorbeeld van de apostelen.
* Cella: kleine monastieke nederzetting, vergelijkbaar met een hedendaagse kelli of skite op de Athosberg, Griekenland. De middeleeuwse cella kan rechtstreeks worden doorgetrokken naar het nog steeds bestaande orthodoxe kelli: een kleinere monastieke vestiging die verbonden is met een grotere kloostergemeenschap.
Bron van de term: Mediae Latinitatis Lexicon Minus, J. F. Niermeyer.
Na de dood van de drie heilige mannen Danoc, Ingenoc en Madoc stelde de zalige Bertinus de heilige Winnoc aan het hoofd van de kleine gemeenschap (conventiculum) van de dienaren van God die in deze cella samenwoonden.
Winnoc was van kinds af door de zalige Bertinus opgevoed onder het juk van de heilige regel, te midden van deze heilige landgenoten. Hij was jonger dan zij, maar door zijn volmaakte liefde en gehoorzaamheid volgde hij hen toegewijd. De Heer had hem bovendien de grote genade van de nederigheid geschonken.
Hij beschouwde zichzelf als minder dan alle anderen. Zo vervulde hij wat geschreven staat: "Wie onder u de grootste wil zijn, moet de dienaar van allen worden." En: "Wie zichzelf verheft, zal vernederd worden."
Zo hield Winnoc, de dienaar van de Heer, zich aan dit voorschrift van de Verlosser. Hij onderwierp zich aan zijn broeders in Christus, en hij bediende ook de gasten die naar het gastenverblijf kwamen.
Welk werk de broeders ook hard en zwaar vonden, hij deed het zelf, met een rustig gemoed, en de Heer stond hem bij.
De vrijgevige Vergelder van goede werken kijkt immers niet naar de persoon. Hij zegt: "Bij wie anders zou Ik rusten dan bij de nederige en rustige, die beeft voor mijn woorden?" Toen Hij de volmaakte liefde en nederigheid van zijn dienaar Winnoc zag, verhief Hij hem door glorierijke wonderen.
Winnoc, de belijder van Christus, bereikte een eerbiedwaardige ouderdom, en zijn lichamelijke krachten begonnen hem te begeven. Toch sterkte de Heer hem in zijn onophoudelijke bereidheid om te gehoorzamen. Bezorgd dacht hij erover na hoe hij, ondanks zijn ouderdom, de Heer en zijn broeders nog met zijn handen kon dienen.
Hij herinnerde zich immers het woord van de Heer: "Wie volhardt tot het einde, zal gered worden."
De eerwaarde man was één en al nederigheid en gehoorzaamheid. Op ingeving van de Heer kwam er een heilzame gedachte bij hem op. Hij wilde met zijn eigen gewijde handen de molen draaien en zo meel malen voor de broeders die daar met hem samenwoonden. Ook wilde hij zo de armen van Christus dienen, die hij welwillend en geregeld ontving, met dat zware dagelijkse werk.
Hij dacht immers aan het voorschrift van de Apostel: "Wie niet werkt, zal niet eten."
De barmhartige Heer liet het graan dan ook vele dagen lang tot meel malen. Hij zag hoe zijn dienaar de molen door goddelijke kracht liet draaien, zonder enige hulp van mensenhanden.
De heilige Winnoc stond daarbij gebeden te zingen (canendo), met de handen ten hemel geheven. Zoals de Heer het voorschrijft, hield hij de deur gesloten, en hij stond veilig naast de molen.
Uitbundig dankte hij de almachtige God, omdat Hij de last van zijn ouderdom had verlicht.
Alle dienaren van God die met hem in deze cella woonden, bewonderden hem daarom zeer. Zij vroegen elkaar (in vicem) hoe het mogelijk was dat een gewoon mens (verus homo), zonder lichamelijke kracht (carnali virtute desertus), elke dag zo veel meel kon malen door zelf aan de molen te werken. Dat kon alleen als Gods barmhartigheid hem hielp.
Toen wilde een banneling dit wonder van dichtbij bekijken. Nieuwsgierig ging hij naar het huis waar de heilige Winnoc met Gods barmhartigheid zijn zware werk deed. Door een klein venster keek de ongelukkige naar binnen. Hij zag de heilige Winnoc daar staan bidden, met zijn aandacht op God gericht en zijn handen ten hemel geheven.
De man zag de molen, die door goddelijke kracht draaide, en daarnaast een grote hoop meel, terwijl er in die streek gewoonlijk maar weinig meel was.
Zodra de dwaze man de molen had gezien, hield die plotseling op met draaien en stond doodstil.
De vermetele man, die de heilige dienaar van God zo had beledigd, kreeg zijn verdiende straf. Meteen viel hij voorover op de grond en werd blind. Anderen moesten hem ondersteunen. Blind en over heel zijn lichaam bevend, werd hij naar zijn eigen huis teruggedragen.
De volgende dag vertelde hij bevend aan alle bewoners van de cella welk wonder hij had gezien. In tranen bekende hij zijn vermetelheid. Daarna ging hij naar de heilige Winnoc zelf, viel de belijder van Christus te voet en smeekte hem in Gods naam om genade.
De heilige Winnoc had medelijden met de rampzalige blindheid van de man. Hij maakte het kruisteken over zijn ogen. Daarna smeekte hij in de naam van de Heer de almachtige God, die kwaad niet met kwaad vergeldt, om medelijden te hebben en de man zijn vroegere gezichtsvermogen terug te geven.
De vrijgevige Helper van zijn dienaren is nabij aan allen die Hem aanroepen, en Hij doet de wil van wie Hem vrezen. Op voorspraak van zijn belijder Winnoc vulde Hij meteen de ogen van de man, die door zijn eigen vermetelheid blind waren geworden, opnieuw met overvloedig licht.
De ongelukkige man werd vervuld van onmetelijke vreugde, net als allen die dit wonder zagen. Zij brachten de almachtige Heer en de heilige Winnoc de verschuldigde dank.
De barmhartige Heer deed immers niet alleen deze grote wonderen door zijn belijder Winnoc toen die nog in het lichaam onder de mensen leefde. Ook na zijn zalige dood doet Hij door hem roemrijke wonderen. Daarover zullen wij, met Gods hulp, hierna vertellen.
Lange tijd nadat de heilige Winnoc uit dit leven was heengegaan, brak er op de dag van de zonnewende een enorme brand uit in een huisje naast de kerk. De broeders die daar samenwoonden, lagen toen na het middaguur nog te rusten, zoals in de zomer gebruikelijk was.
Het vuur verteerde het huisje met felle vlammen en sloeg toen met groot geraas over op de kerk waarin het lichaam van de heilige Winnoc rustte. Het vuur vond steeds meer brandstof, en de hele kerk stortte in, volledig verwoest door de razende vlammen.
Ook alle houten gebouwen eromheen werden door het vuur verteerd.
Maar het graf van de heilige Winnoc in die kerk, met de grafbedekking erbij, bleef door de bescherming van Gods macht door het vuur onaangetast. Het vuur werd teruggeslagen, als door een geweldige wind, en week van zijn graf terug. Want de hand van God had zich tussen de vlammen en het graf van zijn belijder gesteld.
Toen het vuur was uitgewoed, en het vreselijke geraas van de brand de omwonenden hevig had doen schrikken, stroomden van overal mensen naar het graf van de heilige Winnoc. Zij dachten dat het door de razende vaart van het vuur tot as was vergaan.
Maar zij zagen dat het lichaam van de heilige belijder van Christus ongeschonden voor de vlammen bewaard was gebleven, terwijl alles eromheen tot as was verbrand. Toen dankten zij de almachtige God uitbundig. Hij bevrijdt immers niet alleen de zielen van zijn dienaren uit de vlammen van de eeuwige straf, maar bewaart ook hun lichamen ongedeerd tegen de kracht van het gewone vuur.
Daarna tilden zij het lichaam van de heilige Winnoc uit zijn graf en droegen het uit de uitgebrande kerk. Zij wilden het naar een plaats ver van de kerk brengen, tot de basiliek in de naam van de Heer zou zijn herbouwd.
Toen gebeurde er door Gods macht een wonder. Nadat zij het lichaam van de heilige man buiten de kerk hadden gedragen, konden zij het niet verder dragen: God liet het niet toe.
Ze overlegden met elkaar: "Misschien staat de Heer ons niet toe dit lichaam van de heilige naar een afgelegen plaats te brengen. Laten wij daarom de goedheid van de almachtige Heer smeken: als het Hem behaagt dat dit lichaam hier in deze kleine nis van de kerk ligt, laat Hij ons dan nu toestaan het te verplaatsen."
Daarop tilden zij zonder uitstel het lichaam van de zalige man op en begroeven het in de kloosterhof. Uit het eerdere teken hadden zij immers begrepen dat zij het niet verder mochten dragen.
Niet lang daarna deed de almachtige Heer door de heilige belijder Winnoc een opmerkelijk wonder. Er was een kreupele man die al lange tijd zijn voeten niet kon gebruiken. Zijn handen en hoofd beefden onophoudelijk, en dat had hem uitgeput. Hij kon nauwelijks spreken: met gebroken stem bracht hij maar een paar onverstaanbare woorden uit. Hij kon zelfs niets vasthouden in zijn bevende handen.
Op een dag kwam hij naar het eerbiedwaardige graf van de heilige Winnoc. Het was zondagnacht, en de broeders die daar samenwoonden, vierden de nachtwake van de verrijzenis van de Heer. Anderen droegen hem de kerk binnen. Daar smeekte hij de almachtige God om genade: dat Hij, door de roemrijke verdiensten van zijn belijder Winnoc, zijn ledematen, uitgeput door een ondraaglijke kwaal, weer zou herstellen.
De barmhartige Heer vergeet het gebed van de arme niet. Hij is "een helper in tegenspoed en in beproeving" (vgl. Psalm 9, 10; de Vulgaat heeft hier opportunitatibus: als de gelegenheid het vraagt, als de nood het hoogst is). Door de verdienste van de heilige Winnoc verhoorde Hij de beklagenswaardige man die Hem smeekte.
Diezelfde nacht werd na de nachtwake, zoals gebruikelijk, in die kerk het heilig Evangelie gelezen. Op dat ogenblik werd de man omringd door een onmetelijk licht. Hij zag twee vurige pijlen, van weerszijden recht op zijn oren gericht. Meteen drong de ene door zijn rechteroor naar binnen en de andere door zijn linkeroor. Plotseling stroomde er een overvloed aan bloed uit de openingen van zijn hoofd. Hij werd verlost van de ondraaglijke uitputting van zijn ziekte, en door de milde genade van God was hij in één keer genezen.
Vervuld van onmetelijke vreugde (het woord immensam keert in deze tekst vaak terug) liep de arme man te voet door de wijde kerk, van het ene eind naar het andere. Hij dankte de almachtige Heer en de heilige Winnoc zoals het hoorde. Aan de broeders die rondom stonden, vertelde hij precies hoe het was gegaan: het licht was naar hem toe gekomen, de pijlen waren in zijn oren gedrongen, en meteen was de ziekte van hem geweken.
Toen liep hij, gezond en blij, samen met de menigte van het volk door de kerk. Zij loofden de Heer en bewonderden de roemrijke verdienste die de heilige belijder Winnoc bij Hem had.
Door de goedheid van onze Heer Jezus Christus, aan wie de eer en de heerlijkheid toekomen, met de Vader en de Heilige Geest, in de eeuwen der eeuwen. AMEN.